ECLI:NL:RBOVE:2026:4246

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/08/343586 / JE RK 26-48
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens niet-georganiseerde vrijwillige hulpverlening

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, waarbij de kinderrechter op 2 juli 2026 een zitting hield. De gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming waren aanwezig, evenals de moeder digitaal; de vader was niet aanwezig.

De GI gaf aan dat de hulpverlening voortgezet kan worden in het vrijwillig kader, maar dat de vader de benodigde formulieren nog niet heeft ondertekend, waardoor onduidelijk is of hij toestemming zal geven. De moeder steunt verlenging vanwege de stabiliteit voor de kinderen en het ontbreken van toestemming van de vader. De raad deelt dit gevoel en benadrukt het risico dat zonder verlenging de positieve ontwikkelingen kunnen stagneren.

De kinderrechter constateert dat het beter gaat met de kinderen, maar dat de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader nog niet is georganiseerd vanwege het ontbreken van toestemming van de vader. Gezien de risico's wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 25 januari 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 25 januari 2027 vanwege het ontbreken van toestemming van de vader voor vrijwillige hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/343586 / JE RK 26-48
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2]
en
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2].

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft voor het laatst een tussenbeschikking gegeven in deze zaak op 22 januari 2026, hersteld bij beschikking van 19 mei 2026, waarbij de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft verlengd tot 25 juli 2026. Voor het overig verzochte is de beslissing aangehouden.
1.2.
De kinderrechter heeft daarna kennisgenomen van het volgende stuk:
- de updatebrief van de GI, ontvangen op 18 juni 2026.
1.3.
Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, digitaal via MS-Teams aangesloten;
  • [naam 1] namens de GI;
  • [naam 2] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter, maar hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in een gesprek met de kinderrechter, of op een andere manier hun mening te geven.

2.De feiten

2.1.
Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 22 januari 2026, hersteld bij beschikking van 19 mei 2026.

3.De standpunten

3.1.
De GI vermeldt in de updatebrief dat zij het verzoek voor de overige verzochte duur niet handhaaft. Volgens de GI kan de hulpverlening worden voortgezet in het vrijwillig kader en is verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer nodig.
3.2
Ter zitting heeft de GI aangevuld dat er sprake is van een dilemma, aangezien de vader de benodigde formulieren voor de inzet van hulp in het vrijwillig kader nog niet heeft ondertekend. De GI vindt het lastig te zeggen of hij dat alsnog zal doen. De vader wilde deze zitting afwachten, maar de GI weet niet wat de verwachtingen van de vader voor deze zitting precies zijn en waar het tekenen voor hem van afhangt. Als de ondertoezichtstelling toch wordt verlengd, is het volgens de GI niet effectief om dat voor een kortere termijn dan zes maanden te doen.
3.3
De moeder ziet rust en stabiliteit bij de kinderen hoe het nu gaat. De kinderen ervaren meer vertrouwen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een goede band met jeugdbeschermer mevrouw [naam 3] opgebouwd en kunnen zich naar haar openstellen. Bij het afsluiten van de ondertoezichtstelling zou als vangnet voor de kinderen de betrokkenheid van een maatschappelijk werker fijn zijn. Voor de inzet van de hulpverlening in het vrijwillig kader heeft de moeder de benodigde formulieren ingevuld en ondertekend. De moeder weet vanuit haar eigen ervaring dat de vader niet altijd meewerkend is met het geven van toestemming en aangaan van hulptrajecten in het vrijwillig kader. Dat is ook de reden geweest voor een ondertoezichtstelling. Nu de vader de formulieren nog niet ondertekend heeft, vindt de moeder het misschien toch wel verstandig om de ondertoezichtstelling te verlengen.
3.4
De vader heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn mening ter zitting naar voren te brengen.
3.5
De raad heeft een dubbel gevoel bij niet langer verlengen van de ondertoezichtstelling. Enerzijds staan de kinderen steviger in hun schoenen en hebben zij meer zelfvertrouwen. Aan de andere kant heeft de vader nog geen toestemming verleend voor de hulp in het vrijwillig kader en is het niet duidelijk of de vader die toestemming gaat verlenen. In het verleden heeft de vader geen toestemming verleend, wat betekent dat dit risico’s met zich brengt. De vraag is of de positieve ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich binnen het vrijwillig kader blijven voortzetten, of dat de positieve ontwikkelingen juist mogelijk zijn door het gedwongen kader. De raad kan zich dan ook voorstellen dat de ondertoezichtstelling wel voor de duur van zes maanden wordt verlengd, om zo nog aan de doelen te werken en zodat er voor een zachtere landing gezorgd kan worden als daadwerkelijk de hulp kan worden overgedragen naar het vrijwillig kader.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter stelt vast dat het beter gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat is positief. Het initiatief om contact met de vader te hebben ligt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dit geeft hen rust en ruimte. Hierdoor wordt gezien dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien in hun zelfvertrouwen en openheid. [minderjarige 2] heeft wekelijks telefonisch contact met de vader en spreekt soms fysiek met de vader af. [minderjarige 1] heeft momenteel geen contact met de vader, omdat zij behoefte heeft aan rust. Wel heeft [minderjarige 1] gezegd dat zij ervoor open staat om in de toekomst weer contact met de vader te hebben. Als zij daar aan toe is zal zij contact met de vader opnemen.
4.2.
De kinderrechter ziet de positieve ontwikkeling bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Maar ook moet de kinderrechter vaststellen dat het de ouders nog niet is gelukt om de benodigde hulpverlening vanuit het vrijwillig kader te organiseren. De aanmelding bij Sociaal Werk De Kop is in gang gezet en de moeder heeft de benodigde formulieren ingevuld en ondertekend. De vader heeft dit echter nog niet gedaan. Helaas is de vader ook niet ter zitting verschenen om zich hierover uit te laten. Hierdoor is het niet bekend of de vader daadwerkelijk bereid is om zijn toestemming te verlenen voor de hulpverlening. Gezien de voorgeschiedenis acht de kinderrechter het risico te groot om de ondertoezichtstelling te laten aflopen, zonder dat het duidelijk is dat de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader is opgestart. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk dat er hulpverlening betrokken blijft. Door een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de resterende verzochte duur ontstaat er meer tijd om de aanmelding bij Sociaal Werk De Kop af te ronden en te zorgen voor een goede overdracht van de GI naar Sociaal Werk De Kop. Tot die tijd kan de GI regie blijven voeren en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ondersteunen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben bovendien een goed contact en een goede band met de jeugdbeschermer.
4.3.
De kinderrechter concludeert dan ook dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan [1] en dat de ondertoezichtstelling daarom nog steeds nodig is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en het lukt niet om de benodigde hulpverlening vanuit het vrijwillig kader op te zetten, omdat de vader hieraan zijn medewerking (nog) niet heeft verleend. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de resterende verzochte duur van zes maanden verlengen. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 25 januari 2027;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. M. Vodegel, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.