ECLI:NL:RBOVE:2026:4276

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
08.084564.25 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13d OpiumwetArt. 55 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid hennepteelt en bezit hennep met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 50 kilogram hennep in een woning te [plaats]. Verdachte was huurder van de woning en stelde deze ter beschikking aan anderen die de hennepkwekerij exploiteerden. Hij wist van de hennepteelt en kwam regelmatig in de woning om deze bewoond te laten lijken.

De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen van hennepteelt en elektriciteitsdiefstal wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medeplichtig was aan de hennepteelt en het aanwezig hebben van hennep. De hennepkwekerij bestond uit drie kweekruimtes met in totaal 643 kweekpotten en 50 kilogram hennep.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een meldplicht bij de reclassering. Tevens werd een kostenverhaal van €1.678,97 opgelegd voor de opruimkosten van de hennepkwekerij. De benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering wegens vrijspraak van elektriciteitsdiefstal.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een taakstraf van 120 uur en een meldplicht bij de reclassering wegens medeplichtigheid aan hennepteelt en bezit van hennep.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.084564.25 (P)
Datum vonnis: 16 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 02 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. door de raadsman mr. H. de Vries, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:samen met anderen, dan wel alleen, een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, dan wel behulpzaam is geweest bij de exploitatie van die hennepkwekerij;
feit 2:samen met anderen, dan wel alleen, elektriciteit heeft gestolen;
feit 3:samen met anderen, dan wel alleen, hennep aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans, alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 50 kilogram hennep en/of ongeveer 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid
van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 50 kilogram hennep en/of ongeveer 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 september 2023 tot en met 1 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Enexis, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking;
3
hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de feiten 1, 2 en 3 vanwege de onderlinge samenhang gezamenlijk behandelen.
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
Op 2 juli 2024 werd door de politie na verschillende MMA meldingen in de periode van 7 augustus 2023 t/m 28 juni 2024 en een blok/netmeting, binnengetreden in een woning aan de [adres] in [plaats] . In de woning werd een hennepkwekerij aangetroffen verdeeld over drie kweekruimten. Kweekruimte 1 bevond zich op de eerste etage. In deze ruimte stonden geen planten meer. De planten waren geoogst en de henneptoppen hingen in de ruimte te drogen. In de ruimte stonden 305 kweekpotten. Kweekruimte 2 bevond zich op de tweede etage. In deze ruimte waren de planten al geoogst en hingen aan lijnen te drogen. In de ruimte stonden 206 kweekpotten met daarin afgeknipte hennepstengels. Kweekruimte 3 bevond zich aan de voorzijde van het pand op de tweede etage. In deze ruimte werden 132 kweekpotten aangetroffen met daarin stengels van hennepplanten. In de ruimte werden geen planten aangetroffen. Op basis van de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, werd vastgesteld dat de aangetroffen planten hennepplanten waren. Na weging bleek het om 50 kilogram hennep te gaan. In alle kweekruimtes werd voor de belichting gebruik gemaakt van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. De hennepplanten werden door middel van een centraal geregeld bevloeiingssysteem of drupsysteem van een voedingsoplossing voorzien. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Verder werden in de woning verschillende goederen aangetroffen die bestemd waren voor de hennepteelt. De woning was niet ingericht als woning. Door de fraude-inspecteur van de netbeheerder Enexis werd geconstateerd dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Er was een aansluiting gemaakt buiten de elektriciteitsmeter om. In een ruimte op de eerste verdieping werden poststukken aangetroffen die waren geadresseerd aan verdachte.
Verdachte stond sinds 25 februari 2024 ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] en was vanaf 1 juni 2023 huurder van de woning. Verdachte was contractant bij het energiebedrijf. Verdachte heeft op enig moment de woning ter beschikking gesteld aan personen en wist dat de woning gebruikt werd voor een hennepkwekerij. Hiervoor zou verdachte een geldbedrag ontvangen. De huur van de woning werd via verdachte betaald door de personen aan wie hij de woning ter beschikking had gesteld. Verdachte had een sleutel van de woning en kwam regelmatig in de woning om de woning bewoond te laten lijken.
Overwegingen van de rechtbank
Ten aanzien van het feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde (medeplegen)
De rechtbank is van oordeel, zoals ook gerekwireerd door de officier van justitie en bepleit door de raadsman, dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 is ten laste gelegd zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat verdachte alleen verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit dan wel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met één of meer anderen ten aanzien van de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit.
Ten aanzien van het feit 1 subsidiair ten laste gelegde (medeplichtigheid)
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1]
Ten aanzien van feit 3
Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van hennep is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan en daarover feitelijke macht kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte huurder was van de woning en beschikte over een sleutel. Verdachte had daarmee toegang tot de woning. Als huurder van de woning mocht van verdachte worden verwacht dat hij wist wat zich in de woning afspeelde. Dat wist hij ook, immers heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er een hennepkwekerij in de woning was en dat hij daar regelmatig kwam om de woning bewoond te laten lijken. Bovendien is uit het dossier niet gebleken dat de kweekruimtes waren afgesloten en verdachte geen toegang had tot de ruimtes waar de hennep werd aangetroffen.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de hennep en dat hij daarover ook de beschikkingsmacht had.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen, nu uit het dossier onvoldoende blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen.
De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 mei 2024 tot en met 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] met elkaar,
althans één van hen,opzettelijk heeft/hebben geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad(in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 50 kilogram hennep
en/of ongeveer 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en
/ofbij het plegen van welk
(e)misdrijf
/misdrijvenverdachte
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 mei 2024 tot en met 2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] ,
in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)opzettelijk gelegenheid
en/of middelen en/of inlichtingenheeft verschaft en
/ofopzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen
3
hij op
of omstreeks2 juli 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 50 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 subsidiair en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair
het misdrijf: medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte moet worden opgelegd een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis en daarnaast een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verder is sprake van eendaadse samenloop. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel op te leggen tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de staat komen conform artikel 13d van de Opiumwet. De officier van justitie heeft gevorderd die kosten te bepalen op €1.678,97 en de duur van de gijzeling te bepalen op ten hoogste 16 dagen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair een werkstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken een passende straf is. Ook dient rekening gehouden te worden met het tijdsverloop. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan hennepteelt en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid en hij heeft daarmee ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor softdrugs. Een hennepkwekerij in een woning levert een gevaarlijke situatie op voor naastgelegen woningen. Ook is het telen van hennep indirect de oorzaak van vele (andere) vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent dat verdachte aan.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) betreffende verdachte van 3 juni 2026;
- het rapport van de reclassering van 16 juni 2026, opgemaakt door [naam] , reclasseringswerker.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
In het rapport van de reclassering staat onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat door verdachte geen openheid van zaken wordt gegeven. Verdachte geeft alleen beperkte antwoorden ten aanzien leefgebieden waarin het volgens hem goed gaat. Er lijkt geen probleembesef bij verdachte aanwezig te zijn, waarnaast hij zijn rol bagatelliseert. Ondanks dat verdachte enigszins informatie heeft verstrekt met betrekking tot zijn situatie, is het niet mogelijk om mogelijke risicofactoren in te schatten en te adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn. Verdachte is van mening dat een toezicht niet zal bijdragen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het advies van de reclassering. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straf die in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel oplegging van een forse straf passend en nodig is, gelet op de ernst van de feiten. De rechtbank zal bij het bepalen ook rekening houden met de proceshouding van verdachte waaruit blijkt dat hij onvoldoende blijk geeft van probleembesef. Verdachte heeft een gesloten houding en deelt niet met iedereen wat er is gebeurd. De rechtbank heeft daardoor de indruk dat verdachte zich onvoldoende rekenschap geeft van de ernst van zijn handelen en de gevolgen daarvan. Voorts is gebleken dat verdachte door zijn gokgedrag in ernstige financiële problemen is geraakt. Dit gedrag en de daaropvolgende financiële problemen zijn de oorzaak van de onderhavige zaak. Deze schulden zijn nog steeds aan de orde en maken verdachte kwetsbaar waarmee het recidivegevaar wordt onderstreept. Verdachte doet een opleiding in de zorg. Het is niet uitgesloten dat hij door de onderhavige veroordeling geen V.O.G. zal krijgen en daardoor problemen zal ondervinden bij het vinden van een baan in de zorg. De rechtbank constateert dat er problemen zijn op meerdere leefgebieden waar verdachte hulp en steun bij kan gebruiken en zal daarom als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering opleggen. De rechtbank vindt het noodzakelijk om door middel van toezicht het recidiverisico te beperken. Een deel van de straf zal dan ook voorwaardelijk worden opgelegd om begeleiding en hulpverlening binnen een voorwaardelijk kader te bieden en ook om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de strafzaak, waardoor verdachte lange tijd in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening van de strafzaak.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf (werkstraf) voor de duur van 120 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf verbindt de rechtbank een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan.
In de door verdachte gehuurde woning waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en daarnaast heeft de Staat kosten gemaakt voor vernietiging daarvan. Bij de stukken bevindt zich een factuur van Kusters facilities met een kostenoverzicht van het ontruimen van de hennepplantage. In totaal gaat het om een bedrag van €1.678,97. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van Kusters facilities door de Staat is betaald.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform de vordering van de officier van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De maatregel die strekt tot vergoeding van een deel van de opruimkosten die de politie heeft gemaakt dient om de maatschappij te compenseren.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
Enexis Netbeheer B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 33.472,98 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit:
-materiële schade € 30.817,81;
-buitengerechtelijke incassokosten € 1.083,17;
-incassokosten € 1.572,00.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering heeft betrekking op het onder feit 2 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 49 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair
het misdrijf: medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, GGZ Tactus Enschede, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
maatregel
- legt aan verdachte de verplichting op tot het vergoeden van een bedrag van € 1.678,97 aan de staat ter zake van kostenvergoeding in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. C.E. Vording, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Buiten staat
Mr. C.E. Vording is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023527390. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik stond ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] en huurde de woning vanaf 30 mei 2023. Ik was contractant bij het energiebedrijf. Ik heb de woning ter beschikking gesteld aan personen. Zij betaalden de huur en ik maakte het over via de bank. Ik wist dat in de woning een hennepkwekerij kwam. Ik zou hiervoor een geldbedrag van
€ 2.000,00 per oogst ontvangen. Ik had een sleutel van de woning en kwam regelmatig in de woning om de woning bewoond te laten lijken.
2.
Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 2 juli 2024, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisanten:
Aanleiding onderzoek
Op 2 juli 2024 stelden wij naar aanleiding van
- een MMA melding, d.d. 10 november 2023, melding dat de woning niet bewoond is maar
dat er wel aanloop bij de woning is. De melder ruikt een hennepgeur.
Op 28-06-2024 is er weer een MMA melding. De woning lijkt nog steeds niet bewoond
maar er is wel aanloop bij de woning van personen die slechts korte tijd in de woning
blijven. Er worden tassen de woning in en uit gebracht en er wordt een hennepgeur
waargenomen. De gordijnen van de woning zijn altijd gesloten.
- een rapport blok/netmeting dat op verzoek van de politie door de fraude inspecteur van Enexis werd uitgevoerd om te onderzoeken of er sprake was van een afwijkend belastingpatroon in het elektriciteit kabelnet waarop het hierna te noemen perceel is aangesloten, door Enexis is een blok/netmeting verricht op verzoek van de politie. Hierbij is een afwijkend patroon waargenomen waarbij het zeer waarschijnlijk is dat de kwekerij op dit moment (02-07-2024) werd geoogst,
een onderzoek in op het adres [adres] [plaats] , binnen de
gemeente [plaats] , vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
In voornoemde woning werd op 2 juli 2024 ter opsporing en inbeslagneming op grond van artikel 9, lid 1, onder b Opiumwet en artikel 96 Wetboek Pro van Strafvordering, binnengetreden.
Het pand betreft een bovenwoning gelegen boven een voormalige trimsalon aan een
drukke doorgaande weg in [plaats] . In de badkamer stond een watervat met daarin een dompelpomp. Een kamer waarin een bank stond waarop een dekbed lag. In deze ruimte werden enkele poststukken geadresseerd aan [verdachte] aangetroffen. Een ruimte aan de achterzijde werd gebruikt als opslagruimte. In deze kamer werden ventilatoren, dozen met flexibele buis, armaturen, zakken potgrond, kabels en lege 1 liter cans en lege 5 liter cans met groeimiddel. Ook werden hier lege stektrays aangetroffen.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zagen wij het volgende: De eerste kweekruimte bevond zich op de
eerste etage. In deze ruimte stonden geen planten meer. De planten waren geoogst en
hingen in de ruimte te drogen. Hiertoe was er landbouwplastic op de vloer gelegd. In
de ruimte hingen aan meerdere lijnen henneptoppen te drogen. De potten waarin de
planten waren opgekweekt stonden langs de wand. Deze potten zijn geteld. Het bleken
305 potten te zijn. Voor de belichting werd gebruik gemaakt van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. De hennepplanten werden door middel van een centraal geregeld bevloeiingssysteem of drupsysteem van een voedingsoplossing voorzien.
Kweekruimte 2
De tweede kweekruimte bevond zich op de tweede etage. In deze ruimte waren de planten al geoogst en hingen aan lijnen te drogen. In de ruimte stonden 206 kweekpotten met daarin afgeknipte hennepstengels. Voor de belichting werd gebruik gemaakt van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. De hennepplanten werden door middel van een centraal geregeld bevloeiingssysteem of drupsysteem van een voedingsoplossing voorzien.
Kweekruimte 3
Deze ruimte bevond zich aan de voorzijde van het pand op de tweede etage. In deze ruimte werden 132 kweekpotten aangetroffen met daarin stengels van hennepplanten. In de ruimte werden geen planten aangetroffen. Waarschijnlijk hingen deze toppen te drogen in kweekruimte 2. Voor de belichting werd gebruik gemaakt van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. De hennepplanten werden door middel van een centraal geregeld bevloeiingssysteem of drupsysteem van een voedingsoplossing voorzien.
Wij constateerden op grond van onze kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere
ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.
Wij constateerden, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en
daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten waren.
Het bleek dat de stroom illegaal en voor de meter werd afgenomen.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 11 juli 2024, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Op 3 juli 2024, heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de inbeslaggenomen henneptoppen, aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] , netto gewogen. Na netto weging, betrof de inbeslaggenomen henneptoppen het totale gewicht van 50 kg. Ik, als taak accenthouder hennep herkende de henneptoppen ambtshalve als hennep, vanwege de geur, kleur en vorm van de henneptoppen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024321313. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.