ECLI:NL:RBOVE:2026:425

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
10.369719-24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en taakstraf opgelegd aan 18-jarige jongen voor afpersing en diefstal met geweld

Op 2 februari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in Zwolle uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 18-jarige jongen, die samen met zeven anderen betrokken was bij een gewelddadige afpersing en diefstal. De rechtbank heeft de jongen veroordeeld tot 135 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 90 uren. Daarnaast moet hij schadevergoeding betalen aan de slachtoffers. De feiten vonden plaats op 30 oktober 2024 in Hoogvliet, waar de verdachte en zijn mededaders een jongen onder bedreiging met een vuurwapen dwongen tot de afgifte van zijn telefoon en kleding, en een andere jongen beroofden van zijn persoonlijke bezittingen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld, en dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en eerdere veroordelingen. De opgelegde straf is bedoeld om de verdachte te laten inzien dat dergelijk gedrag niet wordt getolereerd en om hem de kans te geven zich te rehabiliteren.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 10.369719-24 (P)
Datum vonnis: 2 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .

1.De toelichting op dit vonnis

Op 12 januari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam de strafzaak van verdachte (hierna: [verdachte] ), die in eerste instantie daar aanhangig was gemaakt, op vordering van de officier van justitie verwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, omdat [verdachte] woonachtig is in [plaats] .
De officier van justitie heeft [verdachte] vervolgens opgeroepen om in Zwolle voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welke strafbare feiten [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 19 januari 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman mr. D.G. Peters, advocaat in Amsterdam, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door of namens [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 2] gevraagde schadevergoedingen.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat de feiten die de officier van justitie [verdachte] verwijt, kunnen worden bewezen.
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een afpersing en een diefstal (onder bedreiging) met geweld in vereniging. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: 135 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 90 uren. Dit betekent dat [verdachte] de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet nogmaals een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De werkstraf moet [verdachte] wel direct uitvoeren. Ook moet [verdachte] schadevergoedingen betalen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat [verdachte] op 30 oktober 2024 in Rotterdam samen met anderen (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer 1] op straat heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen en [slachtoffer 2] van meerdere voorwerpen heeft beroofd. Dit is ten laste gelegd als afpersing en diefstal (onder bedreiging) met geweld op de openbare weg in vereniging.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1hij op of omstreeks30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op de Achterweg, althans op de openbare weg,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of kleding en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)door die [slachtoffer 1]- te omsingelen en- meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam en- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [slachtoffer 1] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp rond te laten gaan en- (hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en- de woorden toe te voegen: "Geef je telefoon" en/of "Doe je kleren uit" en "Ga dansen, nu" en/of "als je naar de politie gaat, dan ga je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl die [slachtoffer 1] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp werd geslagen op het hoofd en op het lichaam en- te filmen met een mobiele telefoon;
feit 2hij op of omstreeks 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op/aan de Achterweg, althans op de openbare weg,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een jas en/of airpods en/of een Iphone 14 in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en dit vuurwapen, althans dit op een vuurwapen gelijkende voorwerp, te richten op die [slachtoffer 2] en- de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer 2] , zijn jas uit moest trekken en zijn codes moest geven, althans woorden van gelijke aard en strekking.
3.
De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat [verdachte] van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, net als het ten laste gelegde medeplegen. Het was niet de bedoeling van [verdachte] om de ten laste gelegde misdrijven te plegen. Ook is geen sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en een ander of anderen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen [1] zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt als volgt.
De feiten en omstandigheden
[slachtoffer 1] verklaart bij de politie dat hij op woensdag 30 oktober 2024 rond 23:35 uur samen met zijn vriend [slachtoffer 2] in Hoogvliet was. Zij waren onderweg naar een vriend om daar te chillen. Toen zij op de Dorpsstraat liepen, zag hij een groepje jongeren aan de overkant van de rotonde staan. [slachtoffer 1] liep samen met [slachtoffer 2] verder, de trap af, de Achterweg op. Hij zag dat de groep jongeren achter hen aanliep en boven op de trap stond. [slachtoffer 1] hoorde dat zij naar hen riepen en floten. Hij hoorde dat meerdere van die jongens stop en andere dingen naar hem riepen. [slachtoffer 1] denkt dat het acht jongens waren. Hij hoorde dat een van de jongens aan hem vroeg of hij tabba had. Dit is straattaal voor sigaret. [slachtoffer 1] gaf hem een sigaret. Een andere jongen vroeg ook om tabba en [slachtoffer 1] gaf dit ook aan hem. [slachtoffer 1] zag dat nog een andere jongen naar hem toeliep en hij hoorde dat ook hij om tabba vroeg. Toen [slachtoffer 1] dit wilde geven, wilde die jongen zijn hele pakje pakken. [slachtoffer 1] hoorde die jongen zeggen “Beter geef je” en hij voelde dat hij hem met zijn platte hand in zijn gezicht sloeg. Een van de jongens pakte een vuurwapen uit zijn broek/jas. [slachtoffer 1] weet niet meer precies welke jongen dit was, omdat het vuurwapen telkens werd overgegeven. Hij zag dat het vuurwapen een klein zwart pistool betrof waar een magazijn in zat. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werden op dat moment in de richting van het viaduct op de Achterweg geduwd. Hij werd tijdens de verplaatsing door meerdere jongens geslagen. Toen zij onder het viaduct stonden, zei een van de jongens “Geef mij je telefoon”. [slachtoffer 1] gaf toen zijn telefoon aan een van die jongens en zij vroegen aan hem wat de Apple ID-code was. [slachtoffer 1] gaf aan dat hij dat niet wist en toen werd hij weer meerdere keren met een platte hand geslagen. [slachtoffer 1] zag dat een jongen schuin voor hem stond. Hij zag dat hij in zijn rechterhand het vuurwapen vast had. Die jongen vroeg meerdere keren de telefooncode aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] voelde dat hij hem met het vuurwapen op zijn hoofd sloeg. [slachtoffer 1] zag dat het vuurwapen steeds werd overgedragen. Een van de andere jongens kwam toen naar [slachtoffer 1] toe en hij vroeg wat zijn schoenmaat was. Hij vertelde dat [slachtoffer 1] zijn kleren uit moest doen. [slachtoffer 1] deed zijn vest uit en gaf deze aan een van de jongens. Ook deed hij zijn schoenen en zijn broek uit en gaf deze ook aan de jongens. [slachtoffer 1] had op dat moment alleen nog zijn shirt aan. Hij kreeg wel zijn telefoon terug, maar hierna zei een van de jongens “Ga dansen nu”. [slachtoffer 1] zag dat meerdere jongens op dat moment aan het filmen waren. Hij ging dansen. [slachtoffer 1] kreeg zijn broek terug, maar zijn vest niet. [slachtoffer 1] zag dat ook een aantal jongens bij [slachtoffer 2] stonden en hij hoorde dat zij in diens telefoon zaten in te loggen. [slachtoffer 1] hoorde dat een van de jongens zei dat als zij naar de politie zouden gaan, dat zij dan dood zouden gaan. [slachtoffer 1] verklaart dat hij is beroofd van zijn witte Airpods 2, zijn Nike Tech Windrunner fleecejack met witte reflectoren en zijn paspoort. [2]
[slachtoffer 2] verklaart bij de politie dat hij samen met [slachtoffer 1] in Hoogvliet was. Hij zag dat een groep jongeren achter hun aankwam. Hij hoorde dat een van de jongens hen om sigaretten vroeg. Een van de jongens deed een arm om [slachtoffer 2] heen en [slachtoffer 2] hoorde dat hij zei dat [slachtoffer 2] met hem mee moest lopen. [slachtoffer 2] liep met hem mee richting het viaduct onder de Groene Kruisweg. Toen zij onder het viaduct stonden, zag [slachtoffer 2] dat een andere jongen een pistool in zijn hand had. [slachtoffer 2] hoorde dat een van de jongens zei dat hij zijn winterjas moest uittrekken. Hij deed dit niet. [slachtoffer 2] zag dat een andere jongen het vuurwapen op zijn lichaam richtte. “Ik keek recht in de loop van dit vuurwapen”. [slachtoffer 2] trok zijn winterjas uit en gaf deze aan een van die eerste jongens. [slachtoffer 2] hoorde dat die jongen al zijn codes vroeg, van toegangscode tot Apple ID. Hij zag dat [slachtoffer 1] twee meter bij hem vandaan stond met een groep jongens. [slachtoffer 2] hoorde dat een van die jongens om [slachtoffer 1] zijn kledingmaat vroeg. Die jongens zeiden dat hij zich moest uitkleden. [slachtoffer 1] deed dit. Toen hij in zijn onderbroek stond ging een van deze jongens filmen. [slachtoffer 1] werd ongeveer een halve minuut gefilmd en [slachtoffer 2] zag dat hij een klap kreeg op zijn hoofd met het vuurwapen. Hierna kreeg [slachtoffer 1] zijn broek en shirt terug. [slachtoffer 2] zag dat hij zijn vest niet terugkreeg. Hij zag dat [slachtoffer 1] zijn kleding aandeed. [slachtoffer 2] kreeg van een van de jongens zijn jas terug. Hij zag dat ze zijn Airpods en iPhone 13 uit zijn jas hadden gehaald. [3]
De politie heeft meerdere camerabeelden bekeken. Politieagent [verbalisant] verklaart daarover het volgende. Op de camerabeelden van de [adres 2] van 30 oktober 2024 is te zien dat om 23:17 uur een groep van acht personen voorbij loopt richting de Groene Kruisweg. Daarnaast ziet de politieagent op camerabeelden (van [bedrijf 1] ) dat om 23:19 uur meerdere personen vanaf de richting Dorpsstraat de rotonde op de Groene Kruisweg oplopen en blijven staan bij de rotonde. Twee personen uit de groep rennen richting [bedrijf 1] . Na een kort stuk rennen stoppen zij en draaien zij zich terug richting de groep. Op het moment dat beide personen teruglopen richting de groep, is er beweging vanuit de richting van de Dorpsstraat richting de rotonde, vanuit dezelfde richting als waar eerder de groep vandaan was gekomen. Naar aanleiding van de door de aangevers van de beroving afgelegde verklaringen blijkt dat dit de aangevers (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) betreffen die de rotonde oversteken en vervolgens de trap af naar beneden lopen richting de kerk gelegen aan de Achterweg te Hoogvliet. Op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de trap aflopen, beweegt de groep richting de trap. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen door in de richting van het Rijkeeplein. De groep loopt eveneens de trap af. Op het moment dat de groep nog op de trap loopt, stoppen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en lopen zij terug in de richting van de trap waar op dat moment de groep bezig is om naar beneden te lopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de groep staan beneden aan de trap bij elkaar. Zij blijven enkele seconden (10-15 seconden) onderaan de trap staan, waarna alle personen zich verplaatsten naar het aldaar gelegen tunneltje onder de Groene Kruisweg en naast de kerk. Een deel van de groep blijft voor het tunneltje staan en een deel verplaatst zich naar onder het tunneltje, waardoor een deel van de groep niet meer zichtbaar is. Na ongeveer een halve minuut verplaatsen de personen uit de groep die voor het tunneltje stonden zich ook naar het tunneltje. Gedurende meerdere minuten lopen meerdere personen onder het tunneltje heen en weer. Meerdere personen onder het tunneltje bewegen zich en enkele personen lopen een aantal meters weg, in de richting van de kerk. Na enkele seconden lopen deze personen weer vanuit de richting van de kerk terug richting het tunneltje. De groep loopt na enige tijd onder het tunneltje vandaan richting de trap waar zowel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als de groep eerder vandaan waren gekomen. De groep blijft nog enkele seconden onderaan de trap staan. Vervolgens lopen twee personen uit de groep weg in de richting van het Rijkeeplein. De overige personen uit de groep lopen de trap op waarna zij de rotonde op de Groene Kruisweg oversteken en doorlopen in de richting van de [locatie] te Hoogvliet om 23:31 uur. De politieagent verklaart dat op camerabeelden van [bedrijf 3] te zien is dat om 23:32 uur een groep personen aan komt rennen vanuit de richting van de rotonde Dorpsstraat/Groene Kruisweg. Zes personen rennen bij elkaar, met enkele meters daarachter één persoon en daar enkele meters achter nog één persoon. Verder verklaart de politieagent dat op camerabeelden (van [bedrijf 2] ) te zien is dat om 23:33 uur meerdere personen aan komen lopen vanuit de richting van de Groene Kruisweg. Dit betreft een groep van zeven personen. Ongeveer 40 seconden later rent een persoon vanuit de richting Groene Kruisweg richting de groep die op dat moment op de parkeerplaats loopt. Ten slotte verklaart de politieagent dat uit camerabeelden (van politiebureau Hoogvliet) blijkt dat tussen 23:35 en 23:55 uur een groep langs het politiebureau loopt. Deze groep bestaat uit acht personen. [4]
Door gebruik te maken van de applicatie Find my iPhone is gebleken dat de weggenomen telefoon op 31 oktober 2024 om 03:14 en 03:15 uur twee locaties gaf nabij de portiekflat aan de [adres 3] te Hoogvliet. De politieagent [verbalisant] verklaart dat uit camerabeelden van deze portiekflat volgt dat op 31 oktober 2024 om 00:45 uur acht personen de portiek binnenkomen. De volgende personen zijn door meerdere politiemedewerkers op de beelden herkend: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] ,
[naam 5] , [naam 6] en ook [verdachte] . [5] Tevens is [naam 7] op genoemde beelden herkend. [6] [naam 7] had bij zijn aanhouding een zwart Nike-vest aan. Dit vest betreft een soortgelijk vest als het vest dat van [slachtoffer 1] is weggenomen. [naam 7] heeft verklaard dat hij deze jas op de avond van de straatroof had gekregen van iemand. In de slaapkamer van [naam 7] is daarnaast een doosje met een witte Airpod aangetroffen. [slachtoffer 1] heeft tegen de politie gezegd dat bij de straatroof een Airpods-doosje was weggenomen met daarin maar één oortje. [naam 7] heeft verklaard die Airpod van [naam 2] te hebben gekregen. [7]
[verdachte] verklaart op de zitting dat hij op woensdag 30 oktober 2024 samen met [naam 7] naar Hoogvliet is gegaan om daar met meerdere mensen af te spreken en later in de avond bij iemand thuis te chillen. “Op weg naar huis zijn wij die twee slachtoffers tegengekomen. Toen zijn er een paar dingen van hen afgepakt”. [verdachte] verklaart dat dit niet lang heeft geduurd en dat zij daarna zijn weggegaan. [verdachte] vroeg om sigaretten en die kreeg hij ook. Hij zegt dat hij niet weet wie daarna om sigaretten heeft gevraagd. Ook heeft [verdachte] onder het viaduct tegen de slachtoffers gezegd dat ze moesten meewerken. Wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun aangiften hebben verklaard, klopt volgens [verdachte] wel. [verdachte] heeft gezien dat een van de slachtoffers werd geslagen, ook met een vuurwapen op het hoofd, en dat dit vuurwapen steeds werd doorgegeven. Daarnaast heeft [verdachte] gehoord dat datzelfde slachtoffer zijn kleren uit moest doen en moest dansen. [verdachte] heeft gezien dat dat werd gefilmd. Een vest was niet teruggegeven en de Airpods en de iPhone waren uit de jas van dat slachtoffer gehaald. [verdachte] heeft er naar eigen zeggen alleen bijgestaan. Hij zegt dat hij het pistool zelf niet in handen heeft gehad en dat hij de slachtoffers niet heeft aangeraakt. Wel heeft hij van een van de jongens nog sigaretten gekregen uit het pakje dat van een van de slachtoffers was. Daarna zijn zij naar de portiekflat gegaan. De jongens die daar op de camerabeelden zijn herkend (waaronder [verdachte] zelf), zijn de acht jongens die bij de straatroof waren. [8]
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. [slachtoffer 1] is op
30 oktober 2024 op de Achterweg in Rotterdam met geweld en onder bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen en [slachtoffer 2] is onder bedreiging met geweld van meerdere voorwerpen beroofd. [slachtoffer 1] werd, samen met [slachtoffer 2] , achterna gelopen door een groep van acht jongens. Zij werden door de groep jongens geroepen en moesten van hen stoppen met lopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden door de groep jongens omsingeld en in de richting van een viaduct geduwd. Onder dat viaduct is een (voorwerp dat lijkt op een) vuurwapen op hen gericht. Dit wapen werd onderling in de groep doorgegeven. [slachtoffer 1] is meerdere keren in het gezicht geslagen en op zijn lichaam, met platte hand en ook met het wapen op zijn hoofd. Hij moest zijn kleding uittrekken en dansen, en terwijl hij dat deed werd [slachtoffer 1] met een mobiele telefoon gefilmd. [slachtoffer 1] moest meerdere voorwerpen aan de groep jongens afgeven, waaronder zijn telefoon en Nike-vest. Dit vest heeft hij niet teruggekregen. [slachtoffer 2] moest zijn jas uittrekken en de codes van zijn telefoon geven. [slachtoffer 2] kreeg zijn jas terug, maar de Airpods en zijn iPhone 13 die in de jas zaten niet. Deze zijn door de groep jongens weggenomen. [slachtoffer 1] hoorde dat een van de jongens uit de groep zei dat als zij naar de politie zouden gaan, zij dan dood zouden gaan. De groep van acht jongens is gezamenlijk vertrokken. De jongens uit de groep, waaronder [verdachte] , zijn op camerabeelden herkend. Ook is op camerabeelden te zien dat de jongens zowel voorafgaand als na het incident in dezelfde samenstelling als groep met elkaar zijn. Bij een van de jongens uit de groep, [naam 7] , is het doosje met daarin een Airpod van [slachtoffer 1] aangetroffen. Ook had [naam 7] bij zijn aanhouding het Nike-vest van [slachtoffer 1] aan.
De mate van betrokkenheid van [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om hem als medepleger aan te merken. Hij was vóór, tijdens en ná het incident met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onderdeel van de groep jongens. [verdachte] heeft de groep jongens niet alleen getalsmatig versterkt, hij heeft ook bijgedragen aan de dreigende sfeer die door het gedrag van de groep jongens is ontstaan. [verdachte] heeft als eerste [slachtoffer 1] om een sigaret gevraagd en ook heeft hij woorden geuit die dwingend van aard zijn, namelijk dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] moesten meewerken, omdat het anders niet goed zou aflopen. Daarna heeft hij gehoord en gezien welke bedreigende uitingen en geweldshandelingen in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gedaan en gepleegd. [verdachte] heeft zich niet van dat gedrag van anderen gedistantieerd, maar bleef onderdeel van de groep. Bovendien heeft [verdachte] zichzelf bevoordeeld en meegedeeld in de buit, want hij heeft sigaretten gerookt uit een pakje dat van [slachtoffer 1] is afgepakt en [verdachte] wist dit. Daarom is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] en de anderen van de groep sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee is het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen van het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1hij op 30 oktober 2024 te Hoogvliet, Rotterdam, op de Achterweg,tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van kleding en enig ander goed, die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorden,door die [slachtoffer 1]- te omsingelen en- meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam en- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [slachtoffer 1] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp rond te laten gaan en- (hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en- de woorden toe te voegen: “Geef je telefoon” en “Doe je kleren uit” en “Ga dansen, nu” en “Als je naar de politie gaat, dan ga je dood”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl die [slachtoffer 1] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, werd geslagen op het hoofd en- te filmen met een mobiele telefoon;
feit 2hij op 30 oktober 2024 te Hoogvliet, Rotterdam, op de Achterweg,
tezamen en in vereniging met anderen, Airpods en een iPhone, die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorden,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door- die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en dit vuurwapen, althans dit op een vuurwapen gelijkende voorwerp, te richten op die [slachtoffer 2] en- de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer 2] , zijn jas uit moest trekken en zijn codes moest geven, althans woorden van gelijke aard en strekking.
De rechtbank vindt niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
feit 2
het misdrijf:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De motivering van de straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 135 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 90 uren. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Als de rechtbank tot een veroordeling komt, verzoekt de verdediging te volstaan met de oplegging van een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] , zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
[verdachte] heeft samen met zeven anderen op straat in Hoogvliet Rotterdam met geweld en onder bedreiging met geweld een jongen gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen en een andere jongen van meerdere voorwerpen beroofd. [verdachte] en zijn mededaders hebben op een intimiderende manier druk op hen gezet. Er is met een vuurwapen gedreigd en ook is een van de jongens meerdere keren geslagen, waaronder met het vuurwapen op zijn hoofd. Deze jongen moest zich tijdens de afpersing uitkleden en dansen, en dit werd gefilmd. [verdachte] heeft met zijn deelname aan dit gedrag totaal geen respect getoond voor het eigendom en de gevoelens van veiligheid van een ander. De situatie is voor de slachtoffers zeer bedreigend en beangstigend geweest. Dat blijkt ook uit de verklaringen die zij bij de politie hebben afgelegd. Daarnaast leiden berovingen als deze tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van
12 januari 2026, waaruit volgt dat [verdachte] al vaker voor strafbare feiten is veroordeeld en dat artikel 63 Sr van toepassing is. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de adviesrapporten van de Raad en de toelichting die de PerspektieV-begeleider van [verdachte] , de jeugdreclasseringswerker en de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting hebben gegeven. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld.
[verdachte] is een nu 18-jarige jongen. Hij is in zijn jonge leven (onder andere in het kader van pleegzorg) vaak verhuisd en in al die jaren heeft hij veel verschillende begeleiders gehad. Er zijn zorgen rondom [verdachte] . Die zorgen zien onder andere op het ontbreken van dagbesteding in de vorm van onderwijs of werk en inkomen. In de afgelopen periode is [verdachte] bij de politie meerdere keren in beeld gekomen als verdachte van drugsgerelateerde feiten. De contacten die [verdachte] heeft, lijken geen goede invloed op hem te hebben. Op de zitting heeft [verdachte] verteld dat hij zich vaak verveelt en dat hij eigenlijk ook niet veel vrienden heeft. Hij gaat dan maar naar buiten en fietst een rondje door de stad op zijn fatbike of hij blijft binnen op zijn kamer en rookt dan een jointje. Hij ziet de groep waarmee hij optrok ten tijde van deze feiten niet meer. [verdachte] wil wel graag een bijbaantje en hiermee geld verdienen, maar tot nu toe is het hem niet gelukt om zo’n baantje te vinden. Hij heeft zich ingeschreven voor een mbo-1-opleiding, die in februari gaat starten. [verdachte] vindt dat hij niet per se hulp nodig heeft, maar de Raad en de jeugdreclassering vinden van wel. [verdachte] woont nu bij PerspektieV in Zwolle en hij kan met zijn begeleider overweg. Omdat [verdachte] nu meerderjarig is, is de voogdijmaatregel geëindigd. De Raad en de jeugdreclassering vinden een langere periode jeugdreclassering van belang, zodat [verdachte] niet alleen komt te staan en gedurende dit traject de gelegenheid heeft om vertrouwen te krijgen in zijn begeleiding en hulpverlening (omdat relatieopbouw belangrijk is). Dan kan [verdachte] doorgroeien naar een vorm van zelfstandigheid, zowel als het gaat om een woonplek als om dagbesteding. De Raad en de jeugdreclassering adviseren een deels voorwaardelijke straf, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel verschillende bijzondere voorwaarden worden gekoppeld om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst opnieuw de fout in gaat. [verdachte] kan zich vinden in dit advies.
De strafoplegging
Omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van de strafbare feiten minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt vervolgens bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr.
Hoewel de aard en de ernst van de gepleegde feiten zonder meer onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen, ziet de rechtbank vanwege de persoon van [verdachte] , in het bijzonder de noodzaak voor hem tot het behouden en verkrijgen van hulp, geen meerwaarde in de oplegging van onvoorwaardelijke jeugddetentie die langer duurt dan het voorarrest.
De feiten die [verdachte] heeft gepleegd zijn naar het oordeel van de rechtbank wel zodanig ernstig dat hij de gevolgen van zijn daden moet voelen en dat ook in de richting van andere jongeren duidelijk moet zijn dat dit soort feiten niet wordt getolereerd. Een flink aantal dagen voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur en een onvoorwaardelijke werkstraf vindt de rechtbank dan ook op zijn plaats.
De rechtbank vindt, alles afwegend, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal aan [verdachte] opleggen 135 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 90 uren. Dit betekent dat [verdachte] de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet nogmaals een strafbaar feit pleegt. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer de fout in gaat en hem daar de benodigde hulp voor te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafgedeelte de door de Raad en de jeugdreclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. Als [verdachte] tijdens de proeftijd een strafbaar feit pleegt of een van de andere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog de jeugddetentie uitzitten. De rechtbank zal de jeugdreclassering de opdracht geven toezicht te houden op de naleving door [verdachte] van de opgelegde bijzondere voorwaarden en hem ten behoeve daarvan te begeleiden. De werkstraf is onvoorwaardelijk, wat betekent dat [verdachte] die nu wel moet uitvoeren.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert verdachte te veroordelen om € 4.990,78 aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit materiële schade (€ 75,80 nieuw paspoort,
€ 135,98 nieuw vest en € 279,-- nieuwe Airpods) en immateriële schade (€ 4.500,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert verdachte te veroordelen om € 1.823,16 aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit materiële schade (€ 405,20 dagwaarde iPhone en € 219,96 dagwaarde Airpods) en immateriële schade (€ 1.200,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 1] verzochte schadevergoeding hoofdelijk toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.354,80 en dat de door [slachtoffer 2] verzochte schadevergoeding hoofdelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 1.623,16, te vermeerderen met de geldende wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (zonder de mogelijkheid van gijzeling). De benadeelde partijen zijn volgens de officier van justitie voor het meerdere niet-ontvankelijk in de vordering.
7.4
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak moeten de benadeelde partijen volgens de verdediging in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Mocht de rechtbank daar anders naar kijken, dan moeten de toe te wijzen bedragen aan schadevergoeding volgens de verdediging worden gematigd.
7.5
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten “€ 75,80 nieuw paspoort” en “€ 279,-- nieuwe Airpods”, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn.
De materiële schadepost “€ 135,98 nieuw vest” is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.
De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar tot een bedrag van € 354,80.
De immateriële schade
Op basis van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan een benadeelde partij in beperkte gevallen aanspraak maken op vergoeding van andere schade dan vermogensschade, zoals in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Gelet op wat de rechtbank eerder in dit vonnis in de bewijsmotivering en de strafmotivering heeft vastgesteld over de aard van het handelen van verdachte waarvan de benadeelde partij het slachtoffer is geworden, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de door verdachte begane normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde in dit geval onmiskenbaar met zich brengen dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank zal, rekening houdend met de beschreven impact van het feit en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 3.000,--.
De toe te wijzen schade
De rechtbank zal, op basis van het voorgaande, de verzochte schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 3.354,80, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (te weten: 30 oktober 2024). De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen verklaarde feit is toegebracht.
De rechtbank ziet in de leeftijd van verdachte aanleiding om, voor het geval verdachte niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel, het aantal dagen gijzeling op nul te stellen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten “€ 405,20 dagwaarde iPhone” en “€ 219,96 dagwaarde Airpods”, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn.
De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar voor het bedrag van € 625,16.
De immateriële schade
De rechtbank zal, de eerdere overwegingen van de rechtbank over immateriële schade in aanmerking nemend en rekening houdend met de beschreven impact van het feit en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 1.000,--.
De toe te wijzen schade
De rechtbank zal, op basis van het voorgaande, de verzochte schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 1.625,16, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (te weten: 30 oktober 2024). De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen verklaarde feit is toegebracht.
De rechtbank ziet in de leeftijd van verdachte aanleiding om, voor het geval verdachte niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel, het aantal dagen gijzeling op nul te stellen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
feit 2
het misdrijf:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
135 (honderdvijfendertig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering wordt gebracht;
- bepaalt dat van deze jeugddetentie
een gedeelte van 90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt):
  • meldt bij de jeugdreclassering op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan de aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dat kader geeft;
  • verblijft in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, zoals PerspektieV of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem opstelt;
  • een (door de jeugdreclassering) te bepalen zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van school of werk;
  • een (door de jeugdreclassering) te bepalen zinvolle vrijetijdsbesteding heeft;
  • meewerkt aan (andere) door de jeugdreclassering noodzakelijk gevonden diagnostiek en het hieruit voortvloeiende behandeladvies en de daarmee gepaard gaande hulpverlening en/of (ambulante) behandeling(en) door een zorgverlener, als dit gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt gevonden;
  • meewerkt aan (andere) door de jeugdreclassering noodzakelijk gevonden ondersteuning of verwijzing naar (andere) hulpverleningsinstanties, als dit gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt gevonden;
- draagt aan de Afdeling
Jeugdbescherming en Jeugdreclassering van de William Schrikker Groep, met als verantwoordelijke gemeente Zwolle (AST094), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om
toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- veroordeelt verdachte daarnaast tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
90 (negentig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
45 (vijfenveertig) dagen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van
de benadeelde partij [slachtoffer 1](
feit 1) toe tot een bedrag van
€ 3.354,80 (drieëndertighonderdvierenvijftig euro en tachtig cent)bestaande uit materiële en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 3.354,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van
€ 3.354,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt,
0 (nul) dagen gijzelingkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het
overige deel niet-ontvankelijkis in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van
de benadeelde partij [slachtoffer 2](
feit 2) toe tot een bedrag van
€ 1.625,16 (zestienhonderdvijfentwintig euro en zestien cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.625,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van
€ 1.625,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt,
0 (nul) dagen gijzelingkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het
overige deel niet-ontvankelijkis in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. G.M.J. Vijftigschild en
mr. M.H. van der Lecq, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Rotterdam, districtsrecherche Rijnmond Zuid-West, met onderzoeksnummer RT5R024106, genaamd Honolulu. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 2 november 2024, pagina 22 tot en met 26.
3.Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 2 november 2024, pagina’s 30 tot en met 32.
4.Een proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2024, pagina’s 55 tot en met 63.
5.Een proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2024, pagina’s 154 tot en met 172.
6.Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 29 november 2024.
7.Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024, pagina’s 360 tot en met 363.
8.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2026.