ECLI:NL:RBOVE:2026:4342

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
C/08/218072 / HA ZA 18-236
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en vernietiging overdracht klantenportefeuille en activa

In deze civiele procedure heeft de rechtbank Overijssel vastgesteld dat partijen B1 en B2 persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade die partij A heeft geleden. Tevens is de overdracht van de klantenportefeuille en overige materiële activa van bedrijf aan partij B4 vernietigd op grond van artikel 3:45 BW Pro.

De procedure kende meerdere tussenvonnissen, waaronder de benoeming van een deskundige die rapporten uitbracht over de schade en aansprakelijkheid. De rechtbank heeft de vorderingen van partij B4 in reconventie afgewezen. Partij A vorderde vergoeding van advocaat- en deurwaarderskosten voor incasso van vorderingen op het bedrijf, waarvan een deel werd toegewezen en een deel afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of eerdere afwijzing.

De rechtbank veroordeelde partijen B1, B2 en B3 hoofdelijk tot betaling van de schade, inclusief rente, advocaatkosten en deurwaarderskosten, en in de proceskosten. Partij B4 werd veroordeeld in de kosten van de reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt partijen B1, B2 en B3 hoofdelijk tot betaling van de schade en kosten en vernietigt de overdracht van de klantenportefeuille en activa aan partij B4.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/218072 / HA ZA 18-236
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.wijlen [partij A1] ,

2.
[partij A2],
wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. T.H.I.M. Pierik te Zwolle,
tegen

1.[partij B1] ,

wonend te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [partij B1] ,
2.
[partij B2],
wonend te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [partij B2] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna te noemen: [partij B3] ,
gedaagde partijen in conventie,
4. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: [partij B4] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
gedaagden sub 1 t/m 4 hierna samen ook wel te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. D.C.J. Bogerd te Barneveld.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis van 3 september 2025;
- de akte van [partij A] van 15 oktober 2025;
- de antwoordakte van [partij B] van 26 november 2025.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1
Bij (tussen)vonnis van 23 december 2020 heeft de rechtbank vastgesteld dat zowel [partij B1] als [partij B2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die [partij A] als gevolg daarvan heeft geleden. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [partij A] op goede gronden is overgegaan tot het inroepen van de vernietiging van de verrichte rechtshandeling(en) strekkende tot overdracht van de klantenportefeuille van [bedrijf] en de overige materiële activa aan [partij B4] ex artikel 3:45 BW Pro. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de vorderingen in reconventie van [partij B4] tegen [partij A] zullen worden afgewezen. Partijen zijn vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten ten aanzien van de vraag wie als deskundige moet worden benoemd en welke vragen de deskundige dient te beantwoorden.
2.2
Na uitlating partijen heeft de rechtbank bij (tussen)vonnis van 3 maart 2021 E.M. Struijs RA als deskundige benoemd. Op 3 mei 2023 is het deskundigenrapport uitgebracht waarop partijen vervolgens hebben gereageerd. Bij (tussen)vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank de deskundige bevolen om antwoord te geven op alle vragen van [partij A] zoals verwoord in productie 49 bij de conclusie na deskundigenbericht. Op 8 januari 2025 is het aanvullende deskundigenbericht uitgebracht waarop partijen vervolgens hebben gereageerd.
2.3
Bij (tussen)vonnis van 3 september 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat [partij B3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en dat zij aansprakelijk is voor de schade die [partij A] als gevolg daarvan heeft geleden. De rechtbank heeft verder overwogen dat de vorderingen van [partij A] tegen [partij B4] zullen worden afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank [partij A] in de gelegenheid gesteld om bij akte een overzicht te presenteren van de gemaakte kosten ten aanzien van het incasseren van zijn vorderingen op [bedrijf] inclusief bescheiden ter onderbouwing daarvan. Van deze mogelijkheid heeft [partij A] gebruik gemaakt, waarna [partij B] heeft geantwoord.
2.4
[partij A] raamt de gemaakte advocaat- en deurwaarderskosten ter incassering van zijn vorderingen op [bedrijf] op een bedrag van € 12.816,36. Dit bedrag is onderbouwd met facturen. [partij B] voert verweer. De rechtbank zal overgaan tot bespreking van deze kosten en waar nodig ingaan op het door [partij B] gevoerde verweer.
De facturen van 5 augustus 2014, 16 september 2014, 2 oktober 2014, 19 november 2014 en 3 februari 2015:
2.5
Uit de – summiere – toelichting van [partij A] lijkt te volgen dat deze facturen zien op kosten ter incassering van de vorderingen op [bedrijf] uit hoofde van het kort geding vonnis van 27 juni 2014. Het verweer van [partij B] tegen dit deel van de vordering van [partij A] slaagt, omdat de rechtbank bij vonnis van 5 augustus 2015 (gewezen tussen [bedrijf] en [partij A] ) deze kosten al had afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [partij A] geen rechtsmiddelen ingesteld. Hieruit volgt dat dit deel van de vordering van [partij A] in deze procedure zal worden afgewezen.
De factuur van 3 september 2015:
2.6
Deze factuur ter hoogte van € 1.221,68 zal volledig worden toegewezen, ook voor zover deze ziet op de kosten van de faillissementsaanvraag van [bedrijf] . Weliswaar heeft de rechtbank destijds deze faillissementsaanvraag afgewezen, maar dat was omdat [bedrijf] in strijd met de waarheid had betoogd dat er geen sprake was van pluraliteit van schuldeisers. Dat daarvan weldegelijk sprake was blijkt genoegzaam uit de verslaglegging van de door de rechtbank in deze procedure benoemde deskundige (E.M. Struijs RA).
De facturen van 15 september 2015, 6 oktober 2015, 7 december 2015, 8 december 2015 en 5 januari 2016:
2.7
Deze facturen ter hoogte van in totaal € 4.191,38 zien alle op de hiervoor genoemde faillissementsaanvraag en zullen gelet op hetgeen reeds is overwogen, volledig worden toegewezen.
De factuur van 4 februari 2016:
2.8
De rechtbank volgt [partij B] in zijn standpunt dat een deel van de werkzaamheden ziet op de aansprakelijkstelling van [partij B] Omdat [partij A] deze werkzaamheden verder niet heeft uitgesplitst heeft hij in onvoldoende mate voldaan aan zijn stelplicht en zal dit deel van de vordering van [partij A] in deze procedure worden afgewezen.
De factuur van 11 februari 2016:
2.9
Deze factuur ter hoogte van € 181,50 ziet op de hiervoor genoemde faillissementsaanvraag en zal, gelet op hetgeen reeds is overwogen, volledig worden toegewezen.
De facturen van 10 maart 2016 en 10 mei 2016:
2.1
Nu uit deze facturen niet is op te maken waar de werkzaamheden op zagen en [partij B] betwist dat de werkzaamheden zagen op de gemaakte kosten ten aanzien van het incasseren van de vorderingen van [partij A] op [bedrijf] , heeft [partij A] in onvoldoende mate voldaan aan zijn stelplicht en zal dit deel van de vordering van [partij A] in deze procedure worden afgewezen.
De factuur van 5 augustus 2016:
2.11
Ook uit deze factuur is niet op te maken waar de werkzaamheden op zagen en [partij B] betwist dat de werkzaamheden zagen op de gemaakte kosten ten aanzien van het incasseren van de vorderingen van [partij A] op [bedrijf] . [partij A] heeft in onvoldoende mate voldaan aan zijn stelplicht en dit deel van de vordering van [partij A] zal daarom in deze procedure worden afgewezen.
2.12
Resumerend zal in totaal een bedrag van € 5.594,56 worden toegewezen in het kader van de gemaakte kosten ten aanzien van het incasseren van de vorderingen van [partij A] op [bedrijf] .
Deurwaarders- en beslagkosten:
2.13
Op basis van de – summiere – toelichting van [partij A] op de beslagkosten oordeelt de rechtbank dat deze zullen worden afgewezen voor zover deze zien op werkzaamheden van de deurwaarder voorafgaand aan en volgend op het kort geding vonnis van 27 juni 2014 en het vonnis van 5 augustus 2015. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen is overwogen onder 2.5 van dit vonnis. De kosten samenhangend met de faillissementsaanvraag zullen worden toegewezen voor een bedrag van € 457,53. Voor het overige zullen eventuele andere kosten worden afgewezen, omdat deze onvoldoende zijn toegelicht en/of onderbouwd.
2.14
[partij B1] , [partij B2] en [partij B3] zullen, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. [partij B4] zal daarnaast worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, een en ander zoals reeds overwogen bij (tussen)vonnis van 23 december 2020.
De proceskosten in conventie:
2.15
Het salaris advocaat (als onderdeel van de proceskosten) zal worden begroot volgens Tarief IV (geldend met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 40.000,-- tot € 98.000,--), waarbij ieder punt wordt gewaardeerd op € 1.290,--.
2.16
[partij A1] heeft in de procedure in conventie de navolgende proceshandelingen verricht die als volgt zullen worden gewaardeerd:
  • voorlopig getuigenverhoor: 1 punt
  • dagvaarding: 1 punt
  • akte indiening producties: 0 punten
  • conclusie van repliek in conventie: 1 punt
  • akte uitlaten producties: 0,5 punt
  • comparitie van partijen: 1 punt
  • antwoordakte na comparitie: 0,5 punt
  • akte uitlaten deskundige (inclusief vraagstelling): 0,5 punt
  • conclusie na deskundigenbericht: 0,5 punt
  • (tweede) conclusie na (tweede) deskundigenbericht: 0,5 punt
  • akte uitlating gemaakte kosten: 0,5 punt
Totaal: 7 punten
De rechtbank zal het salaris advocaat in conventie vaststellen op een bedrag van € 9.030,-- (7 punten x basistarief € 1.290,--).
2.17
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in conventie aan de zijde van [partij B4] vast te stellen op nihil, omdat zij gezamenlijk procedeert met [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] en deze laatstgenoemde drie partijen in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.
2.18
Het salaris advocaat (als onderdeel van de proceskosten) in reconventie zal worden begroot volgens tarief V (geldend met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 98.000,-- tot € 195.000,--), waarbij ieder punt wordt gewaardeerd op € 2.051,--.
2.19
[partij A] heeft in reconventie de navolgende proceshandelingen verricht die als volgt zullen worden gewaardeerd:
  • conclusie van antwoord in reconventie: 1 punt
  • comparitie van partijen: 1 punt
  • conclusie van dupliek in reconventie: 1 punt
Totaal: 3 punten
De rechtbank zal het salaris advocaat in reconventie vaststellen op een bedrag van € 3.076,50 (3 punten x basistarief € 2.051,-- x factor 0,5).
2.2
De kosten van de deskundige komen als onderdeel van de proceskosten eveneens voor rekening van [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] . Deze kosten bedragen blijkens de facturen van de deskundige in totaal € 47.946,25 inclusief btw.
2.21
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
2.22
De veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Uitgangspunt is immers dat een uitgesproken veroordeling, hangende een (eventuele) hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde(n) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het (eventueel) ingestelde rechtsmiddel is beslist, of het belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Van dergelijke omstandigheden aan de zijde van gedaagden is de rechtbank niet gebleken.

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie:
3.1
verklaart voor recht dat [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] aansprakelijk zijn voor de door [partij A] geleden schade, welke schade bestaat uit het niet (meer) kunnen verhalen van zijn vorderingen, zoals die zijn vastgesteld bij de tussen [partij A] en [bedrijf] gewezen vonnissen van de voorzieningenrechter van 27 juni 2014 en de rechtbank van 5 augustus 2015 en de advocaatkosten ter hoogte van € 5.594,56 en nader te noemen deurwaarders- en beslagkosten die [partij A] heeft gemaakt om de vorderingen te incasseren en die het gevolg zijn van de overdracht van de klantenportefeuille en materiële activa aan [partij B4] ;
3.2
verklaart voor recht dat de verrichte rechtshandeling(en) strekkende tot overdracht van de klantenportefeuille van [bedrijf] en de overige materiële activa aan [partij B4] ex artikel 3:45 BW Pro is vernietigd;
3.3
veroordeelt [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] hoofdelijk tot betaling van al hetgeen [bedrijf] op grond van genoemde vonnissen aan [partij A] is verschuldigd, inclusief de rente en de kosten waarvan [bedrijf] in die vonnissen is veroordeeld, te vermeerderen met de advocaatkosten ter hoogte van € 5.594,56 en verder deurwaarders- en beslagkosten ter hoogte van € 457,53;
3.4
veroordeelt [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] hoofdelijk in de kosten van deze procedure in conventie, te weten een bedrag van € 101,81 aan kosten exploot, een bedrag van € 895,-- aan griffierecht, een bedrag van € 9.030,-- wegens salaris advocaat, een bedrag van € 47.946,25 wegens kosten deskundige, al deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
3.5
compenseert de proceskosten tussen [partij A] en [partij B4] in die zin, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
3.6
veroordeelt [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] hoofdelijk tot betaling van de nakosten ter hoogte van € 189,-- zonder betekening van het in deze zaak gewezen vonnis, te vermeerderen met € 98,-- in geval van betekening;
In reconventie:
3.7
wijst de vorderingen van [partij B4] af;
3.8
veroordeelt [partij B4] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij A] tot op heden worden begroot op een bedrag van € 3.076,50 aan salaris advocaat;
Zowel in conventie als in reconventie:
3.9
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor de onderdelen 3.3, 3.4, 3.6 en 3.8;
3.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken door
mr. A.H. Margadant op 8 juli 2026.