ECLI:NL:RBOVE:2026:4226

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
808456425
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 13d OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

De rechtbank Overijssel behandelde op 16 juli 2026 een ontbindingsvordering op grond van artikel 36e Sr tegen een veroordeelde die medeplichtig was aan het telen van hennep en het bezit van 50 kg hennep in zijn woning.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €241.856,58, maar stelde ter terechtzitting een bedrag van €6.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel vast. De verdediging betwistte dat de veroordeelde enig voordeel had ontvangen, met een subsidiaire stelling dat er maximaal sprake was van twee oogsten.

De rechtbank nam het vonnis en een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt. Op basis van indicatoren en een rapport van het Functioneel Parket werd vastgesteld dat er drie volledige oogsten in de woning hadden plaatsgevonden. De verklaring van de veroordeelde dat hij €2.000 per oogst ontving werd als uitgangspunt genomen, maar het was niet aannemelijk dat hij daadwerkelijk in de opbrengst had gedeeld.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €6.000 en legde de betalingsverplichting aan de veroordeelde op. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 55 dagen.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €6.000 en legt betaling aan de Staat op.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.084564.25
Datum vonnis: 16 juli 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 241.856,58.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 2 juli 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van
€ 6.000,00 en dat de betalingsverplichting € 6.000,00 bedraagt. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat aan verdachte de verplichting wordt opgelegd tot betaling van een bedrag van € 1.678,97 aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen geldbedrag heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning en geen wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen. Subsidiair is er maximaal sprake van twee oogsten.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 16 juli 2026 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
feit 1 subsidiair
het misdrijf: medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier [1] en het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening
wederrechtelijk verkregen voordeel. [2]
Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het veroordelend vonnis en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat over veroordeelde is opgemaakt als uitgangspunt.
Bij vonnis van 16 juli 2026 is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van
1 mei 2024 tot en met 2 juli 2025 medeplichtig was aan het telen van hennep en 50 kg hennep aanwezig heeft gehad in zijn woning aan de [adres] .
Op basis van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel bestaan er voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de hennepkwekerij, dat wil zeggen: in de periode voordat de kwekerij op 2 juli 2024 werd aangetroffen.
De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van enkele feiten en omstandigheden, zoals die in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ zijn beschreven en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De politie is bij het opstellen van dat rapport uitgegaan van de uitgangspunten in het rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht' van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016 (verder: het rapport), waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen zijn vermeld.
Op grond van de in het dossier genoemde indicatoren (hennepplantresten, op kalk gelijkende afzetting, stof op koolstoffilters, potgrond/wortelresten, lege jerrycans, stof op voorwerpen) in samenhang met de overige indicatoren waaronder de blok/netwerkmeting door Enexis, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat er in de woning aan de [adres] in totaal 3 volledige oogsten zijn geweest voor de hennep welke op
2 juli 2024 werden aangetroffen.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht de rechtbank het echter niet aannemelijk dat veroordeelde heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij. De rechtbank neemt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verklaring van de veroordeelde [3] dat hij een geldbedrag van € 2.000,- per oogst zou ontvangen als uitgangspunt. De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek niet is gebleken dat verdachte kosten heeft gemaakt die in mindering kunnen worden gebracht.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 6.000,00.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.000,00.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.000,00;
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 6.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 55 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. C.E. Vording, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Buiten staat
Mr. C.E. Vording is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, Onderzoek Karwij met onderzoeksnummer PL0600-2024321313. Tenzij in de voetnoot anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, tweede lid, Sr, van verbalisant E.N. Reuvekamp van 12 februari 2025.
3.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2026 voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.