ECLI:NL:RBOVE:2026:4372

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
12260572 \ CV EXPL 26-1867
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 141 RvArt. 67 lid 3 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming afgewezen wegens onvoldoende bewijs schending huurovereenkomst

Partij B huurt sinds maart 2025 een kamer van partij A. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarbij partij B verdachte is van heling, vond op 9 maart 2026 een doorzoeking plaats waarbij gereedschappen in beslag werden genomen. Partij A ontbond daarop de huurovereenkomst en vorderde ontruiming, welke bij verstek werd toegewezen.

Partij B kwam in verzet en betwistte dat hij in strijd met de huurovereenkomst heeft gehandeld. Hij stelt te goeder trouw de gereedschappen te hebben verkregen. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende met zekerheid kan worden aangenomen dat partij B de woning heeft gebruikt voor opslag van gestolen goederen, zodat niet aannemelijk is dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden.

De kantonrechter vernietigt daarom het verstekvonnis en wijst de vordering tot ontruiming af. Ook wordt partij A veroordeeld in de proceskosten. De belangenafweging weegt mee dat partij B een zwaarwegend belang heeft bij behoud van woonruimte, mede in verband met mogelijke enkelband tijdens voorlopige hechtenis.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schending huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12260572 \ CV EXPL 26-1867
(in verzet tegen het verstekvonnis met zaaknummer 12152609 \ CV EXPL 26-912)
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap
[partij A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
oorspronkelijke eisende partij,
gedaagde in verzet (geopposseerde),
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. D.I.J. Snijders
tegen
[partij B],
wonende in [woonplaats], op dit moment verblijvende in de PI in [plaats],
oorspronkelijke gedaagde partij,
eisende partij in verzet (opposant),
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. P.F.A. Reichenbach.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in de verstekzaak,
- het verstekvonnis van 13 mei 2026 met zaaknummer 12152609 \ CV EXPL 26-912,
- de verzetdagvaarding met 2 producties van [partij B],
- de productie van [partij A],
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [partij B],
- de pleitnota van [partij A].

2.Samenvatting

[partij B] huurt een woonruimte van [partij A]. In en rondom de woning waarin [partij B] een kamer huurt, heeft een doorzoeking plaatsgevonden waarbij gereedschappen in beslag zijn genomen in verband met een verdenking van heling en/of diefstal. [partij B] wordt verdacht van heling en verblijft op dit moment in voorlopige hechtenis. [partij A] heeft in kort geding ontruiming gevorderd. Die vordering is bij verstek toegewezen maar wordt alsnog afgewezen, omdat niet met voldoende zekerheid vast staat dat [partij B] in strijd met zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft gehandeld.

3.De feiten

3.1
Sinds 27 maart 2025 huurt [partij B] een kamer in de woning aan de [adres] (verder: de kamer). Artikel 4.1 van de huurovereenkomst bepaalt, voor zover van belang:
Huurder is verplicht het huurobject zodanig te gebruiken, dat niet in strijd wordt gehandeld met enige wet, plaatselijke verordening of enig ander overheidsvoorschrift.
3.2
In verband met een strafrechtelijk onderzoek met (onder andere) [partij B] als verdachte heeft op 9 maart 2026 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. De heer [naam], bestuurder van [partij A], heeft bij de doorzoeking gesproken met verschillende politieagenten.
3.3
Bij brief van diezelfde dag heeft [partij A] geschreven dat de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt ontbonden en [partij B] gesommeerd de kamer te ontruimen.
3.4
[partij B] is daags voor de doorzoeking in voorlopige hechtenis geraakt. In het kader van onderzoek naar de mogelijkheden van schorsing van de voorlopige hechtenis met elektronische monitoring (‘een enkelband’) heeft de reclassering een deeladvies opgemaakt. Als één van de voorwaarden voor toepassing van een enkelband moet de verblijfplaats van [partij B] geschikt zijn. Volgens het deeladvies is de kamer van [partij B] onder andere niet geschikt omdat volgens [partij A] de woning zal worden ontruimd en om die reden niet als verblijfsfadres kan dienen.
3.5
Bij verstekvonnis in kort geding van 13 mei 2026 is [partij B] op vordering van [partij A] veroordeelt (onder 4.1.) om binnen drie dagen na betekening de kamer te ontruimen en (onder 4.2.) de proceskosten te betalen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. De kamer is nog niet ontruimd.
3.6
Naar aanleiding van de doorzoeking heeft een ambtenaar van de gemeente Hardenberg bij e-mail van 25 juni 2026 geschreven dat de burgemeester aan [partij B] en [partij A] een waarschuwing zal geven.

4.Het geschil

4.1
[partij B] vordert dat:
het verstekvonnis zal worden vernietigd;
de vorderingen van [partij A] alsnog worden afgewezen;
te bepalen dat de executie van het verstekvonnis wordt geschorst tot dat in verzet is beslist;
[partij A] te veroordelen in de proceskosten van de verstek- en verzetsprocedure.
4.2
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1
De kantonrechter stelt voorop dat de door [partij A] gevorderde en bij verstek uitgesproken veroordeling tot ontruiming van de kamer in stand moet worden gelaten, indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de rechter in een eventueel te voeren bodemprocedure zal oordelen dat de huurovereenkomst tussen partijen geen stand houdt.
5.2
[partij A] heeft in dit verband naar voren gebracht dat [partij B] in strijd met de verplichting om zich als goed huurder te gedragen (artikel 7:213 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)) en in strijd met artikel 4.1 van de huurovereenkomst heeft gehandeld. Zij wijst er in dat verband op dat van haar, mede gelet op de belangen van de medebewoners van de woning, niet kan worden gevergd de huurovereenkomst in stand te laten gelet op de doorzoeking van de woning, de inbeslagname van de daar aangetroffen goederen en de tegen [partij B] gerezen verdenkingen.
5.3
Volgens [partij B] heeft hij niet in strijd met de verplichting om zich als goed huurder te gedragen of in strijd met artikel 4.1 van de huurovereenkomst gehandeld. Het klopt dat hij wordt verdacht van heling en in verband daarmee op dit moment in voorlopige hechtenis verblijft. Hij is mogelijk in aanraking gekomen met, naar hem achteraf is gebleken, ‘foute vrienden’. Hij heeft, zo heeft hij ook in het strafrechtelijk onderzoek aangegeven, te goeder trouw gereedschappen (grasmaaiers en (andere) gereedschappen van het merk Stihl) gekocht. Hij had deze in de woning aanwezig. Deze gereedschappen zijn in beslag genomen.
5.4
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Als met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [partij B] de woning heeft gebruikt voor opslag van (een aanzienlijke hoeveelheid) gestolen gereedschappen, kan daaruit naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter volgen dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 4.1 van de huurovereenkomst en met artikel 7:213 BW Pro. In dat geval zou voldoende aannemelijk kunnen zijn dat een ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden uitgesproken als dat wordt gevorderd.
Maar op grond van wat door [partij A] naar voren is gebracht en door [partij B] in reactie daarop is gezegd, kan (nog) niet met de vereiste mate van waarschijnlijkheid aangenomen worden dat [partij B] inderdaad in strijd heeft gehandeld met zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Uit de omstandigheid dat (zoals door [partij A] is aangevoerd en door [partij B] niet is weersproken)
  • i) hij een van de verdachten is in een politieonderzoek en hij in dat verband verdacht wordt van heling;
  • ii) hij in verband met deze verdenking in voorlopige hechtenis verblijft;
  • iii) in het kader van het politieonderzoek een doorzoeking heeft plaatsgevonden en een aantal gereedschappen in beslag zijn genomen;
  • iv) de burgemeester een waarschuwing zal geven;
volgt dat niet met voldoende zekerheid.
De resultaten van het politieonderzoek zijn (nog) niet bekend. [partij B] heeft aangevoerd dat hij geen strafbare feiten heeft gepleegd, en dat hij te goeder trouw de beschikking heeft verkregen over de in beslag genomen gereedschappen. Stukken waaruit met voldoende aannemelijkheid kan worden afgeleid dat het standpunt van [partij B] onjuist is, zijn door [partij A] niet in het geding gebracht.
Dat, gelet op de omstandigheid dat [partij B] voorlopig gehecht, aangenomen kan worden dat er een serieuze verdenking tegen [partij B] ligt (“ernstige bezwaren” in de zin van artikel 67 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering), maakt dat niet anders. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat een ambtenaar van de gemeente Hardenberg heeft laten weten dat de burgemeester een waarschuwing zal geven. Daarbij is mede van belang dat onduidelijk is gebleven op welke gegevens de burgemeester zijn conclusie baseert.
De kantonrechter zal het verstekvonnis vernietigen en de vordering tot ontruiming alsnog afwijzen.
5.5
Een belangafweging maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. [partij B] heeft een zwaarwegend belang bij behoud van de beschikking over zijn woonruimte, gezien de mogelijkheid om zijn strafproces daar, met een enkelband, af te kunnen wachten. Het belang van [partij A] weegt daar, mede gezien de hiervoor genoemde onzekerheid over de strafbaarheid van het handelen van [partij B], niet tegenop.
Schorsing executie verstekvonnis
5.6
[partij B] heeft de kantonrechter ook gevraagd de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te schorsen, totdat in de verzetprocedure is beslist. Met dit vonnis wordt er beslist in de verzetprocedure, zodat [partij B] geen belang meer heeft bij deze vordering.
De proceskosten
5.7
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op een bedrag van € 865,00 aan salaris gemachtigde en een bedrag van € 72,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing), in totaal € 937,00. De kosten van de verzetdagvaarding komen op grond van artikel 141 Rv Pro voor rekening van [partij B].

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
verklaart [partij B] ontvankelijk in zijn verzet,
6.2
vernietigt het verstekvonnis voor zover het de beslissingen onder 4.1. (ontruiming) en 4.2. (proceskosten) betreft;
6.3
wijst de vorderingen van [partij A] alsnog af;
6.4
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 937,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5
verklaart de beslissingen onder 6.2. en 6.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.