ECLI:NL:RBOVE:2026:424

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
08-229600-25, 08-181882-25 (gevoegd), 08-181954-22 (tul) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor meervoudige mishandeling van zijn partner met bijkomende gedragsaanwijzingen en strafmaatregelen

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een 38-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, voor meervoudige mishandeling van zijn toenmalige partner. De rechtbank heeft ook de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand. De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner in haar woning, waarbij hij gedragsaanwijzingen heeft overtreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere keren zijn partner heeft mishandeld, wat heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel, waaronder een gebroken enkel. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gevolgd en een meldplicht bij de reclassering, een contact- en locatieverbod opgelegd, en de verdachte verplicht om schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, en de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn verslavingsproblematiek. De rechtbank heeft de verdachte als strafbaar verklaard en de opgelegde straf als noodzakelijk geacht om de kans op recidive te verminderen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-229600-25, 08-181882-25 (gevoegd), 08-181954-22 (tul) (P)
Datum vonnis: 26 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. [verblijfsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. N. Brands, advocaat in Goor, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
08-181882-25
feit 1:in de periode van 1 april 2024 tot en met 9 mei 2025 [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) meerdere keren heeft mishandeld;
feit 2:in de periode van 1 november 2024 tot en met 5 december 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had;
08-229600-25
feit 1:in de periode van 27 augustus 2025 tot en met 28 augustus 2025 (
primair) heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, dan wel (
subsidiair) haar heeft mishandeld;
feit 2:op 28 augustus 2025 [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood of met zware mishandeling;
feit 3:op 28 augustus 2025 in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld door [slachtoffer] thuis te bezoeken;
feit 4:op 19 juli 2025 in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld door (telefonisch) contact te zoeken met [slachtoffer].
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
08-181882-25
1.
hij op een of meer tijdstippen of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 9 mei 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland, althans op een of meer plaatsen in Nederland (telkens) [slachtoffer], heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op/tegen het lichaam te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- bij de keel te pakken en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of (vervolgens) met haar hoofd onder de kraan te duwen en/of (hierbij) de koudwaterkraan open te zetten en/of, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2.
hij op een of meer tijdstippen of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 5 december 2024 te Denekamp, gemeente Dinkelland [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij de enkel vast te pakken en/of (vervolgens) aan de enkel van de bank te trekken en/of aan de enkel door de woning te sleuren/trekken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel ten gevolge had, te weten een gebroken enkel;

08-229600-25

1.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 27 augustus 2025 tot en met 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door meerdere malen, althans eenmaal, te slaan en/of te schoppen tegen de armen, benen en/of het oor, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2025 tot en met 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland (telkens) [slachtoffer], heeft mishandeld, door meerdere malen, althans eenmaal, te slaan en/of te schoppen tegen de armen, benen en/of het oor, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2.
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes, althans een scherp en puntig voorwerp tegen en/of bij de keel van die [slachtoffer] te drukken, prikken en/of houden;
3.
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland door die [slachtoffer] thuis te bezoeken en/of in haar huis te verblijven;
4.
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland door (telefonisch) contact op te nemen met [slachtoffer].

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 08-229600-25 feit 1 primair ten laste gelegde. Het subsidiair ten laste gelegde van dat feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De overige ten laste gelegde feiten kunnen ook wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat het letsel als bedoeld in feit 2 van parketnummer 08-181882-25 zwaar lichamelijk letsel betreft.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 08-229600-25 feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde. Het subsidiair ten laste gelegde van voornoemd feit 1 kan wettig en overtuigend worden bewezen. Ook de overige ten laste gelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat het letsel als bedoeld in feit 2 van parketnummer 08-181882-25 geen zwaar lichamelijk letsel betreft.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Parketnummer 08-181882-25
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten van parketnummer 08-181882-25 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
Feit 1 en feit 2
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025 met bijlagen, pag. 36-46;
Feit 2
3. een geschrift, te weten de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] van 3 juni 2025, pag. 47-49.
Zwaar lichamelijk letsel (feit 2)
De rechtbank overweegt in aanvulling op de bewijsmiddelen dat het letsel dat aan de enkel van [slachtoffer] is ontstaan door de gedragingen van verdachte – gezien de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel – moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Aan de enkel van [slachtoffer] is een operatie uitgevoerd en hoewel de breuk na een dergelijke operatie veelal binnen acht weten heelt, houden zwelling en pijn drie tot zes maanden aan. Voor volledige herwinning van functie in de enkel is verdere functionele revalidatie nodig.
3.3.2
Parketnummer 08-229600-25
Vrijspraak feit 1 primair en feit 2
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is verder van oordeel dat op basis van dit dossier niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd door een mes tegen haar keel te houden zoals onder feit 2 is ten laste gelegd. Verdachte ontkent deze bedreiging en het door de verbalisanten waargenomen kleine wondje in de hals van [slachtoffer] kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden gekoppeld aan de bedreiging met een mes. Immers is gebleken dat op dezelfde dag als de ten laste gelegde bedreiging een ruzie met fysiek geweld heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer]. De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit.
Feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 4
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 4 van parketnummer 08-229600-25 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [2] .
Feit 1 subsidiair
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] met bijlagen van 28 augustus 2025, pag. 12-24;
Feit 3 en feit 4
het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 januari 2026, aanvullend dossier pag. 1-5;
een geschrift, te weten de gedragsaanwijzing (art 509hh Sv) van 16 juni 2025, pag. 65-67;
het proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2025, pag. 69-70.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
08-181882-25
1.
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 april 2024 tot en met 9 mei 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland, telkens [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- tegen het lichaam te slaan en te stompen en te trappen en
- tegen het lichaam te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val kwam en
- met haar hoofd onder de kraan te duwen en hierbij de koudwaterkraan open te zetten, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2.
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 5 december 2024 te Denekamp, gemeente Dinkelland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij de enkel vast te pakken en vervolgens aan de enkel van de bank te trekken en aan de enkel door de woning te sleuren, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een gebroken enkel;
08-229600-25
1.
hij op meer tijdstippen in de periode van 27 augustus 2025 tot en met 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland telkens [slachtoffer] heeft mishandeld, door meerdere malen te slaan en te schoppen tegen de armen en benen van die [slachtoffer], terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3.
hij op 28 augustus 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland, door [slachtoffer] thuis te bezoeken en in haar huis te verblijven;
4.
hij op 19 juli 2025 te Denekamp, gemeente Dinkelland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland, door (telefonisch) contact op te nemen met [slachtoffer].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 184a, 300, 304 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
08-181882-25
feit 1
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
08-229600-25
feit 1, subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 3 en feit 4
telkens het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, Sv.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, samengevat, het volgende gevorderd. Verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vier jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het contactverbod moet daarnaast als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr worden opgelegd, waarbij de vervangende hechtenis moet worden bepaald op twee weken per overtreding. Van zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel moet de dadelijke uitvoerbaarheid worden bevolen. Tot slot moet aan verdachte een GVM-maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr worden opgelegd, zodat ook na het verlopen van de proeftijd toezicht op verdachte mogelijk is.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast moet een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een aantal maanden met een lange proeftijd worden opgelegd en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen het opleggen van een maatregel en het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel en de bijzondere voorwaarden.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode meerdere keren schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige partner [slachtoffer] in haar eigen woning. Naast een veelvoud aan forse blauwe plekken is bij [slachtoffer] fors letsel toegebracht in de vorm van een gebroken enkel. Binnen een liefdesrelatie en binnen de muren van een eigen woning zou bij uitstek een gevoel van veiligheid moeten gelden. Echter, het dossier geeft blijk van een ongezonde relatie waarbinnen verdachte en [slachtoffer] uit het niets ruzies konden krijgen, waarbij verdachte de persoon was die – veelal onder invloed van alcohol – gewelddadig werd. Zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van [slachtoffer] is op langdurige, ernstige en indringende wijze door verdachte aangetast. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Toen de problemen tussen verdachte en [slachtoffer] bij instanties bekend waren en aan verdachte een gedragsaanwijzing werd uitgereikt, heeft hij in strijd met die gedragsaanwijzing contact gehad met [slachtoffer] en haar in haar woning bezocht. Op ieder moment – dus ook wanneer verdachte niet degene is die contact initieert – ligt het binnen verdachte zijn verantwoordelijkheid om zich aan de gedragsaanwijzing te houden.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 31 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 8 december 2025, opgesteld door L. van Peer, GZ-psycholoog. Hierin is te lezen dat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis in alcoholgebruik, een lichte stoornis in cocaïnegebruik en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en borderline kenmerken. Ondanks eerdere pogingen tot abstinentie en motivatie tot verandering slaagt verdachte er niet in zelfstandig te stoppen met het gebruik van middelen. De stoornis is hardnekkig en chronisch. Dit heeft de ontwikkeling van identiteit, emotieregulatie en autonomie aanzienlijk belemmerd. Verdachte laat een sterkte behoefte zien aan nabijheid en bevestiging van anderen, wat hem kwetsbaar maakt voor het snel aangaan van intieme relaties. Verdachte heeft daarnaast moeite met impulscontrole, met name in situaties waarin hij overweldigd wordt door stress, relatieconflicten of gevoelens van afwijzing. Er zijn geen aanwijzingen voor structurele of instrumentele agressie in periodes van abstinentie. De agressieve luxaties lijken daarmee niet een op zichzelf staande agressieregulatiestoornis, maar passen beter bij impulscontroleproblemen binnen het kader van verslavingsproblematiek en instabiele relationele coping. Het is voorstelbaar dat de hiervoor beschreven beperkingen in ieder geval enige invloed hebben gehad op de keuzevrijheid en vrijheid van handelen ten tijde van het delict. Tegelijkertijd was verdachte, op basis van eerdere ervaringen, goed op de hoogte van het risico dat hij onder invloed agressief kon worden. Van volledige (on)toerekenbaarheid is daarom geen sprake. Door onduidelijkheden in het delictverloop en de deels ontkennende houding kan echter geen uitspraak worden gedaan over de precieze mate van deze invloed (en mate van toerekenbaarheid), vertaald naar een drie- of vijfpuntschaal.
Historisch gezien is verdachte meerdere malen grensoverschrijdend en dreigend geweest binnen relaties, altijd in samenhang met middelengebruik. Uit risicotaxatie blijkt dat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag, afgewogen door de aanwezigheid van risicofactoren af te zetten tegen beschermende factoren, matig is. In situaties van relationele spanningen, dreiging van verlating, jaloezie in combinatie met zijn verslaving neemt de kans op
grensoverschrijdend en agressief gedrag toe. Wanneer verdachte in een gestructureerde omgeving verkeert, met actieve monitoring en een stabiele dagstructuur, lijken de beschermende factoren de kans op herhaling te reduceren. Om het recidiverisico te beperken wordt een poliklinische behandeling geïndiceerd, gericht op zowel de verslavingsproblematiek als het versterken van emotieregulatie en autonomie. Daarnaast is het van belang de beschermende factoren te versterken door in te zetten op het behouden van dagstructuur, het opbouwen van een stabiel steunnetwerk, sport en het vasthouden van werk en onderneming. Langdurige begeleiding door de reclassering wordt noodzakelijk geacht, onder meer met een middelenverbod, regelmatige urinecontroles en een contactverbod. Een klinische opname is overwogen, maar dit zou de belangrijke beschermende factoren kunnen doorbreken. De voorkeur gaat daarom uit naar een poliklinische behandeling, mits dit voldoende intensief wordt ingericht en escalatie naar detox of klinische opname mogelijk blijft bij terugval. De geadviseerde behandeling kan als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel worden opgenomen. Een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wordt aanbevolen als stok achter de deur voor langdurige terugvalpreventie.
De rechtbank onderschrijft de overwegingen en conclusies van de deskundige over de vaststelling van de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis. De rechtbank leest de conclusies van de deskundige over de mate van toerekenbaarheid zo, dat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 10 december 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. Het risico op letsel en onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Daarnaast wordt geconstateerd dat meerdere risicofactoren aanwezig zijn die geassocieerd worden met een verhoogd risico op ernstig of dodelijk partnergeweld. Als er geen sprake is van een (spanningsvolle) relatie wordt de kans op herhaling door de reclassering als veel kleiner ingeschat. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden – waarvan de dadelijke uitvoerbaarheid moet worden bevolen – een meldplicht, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), een drugsverbod, een alcoholverbod, een contactverbod met [slachtoffer], een locatieverbod met elektronische monitoring en een verplichting tot het informeren over partnerrelaties. Daarnaast wordt geadviseerd om aan verdachte een GVM-maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen, omdat rekening wordt gehouden met het feit dat na het verstrijken van de proeftijd nog redenen zijn toezicht te blijven houden. In een aanvullend advies van de reclassering van 22 december 2025 onderschrijft de reclassering de aanbeveling van de Pro Justitia rapporteur over de voorkeur voor een poliklinische behandeling en adviseert de reclassering om een langdurige proeftijd voor de duur van vier jaren op te leggen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De ernst van de feiten rechtvaardigt dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank ziet een in ernst toenemend patroon van strafbare feiten die worden gepleegd binnen partnerrelaties van verdachte en acht het daarom van groot belang dat langdurig en intensief wordt ingezet op het verminderen van het risico op recidive. Een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden is daarom geboden. Aan verdachte zijn in het verleden (deels) voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd waarbij het voorwaardelijk deel maximaal twee maanden bedroeg. Gebleken is dat dit voor verdachte niet voldoende is als stok achter de deur om hem te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Bovendien acht de rechtbank het van groot belang dat wanneer de intrinsieke motivatie van verdachte om behandeling te volgen en zich te houden aan voorwaarden afzwakt, een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur als voldoende extrinsieke motivatie geldt. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan geëist door de officier van justitie.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstaf voor de duur van vijftien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vier jaren en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden – met dien verstande dat het locatieverbod geldt voor Denekamp – en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De opgelegde proeftijd is langer dan drie jaren, omdat verdachte wordt veroordeeld voor een geweldsmisdrijf en er, gelet op de justitiële documentatie van verdachte, de lange periode waarin onderhavige feiten zijn gepleegd en de risicotaxatie van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Het elektronisch toezicht ten behoeve van de controle op de naleving van het locatieverbod zal evenwel voor het eerste jaar van de proeftijd worden opgelegd opdat verdachte nadat hij in vrijheid is gesteld aanvankelijk onder strengere controle komt te staan. Binnen dat jaar kunnen het toezicht van de reclassering en de behandeling van verdachte concrete vorm krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er, gelet op de justitiële documentatie van verdachte, de lange periode waarin onderhavige feiten zijn gepleegd en de risicotaxatie van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.
Contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contact- en locatieverbod, zoals hierna beschreven. Door deze verboden niet alleen als bijzondere voorwaarde, maar ook als maatregel in de zin van 38v Sr op te leggen wordt voorkomen dat de verboden worden opgeheven op het moment dat het voorwaardelijke strafdeel ten uitvoer wordt gelegd. Bovendien kunnen op deze manier direct gevolgen worden verbonden aan overtreding van één van de verboden. De rechtbank legt de maatregel op voor de duur van vier jaren en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis zes maanden kan bedragen.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] meermaals hulp heeft gezocht bij onder andere de politie na de door verdachte gepleegde mishandelingen. Vanwege het risico op herhaald geweld, ontving [slachtoffer] van instanties een noodknop en werd verdachte een contact- en locatieverbod opgelegd. Ondanks deze maatregelen heeft verdachte de gedragsaanwijzingen overtreden – al dan niet met (stilzwijgende) instemming van [slachtoffer] – en is [slachtoffer] wederom mishandeld door verdachte. Vervolgens heeft verdachte, tijdens de schorsing in de voorlopige hechtenis, in strijd met de schorsingsvoorwaarden wederom contact gelegd met [slachtoffer]. De rechtbank is van oordeel dat ook de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er gelet op de justitiële documentatie van verdachte, de lange periode waarin onderhavige feiten zijn gepleegd en de risicotaxatie van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving van het [slachtoffer], [slachtoffer] zelf en de ernst van het strafbare feit dat de verdachte zou kunnen begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen zou kunnen laten zien weegt zwaarder dan het belang van verdachte om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met [slachtoffer].
GVM-maatregel op grond van artikel 38z Sr
Omdat de rechtbank de duur van zowel de proeftijd als de 38v-maatregel heeft bepaald op vier jaren en daarmee lang toezicht kan worden gehouden op verdachte, zal de rechtbank in dit geval geen GVM-maatregel in de zin van artikel 38z Sr aan verdachte opleggen.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het in beslag genomen mes moet worden verbeurdverklaard.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het aan [slachtoffer] toebehorende mes, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 5.000,00 bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze onvoldoende concreet is onderbouwd. Subsidiair heeft hij verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag tussen € 750,00 en € 1.000,00.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals in deze zaak het geval is. De mishandelingen hebben bij [slachtoffer] meerdere keren letsels veroorzaakt in de vorm van blauwe plekken en een gebroken enkel. De hoogte van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding is door de verdediging betwist.
Gelet op de aard van het letsel en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 3.000,00. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De vordering tenuitvoerlegging

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft hij verzocht om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij uitspraak van 11 juni 2025 van de rechtbank Overijssel is beslist tot de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en is de tenuitvoerlegging van een maand gevangenisstraf en de omzetting daarvan in 120 uren taakstraf bevolen. De resterende voorwaardelijke straf die nog in aanmerking komt voor tenuitvoerlegging is daarom een gevangenisstraf van een maand.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08-229600-25 feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08-181882-25 feit 1 en feit 2 en het onder parketnummer 08-229600-25 feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08-181882-25
feit 1
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
08-229600-25
feit 1, subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;
feit 3 en feit 4
telkens het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, Sv;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 4 (vier) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 4 (vier) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. Bij het aansluiten op de Elektronische Monitoring zullen er met verdachte afspraken gemaakt worden over de meldplichtcontacten;
- zich ambulant laat behandelen door een forensische (verslavings-)polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met aangeefster [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1979, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Ook zoekt hij geen contact met eerdere ex-partners bij wie hij veroordeeld is voor huiselijk geweld. Geen contact betekent dat er via anderen ook geen contact mag zijn, of via telefoon, sociale media of andere denkbare mogelijkheden. Indien aangeefster contact met betrokkene zoekt, dan verbreekt hij dat en maakt hij hiervan zo spoedig mogelijk melding bij de reclassering;
- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Denekamp, gelegen in de gemeente Dinkelland. Verdachte werkt mee aan Elektronische Monitoring van dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de Elektronische Monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. De Elektronische Monitoring duurt in eerste instantie twaalf maanden. Indien de reclassering aanleiding ziet om de Elektronische Monitoring langer te handhaven, dan zal daarover overleg plaatsvinden met het Openbaar Ministerie. Na het eindigen van de Elektronische Monitoring blijft het locatieverbod voor Denekamp van kracht;
- de reclassering informeert als hij een nieuwe intieme relatie aangaat. Verdachte geeft de reclassering toestemming om samen met hem contact te hebben met deze persoon;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
4 (vier) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende 4 (vier) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1979;
- beveelt dat de verdachte zich gedurende 4 (vier) jaren niet in Denekamp mag bevinden;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
14 (veertien) dagenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich
belastend zal gedragen jegens personen;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van
€ 3.000,00bestaande uit immateriële schade (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
30 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 2.000,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van het in beslag genomen mes aan [slachtoffer];
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan het resterende deel van de bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstraf, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand.
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Boef, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
Buiten staat
Mr. Ter Haar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025214285. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025415052. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.