ECLI:NL:RBOVE:2026:4279

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
08.060564.26 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 19 RVV 1990Art. 20 RVV 1990Art. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling beginnend motorrijder voor verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

Op 11 juli 2025 veroorzaakte verdachte, een beginnend motorrijder, een ernstig verkeersongeval in Enschede waarbij een voetganger zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte reed met een snelheid van minimaal 92 km/u op een weg waar 50 km/u was toegestaan, terwijl het zicht werd belemmerd door geparkeerde auto's en de weginrichting.

De rechtbank stelde vast dat verdachte onvoldoende voorzichtig en oplettend was, waardoor hij niet tijdig kon stoppen en de voetganger niet kon ontwijken. Het slachtoffer liep meervoudig gecompliceerd letsel op, waaronder een schedelbasisfractuur en meerdere botbreuken, wat als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte schuld had in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 en veroordeelde hem tot een taakstraf van 200 uren, met een vervangende hechtenis van 100 dagen bij niet-naleving, en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar. De straf is verzwaard vanwege eerdere verkeersovertredingen en het ernstige letsel van het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar wegens een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.060564.26 (P)
Datum vonnis: 16 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 02 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. S. Arts, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 2 juli 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 juli 2025 als bestuurder van een motorfiets
primairzodanig onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht,
subsidiairgevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd,
meer subsidiairniet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Enschede als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Haaksbergerstraat, op de kruising met de Getfertweg,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht werd belemmerd door geparkeerde auto’s en/of de weginrichting,
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 92 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een overstekende voetganger, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Enschede als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Haaksbergerstraat, op de kruising met de Getfertweg,
terwijl het zicht werd belemmerd door geparkeerde auto’s en/of de weginrichting,
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 92 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een overstekende voetganger,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Enschede als bestuurder van een voertuig (motorfiets) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Haaksbergerstraat, op de kruising met de Getfertweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een overstekende voetganger;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie kan het weggedrag van verdachte gekwalificeerd worden als aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Door het verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden werd aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 11 juli 2025 vond om 16:24 uur op de Haaksbergerstraat gelegen binnen de bebouwde kom van Enschede een verkeersongeval plaats waarbij verdachte als bestuurder van een motorfiets en [slachtoffer] als voetganger betrokken waren. Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.
De Haaksbergerstraat bestaat uit één rijbaan, die is verdeeld in drie rijstroken, welke door middel van een centrale verhoging van elkaar zijn gescheiden. De centrale verhoging is ingericht als busbaan. De rijbaan heeft aan beide kanten parkeerhavens en een fietspad. De rijstrook van de Haaksbergerstraat heeft ter hoogte van de plaats van het ongeval een uitbuiging. Ter hoogte van het ongeval heeft de Getfertweg een uitritconstructie met de Haaksbergerstraat met een oversteekplaats voor fietsers. Voorbij de oversteekplaats voor fietsers is, aan het einde van de uitbuiging van de weg, een oversteekplaats voor voetgangers. De ter plaatse toegestane maximum snelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Er waren geen bijzondere verkeersmaatregelen van toepassing. Tijdens het verkeersongeval was het helder en droog weer.
[slachtoffer] kwam lopend uit de richting van de Getfertweg gaande in de richting van de
Blekerstraat. Verdachte reed met zijn motorfiets over de Haaksbergerstraat komende vanuit de richting Zuiderval en reed in de richting van de Nijverheidstraat. Ter hoogte van de kruising Getfertweg met de Haaksbergerstraat kwam verdachte met zijn motorfiets in botsing met verdachte die op dat moment de weg overstak.
De motorfiets verkeerde in voldoende verkeerstechnische staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel konden leiden tot of die van invloed konden zijn op het ontstaan van het ongeval. Uit berekeningen bleek dat verdachte op de motorfiets reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 92 kilometer per uur en maximaal 103 kilometer per uur.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting onder meer verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij ter plaatse bekend is en daar vaker heeft gereden. Verdachte reed harder dan de toegestane snelheid. Verdachte zag plotseling [slachtoffer] oversteken en kon hem niet ontwijken en is tegen hem gebotst.
Schuld in de zin van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW Pro 1994
Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Om tot dat oordeel te komen moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid van verdachte. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een voertuig in zijn algemeenheid een bijzondere zorgplicht tot voorzichtigheid en oplettendheid voor de bestuurder meebrengt. Dit vergt van een bestuurder van een voertuig op de openbare weg onder meer dat hij voortdurend alert is, anticipeert op komende verkeerssituaties en adequaat zijn voertuig bestuurt.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte voorafgaand aan het ongeval met een snelheid die aanzienlijk hoger was dan ter plaatse was toegestaan over de Haaksbergerstraat heeft gereden waar op dat moment ook andere weggebruikers aanwezig waren. Verdachte erkent ook dat hij harder reed dan de toegestane snelheid, maar weet niet hoe hard omdat hij niet op zijn snelheidsmeter keek. Op basis van de berekening van de politie gaat de rechtbank ervan uit dat verdachtes snelheid minimaal 92 kilometer per uur en maximaal 103 kilometer per uur is geweest. Deze snelheid past ook bij de verklaringen van de getuigen die verklaren dat de motorfiets optrok met enorm veel geluid en veel harder reed dan de maximaal ter plaatse toegestane snelheid. Verdachte reed op dat moment binnen de bebouwde kom op een tijdstip dat het op de Haaksbergerstraat druk was met meerdere auto’s, bussen, fietsers en voetgangers. Bovendien reed verdachte over een smalle rijstrook met aan de ene kant een busbaan en aan de andere zijde een fietspad. Daarbij komt ook nog dat het verloop van de weg mogelijk onoverzichtelijk is door een uitbuiging in de weg nabij en na de uiteindelijke botsplek. Ook staan er auto’s in de parkeerhavens langs de weg die het zicht niet makkelijker maken. Daarnaast is er niet alleen een oversteekplek voor fietsers, maar ook een oversteekplek voor voetgangers en meerdere zijwegen. Een van die zijwegen is de Getfertweg waarvandaan [slachtoffer] kwam gelopen. Al deze omstandigheden brengen mee dat deze weg van weggebruikers een bijzondere mate van oplettendheid en voorzichtigheid vraagt. Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij een beginnend bestuurder was.
Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij goed zicht had, blijkt uit het politieonderzoek dat het zicht voor verdachte door de wegsituatie en de inrichting van de weg wel belemmerd werd en de geparkeerde auto's in de parkeervakken het zicht wel belemmerd kunnen hebben.
Door de hoge snelheid waarmee verdachte met zijn motorfiets reed was hij niet in staat zijn motorfiets tot stilstand te brengen binnen over de afstand waarover hij de weg kon overzien of deze vrij was en een botsing niet meer kon worden voorkomen. Verdachte heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij geen mogelijkheid meer had om de overstekende [slachtoffer] te ontwijken of zijn eigen motorfiets tijdig tot stilstand te brengen. Daarnaast ontnam verdachte daardoor [slachtoffer] de kans om een goede inschatting te maken van zijn snelheid. Indien verdachte met de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur zou hebben gereden dan had [slachtoffer] voldoende tijd gehad om de Haaksbergerstraat veilig over te steken zonder dat er een botsing zou zijn geweest.
Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank niet de bijzondere zorgplicht in acht genomen die van een verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. Zijn handelen was zeer gevaarzettend. Dit gevaar heeft zich vervolgens verwezenlijkt.
Het geheel aan gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziende, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen merkt de rechtbank het rijgedrag van verdachte aan als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.
Zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank stelt aan de hand van de aangifte en de medische stukken in het dossier vast dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval meerdere dagen op de intensive care heeft gelegen en meerdere botbreuken in zijn gezicht, bekken, ribben en armen, een schedelbasisfractuur, een klaplong en een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen. Er is daarmee sprake van meervoudig gecompliceerd letsel waarvoor opname, behandeling, operatief ingrijpen en verblijf in het ziekenhuis nodig is geweest.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks11 juli 2025 te Enschede als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Haaksbergerstraat, op de kruising met de Getfertweg,
zeer
althans aanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht werd belemmerd door geparkeerde auto’s en/of de weginrichting,
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 92 km/uur,
althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 50 km/uur,in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en
/of- in strijd met artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een overstekende voetganger, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 van Pro de WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis als de taakstraf niet (naar behoren) wordt uitgevoerd en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Een (hoge) taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is een passende straf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft als beginnend bestuurder van een motorfiets aan het verkeer deelgenomen en door onverantwoord rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt waarbij een kwetsbare verkeersdeelnemer, voetganger [slachtoffer], betrokken was. Door in de bebouwde met bijna twee keer de maximale snelheid te rijden die ter plaatse was toegestaan op een moment dat het druk was met andere medeweggebruikers, heeft verdachte laten zien dat hij onvoldoende besef had van de verantwoordelijkheid die hij droeg als verkeersdeelnemer in het algemeen en in het bijzonder ten aanzien van medeweggebruikers. Het slachtoffer heeft door zijn toedoen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ongeval heeft tot op de dag van vandaag ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de officier van justitie ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Dit handelen van verdachte rekent de rechtbank hem zwaar aan.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf ook rekening met de proceshouding van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft er blijk van gegeven geraakt te zijn door het ongeval en in het bijzonder de gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft kort na het ongeval contact gezocht met het slachtoffer en opnieuw ter zitting aangegeven dat, wanneer het slachtoffer daar behoefte aan zou hebben, hij graag met hem in gesprek wil gaan. Verdachte neemt daarmee op eigen initiatief verantwoordelijkheid voor zijn handelen.
Uit het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 3 juni 2026 blijkt dat hij meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen in verband met verkeersovertredingen. Zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval dat ernstige gevolgen had voor een medeweggebruiker heeft de verdachte evenwel niet doen inzien welke verantwoordelijkheid hij heeft naar andere weggebruikers en grote voorzichtigheid geboden is. Integendeel. Kort na het ongeval heeft de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan een snelheidsovertreding waarvoor hij een strafbeschikking heeft gekregen. Dit is zeer kwalijk en zorgelijk. Artikel 63 Sr Pro is van toepassing, gelet op de strafbeschikking van 16 december 2025, maar heeft in deze zaak zeker geen strafverminderende werking.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor het met ernstige schuld veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel is een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van een jaar.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om enigszins af te wijken van dit oriëntatiepunt vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting besproken. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, de gevolgen die het feit teweeg heeft gebracht en het voornoemde oriëntatiepunt acht de rechtbank het opleggen van een hogere taakstraf passend. De rechtbank acht daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar op zijn plaats, maar zal die geheel voorwaardelijk aan verdachte opleggen. Verdachte is voor zijn werk als installatiemonteur afhankelijk van zijn rijbewijs. Een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou hem onevenredig hard treffen. Voorts wordt met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid nagestreefd dat verdachte als de komende drie jaar extra alert is op zijn rijgedrag. Mocht hij zich schuldig maken aan een strafbaar feit, waaronder snelheidsovertredingen en ander gevaarlijk rijgedrag, dan heeft dat gevolgen voor zijn rijbewijs en daarmee voor zijn werk.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar, met een proeftijd van drie jaar passend en geboden.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW Pro 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
-
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van
1 (een) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en
mr. C.E. Vording, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Buiten staat
Mr. C.E. Vording is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025329090. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 11 juli 2025 reed ik in de bebouwde kom van Enschede op de motorfiets over de Haaksbergerstraat. Ik rijd er dagelijks en ben ter plaatse bekend. Ik reed harder dan de toegestane snelheid. Ik zag plotseling een voetganger oversteken. Ik kon hem niet ontwijken en ben tegen hem gebotst.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], van 12 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Ik, [verbalisant 1], kreeg van de verpleegkundige te horen dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval had opgelopen:
- kaak gebroken,
- 1 tot 8 gebroken ribben,
- Deels een gebroken heup,
- Slagaderlijke bloeding in zijn bil,
- Linkerarm gebroken,
- Klaplong,
- Schedelbasisfractuur.
Slachtoffer”
[slachtoffer]
3.
Het proces-verbaal FO verkeer Forensisch onderzoek plaats delict, met bijlagen, van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], van 27 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:
1.2
Aanleiding onderzoek
Op 11 juli 2025 omstreeks 16:24 uur had op de Haaksbergerstraat , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Enschede in de gemeente Enschede het verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij waren een motorfiets van het merk KTM en een voetganger betrokken.
2.1
Wegsituatie
Wij zagen dat de Haaksbergerstraat:
bestond uit 1 rijbaan;
de rijbaan bestond uit 3 rijstroken die onderling, door middel van een centrale verhoging, van
elkaar gescheiden waren;
de centrale verhoging was ingericht als busstrook;
op de plaats van het verkeersongeval de rijstrook voor verkeer, gaande in de richting van de
Ripperdastraat, een uitbuiging had;
een vrijliggend fietspad had aan beide zijden van de weg;
ter hoogte van het verkeersongeval was verdeeld in 3 rijstroken op gelijke hoogte;
de aansluiting op de Getfertweg een inrit constructie betrof;
er een fietser oversteekplaats was ter hoogte van de Getfertweg;
er een oversteekplaats voor voetgangers was, voorbij de oversteekplaats voor fietsers, aan het
einde van de uitbuiging in de weg.
[Afbeelding]
Wij zagen dat de Getfertweg:
bestond uit 1 rijbaan;
een eenrichtingsweg was ter hoogte van het verkeersongeval;
fietsers werden uitgezonderd van het eenrichtingsmodel;
op de plaats van het verkeersongeval een uitritconstructie had met de Haaksbergerstraat ;
parkeerhavens en parkeervakken had aan beide zijden van de weg;
[Afbeelding]
2.2.1
Reguliere verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende:
de Haaksbergerstraat was een voor het openbaar verkeer openstaande weg;
de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 50 km/u als gevolg van artikel 20 onder Pro a van het RVV 1990 ;
de Haaksbergerstraat was door middel van borden conform model B1 van bijlage 1 van het RVV 1990 aangeduid als voorrangsweg;
2.5
Weersgesteldheid
W ij zagen dat het tijdens ons onderzoek ter plaatse droog weer was. W ij zagen dat de zon scheen. Wij hadden geen redenen om aan te nemen dat de omstandigheden met betrekking tot het weer tijdens het verkeersongeval anders zouden zijn geweest .
2.6
Zicht
Wij stelden vast dat:
het zicht voor de betreffende bestuurder door de weg situatie en/of de inrichting van de weg wel belemmerd werd;
de geparkeerde auto's in de parkeervakken het zicht op beide betrokkenen wel belemmerd
konden hebben.
[Afbeelding]
4.1
Motorfiets
Het betrof hier een motorfiets als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.
4.1.1
Rijproef
Op de plaats van verkeersongeval accelereerde, stuurde en remde ik met het voertuig. Ik voelde dat de voorrem heel sponzig was maar dat hij wel goed werkte.
4.1.3
Stuurinrichting
Ik zag dat de voor het overbrengen van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk waren bevestigd. Bij het verdraaien van het stuur zag en voelde ik dat het wiel zonder speling of dood punt reageerde op het verdraaien van het stuur.
5.3.1
Botsplaats
Met gebruikmaking van de positie van het bandenspoor (spoor 1), afgetekend door het achterwiel van de motorfiets, werd de motorfiets digitaal op de plaats van het verkeersongeval geplaatst. Hierdoor werd duidelijk waar het voertuig had gereden omstreeks het moment van botsen. Hieruit bleek ons dat de bestuurder van de motorfiets links op zijn rijstrook had gereden. Met gebruikmaking van de eind positie van de voetganger zal de voetganger de weg zijn overgestoken, gezien vanuit zijn looprichting, links naast de oversteekplaats voor fietsers weergegeven met een oranje kader in onderstaande afbeelding.
[Afbeelding]
7 Interpretatie bevindingen
7.2
Oorzaak
De voetganger verleende geen voorrang aan het verkeer op de kruisende weg die aangegeven was alszijnde voorrangsweg en stak de Haaksbergerstraat over. De bestuurder van de motorfiets was niet in staat of de gelegenheid zijn motorfiets stil te zetten over de afstand waarover hij de weg kon overzien of deze vrij was en een botsing kon niet meer worden
voorkomen.
4.
Het proces-verbaal Snelheid op basis van videobeelden, met bijlagen, van verbalisant [verbalisant 3], van 3 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Conclusie
Op basis van de verkregen videobeelden van het incident, is een indicatieve gemiddelde snelheid bepaald. Uit de berekeningen bleek dat de bestuurder van het voertuig reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 92 km/u en maximaal 103 km/u.
De ter plaatse toegestane maximumsnelheid bedroeg 50 km/u. Het traject waarover de snelheid werd bepaald, had een lengte van circa 33 meter en eindigde op 8 meter voor het bots punt.
Op dezelfde wijze als voor de motorfiets werd ook de snelheid van vijf overige personenauto’s bepaald die reden over dezelfde weg, kort voor het ongeval. Deze voertuigen reden gemiddeld rond de 50 km/u. Hierdoor acht ik de door mij toegepaste methode om de snelheid van de motorfietser te bepalen als zeer betrouwbaar.
Indien de bestuurder van de motorfiets had gereden met de toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, had de voetganger voldoende tijd gehad om de Haaksbergerstraat veilig over te steken zonder dat er een botsing zou zijn geweest.
5.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], van 11 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Ik hoorde op dat moment een crossmotor heel hard aankomen rijden. Ik zag dat de bestuurder wel hard reed. Ik kan de snelheid niet goed inschatten maar het was veel harder dan 50 kilometer per uur. Ik zag op dat moment een voetganger de weg over steken. Ik zag dat de bestuurder van de crossmotor in botsing kwam met de voetganger.
6
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], van 11 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Ik hoorde enorm veel geluid vanaf de motor komen. Ik zag dat de motorrijder te hard reed. Ik hoorde dat de motor optrok vanaf de verkeerslichten op de kruising Haaksbergerstraat en de Zuiderval. Ik hoorde geschreeuw en ik zag twee mensen vliegen. Ik zag dat de motorijder van de motor afvloog. Ik zag dat er een man op straat lag.