ECLI:NL:RBOVE:2026:4407

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/08/348509 / KG ZA 26-134
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 lid 1 BWArt. 254 lid 1 RvArt. 256 RvArt. 611b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot overdracht digitale bedrijfsadministratie en inloggegevens

In deze kortgedingprocedure vordert een bouwonderneming ([eiseres]) dat haar oud-boekhouder ([gedaagde]) wordt veroordeeld tot overdracht van de digitale bedrijfsadministratie en de bijbehorende inloggegevens. De oud-boekhouder weigert deze gegevens af te geven, terwijl [eiseres] deze dringend nodig heeft voor een lopende bodemprocedure en om te voldoen aan haar administratieplicht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de overdracht van de digitale administratie. De digitale administratie is eigendom van [eiseres] en het onder zich houden door [gedaagde] zonder rechtvaardiging is onrechtmatig. Het speculatieve belang van [gedaagde] om de administratie te behouden voor mogelijke toekomstige rechtszaken weegt niet op tegen het belang van [eiseres].

De rechtbank wijst de vorderingen toe, waaronder het verbod voor [gedaagde] om wijzigingen aan te brengen in de administratie en om informatie aan derden te verstrekken. Tevens wordt een dwangsom opgelegd om naleving af te dwingen. De vordering tot reële executie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot overdracht digitale administratie en inloggegevens toegewezen met dwangsommen en verbod op wijziging en verstrekking aan derden.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/348509 / KG ZA 26-134
Vonnis in kort geding van 17 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
wonend in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding, die op 25 juni 2026 is betekend,
- de producties 1 tot en met 14 van [eiseres],
- de “reactie nav kort geding” van [gedaagde], ingediend op 1 juli 2026,
- de (ongenummerde) producties 1 tot en met 14 van [gedaagde], ingediend op 1 juli 2026,
- de nadere schriftelijke toelichting van [gedaagde], ingediend op 3 juli 2026,
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
In dit kort geding is sprake van een geschil tussen een bouwonderneming ([eiseres]) en de oud-boekhouder ([gedaagde]) van die onderneming. [gedaagde] houdt de digitale administratie onder zich en weigert deze af te geven en/of over te dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het ter beschikking krijgen van de digitale administratie, omdat zij die nodig heeft in een lopende rechtszaak. [eiseres] heeft bovendien als onderneming de plicht om een administratie te voeren, waarbij de historische administratie van belang kan zijn. [gedaagde] heeft geen deugdelijke juridische argumentatie aangevoerd op basis waarvan hij niet gehouden zou zijn om de digitale administratie van [eiseres] af te geven en/of over te dragen. De vorderingen van [eiseres] worden daarom (grotendeels) toegewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] is een bouwonderneming die is opgericht in 2019. Tussen [eiseres] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, op basis waarvan [gedaagde] als boekhouder administratieve werkzaamheden verrichtte ten behoeve van [eiseres].
3.2.
[gedaagde] gebruikte bij de uitvoering van zijn administratieve werkzaamheden het softwareprogramma Informer. De heer [naam] (hierna: [naam]), bestuurder van [eiseres], kon via een toegangscode zelf (ook) inloggen in Informer en mutaties in de administratie doorvoeren.
3.3.
De overeenkomst van opdracht tussen [eiseres] en [gedaagde] is namens [eiseres] opgezegd bij e-mail van 13 maart 2024.
3.4.
[gedaagde] heeft kort na de opzegging van de overeenkomst van opdracht de toegang van [naam] tot Informer afgesloten, door de toegangscode te wijzigen en deze gewijzigde code niet met [naam] te delen.
3.5.
Bij e-mail van 27 maart 2024 heeft [eiseres], bij monde van haar advocaat, [gedaagde] gesommeerd om de administratie van [eiseres] over te dragen aan de opvolgende boekhouder van [eiseres]. [gedaagde] heeft hier geen gehoor aan gegeven.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert – na een vermindering van eis – samengevat weergegeven het volgende:
( i) een veroordeling van [gedaagde] tot het geven van een instructie aan softwareleverancier Informer tot de overdracht van digitale administratie van [eiseres] vanuit de licentie van [gedaagde] naar de licentie van [eiseres] binnen het programma Informer, op straffe van een dwangsom,
( ii) te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking en/of opdracht van [gedaagde] ten aanzien van het overzetten van de digitale administratie,
( iii) [gedaagde] te verbieden om wijzigingen in de digitale administratie van [eiseres] aan te brengen, op straffe van een dwangsom,
( iv) [gedaagde] te verbieden om informatie uit de digitale administratie van [eiseres] aan derden te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om vorderingen in kort geding. Dergelijke vorderingen kunnen worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Indien partijen over ditzelfde geschil een bodemprocedure zouden gaan voeren, dan geldt dat de bodemrechter niet gebonden is aan dit oordeel in kort geding (artikel 256 Rv Pro). Indien mogelijk vormt de rechter in kort geding zich een prognose over welk oordeel in een eventuele bodemprocedure mag worden verwacht.
Fysieke administratie [eiseres]
5.2.
Onder I van de dagvaarding vordert [eiseres] – kort gezegd – een veroordeling van [gedaagde] om de fysieke administratie van [eiseres] af te geven. [gedaagde] heeft in zijn schriftelijke verweer aangevoerd dat hij geen fysieke administratie van [eiseres] in bezit heeft.
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] vermeld dat zij vordering I zal intrekken, indien [gedaagde] ter zitting verklaart dat hij niet in het bezit is van een fysieke administratie van [eiseres]. Desgevraagd heeft [gedaagde] dit tijdens de mondelinge behandeling verklaard. De voorzieningenrechter beschouwt daarom vordering I als te zijn ingetrokken.
Digitale administratie [eiseres]
5.4.
Vordering II van [eiseres] heeft betrekking op de digitale administratie van [eiseres], die in het bezit is van [gedaagde].
5.5.
[eiseres] betoogt dat zij op dit moment een spoedeisend belang heeft bij het beschikbaar krijgen van deze digitale administratie, omdat zij in een lopende bodemprocedure (in hoger beroep) tegen een derde partij op korte termijn stukken uit de administratie nodig heeft om een aankomend processtuk op te kunnen stellen. Daarnaast betoogt [eiseres] dat zij een (doorlopende) administratieplicht heeft. Om die administratieplicht goed te kunnen vervullen, heeft [eiseres] volgens eigen zeggen gegevens uit de historische administratie nodig.
5.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] het door haar gestelde spoedeisende belang in voldoende mate onderbouwd. Omdat alle (neven)vorderingen van [eiseres] voortborduren op de (hoofd)vordering tot overdracht van de digitale administratie, wordt het spoedeisend belang voor alle (neven)vorderingen meegetrokken. [1] De vervolgvraag is of [gedaagde] – naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, in het licht van een eventuele bodemprocedure – gehouden is om de digitale administratie aan [eiseres] ter beschikking te stellen.
5.7.
Uitgangspunt voor de voorzieningenrechter is artikel 2:10 lid 1 BW Pro. Op grond van die bepaling is het bestuur van een rechtspersoon verplicht om op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
5.8.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de overeenkomst van opdracht tussen [eiseres] en [gedaagde] is geëindigd. Tussen partijen staat evenmin ter discussie dat de digitale bescheiden die samen de administratie van [eiseres] vormen, eigendom zijn van [eiseres]. Gelet daarop geldt dat [gedaagde] in beginsel zonder recht of titel de digitale administratie van [eiseres] onder zich houdt.
5.9.
[gedaagde] heeft ter rechtvaardiging van het in bezit houden van de digitale administratie aangevoerd dat hij mogelijk in de toekomst bij rechtszaken tussen de
(oud-)bestuurders van [eiseres], die met elkaar in onmin leven, betrokken zal raken. [gedaagde] wil daarom zekerheid hebben dat de huidige stand van de administratie wordt gedocumenteerd en dat daarin geen veranderingen worden aangebracht die hem in een eventuele toekomstige rechtszaak kunnen worden tegengeworpen.
5.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt het standpunt van [gedaagde] niet het volledig onder zich houden van de digitale administratie van [eiseres]. [eiseres] is eigenaar van de bescheiden, heeft een wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en heeft bovendien een concreet lopende gerechtelijke procedure waarin zij de administratie nodig heeft. [gedaagde] heeft goed beschouwd geen deugdelijk argument aangevoerd waarom hij desondanks gerechtigd zou zijn om de digitale administratie onder zich te houden. De stelling van [gedaagde] dat hij in de toekomst mogelijk betrokken zal raken bij rechtszaken die gelieerd zijn aan de overeenkomst van opdracht tussen hem en [eiseres], is naar zijn aard speculatief. Feit is dat [gedaagde] op dit moment – afgezien van deze procedure in kort geding – niet als procespartij betrokken is in een procedure rondom [eiseres]. Het eventuele belang dat [gedaagde] bij het onder zich houden heeft, weegt minder zwaar dan het belang dat [eiseres] heeft bij onmiddellijke overdracht van de digitale administratie. Daar komt bij dat het belang van [gedaagde] ook op een minder vergaande wijze kan worden beschermd, namelijk door de administratie in de stand waarin die zich bevindt op het moment van het verstrekken aan [eiseres] bij een onafhankelijke derde te deponeren. In zoverre is het toewijzen van de vordering proprotioneel te noemen.
5.11.
Tegen de omvang en inhoud van de digitale administratie die volgens [eiseres] moet worden overgedragen, is door [gedaagde] geen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter zal op dit punt de vordering van [eiseres] daarom toewijzen zoals gevorderd.
5.12.
Onder III vordert [eiseres] een dwangsomveroordeling. Hiertegen is door [gedaagde] geen verweer gevoerd. De voorzieningen zal daarom een dwangsomveroordeling koppelen aan de hoofdverplichting om de digitale administratie over te dragen, als prikkel tot nakoming.
5.13.
De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de dwangsom op een lager bedrag vast te stellen dan door [eiseres] is gevorderd. De omvang van de dwangsom wordt vastgesteld op € 2.500,00 per dag (of gedeelte van de dag) dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de hoofdveroordeling te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00. Omdat de dwangsom wordt vastgesteld op een bedrag per tijdseenheid (een dag), kan deze niet ook tegelijkertijd per overtreding worden vastgesteld, gelet op artikel 611b Rv. De andersluidende vordering van [eiseres] op dit punt wordt afgewezen.
Reële executie
5.14.
[eiseres] vordert onder IV een indeplaatsstelling van het vonnis ten aanzien van de medewerking en/of opdracht die [gedaagde] aan softwareleverancier Informer moet geven ter zake de overdracht van de digitale administratie.
5.15.
Vooropgesteld moet worden dat de wetgever heeft bepaald dat een rechter over het algemeen terughoudend moet zijn met de toewijzing van een vordering die ziet op reële executie tot het verrichten van een rechtshandeling. [2]
5.16.
De voorzieningenrechter constateert dat [eiseres] de vordering tot reële executie nevenschikkend heeft geformuleerd ten opzichte van de overige vorderingen. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom zij dat heeft gedaan. In het bijzonder heeft [eiseres] niet toegelicht hoe het onder IV gevorderde (de reële executie) zich verhoudt tot het onder II en III gevorderde (hoofdveroordeling tot instructie aan Informer en dwangsom), met name in de sfeer van de tenuitvoerlegging. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om de onderlinge verhouding tussen haar vorderingen van een toelichting te voorzien. [eiseres] heeft niet gesteld waarom een vordering tot reële executie passend en noodzakelijk zou zijn, met name in het licht van de hoofdveroordeling die al is versterkt met een dwangsomveroordeling. Gelet daarop wordt vordering IV op dit moment afgewezen. Als mocht blijken dat [gedaagde] ook onder pressie van de dwangsom niet nakomt, kan de situatie anders zijn, waarbij de voorzieningenrechter wel opmerkt dat [eiseres] haar vordering onder IV niet van een wettelijke grondslag heeft voorzien.
Verbod tot aanbrengen wijziging in administratie
5.17.
[eiseres] vordert onder V om [gedaagde] te verbieden om enige wijziging, verwijdering of bewerking in de digitale administratie van [eiseres] aan te brengen, op straffe van een dwangsom.
5.18.
[gedaagde] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd. De vordering wordt daarom toegewezen. De dwangsom wordt vastgesteld op € 2.500,00 per overtreding, tot een maximum van € 50.000,00.
5.19.
De voorzieningenrechter constateert dat er deels een overlap zit tussen vordering II en vordering V van [eiseres]. Ook in vordering II zit namelijk (impliciet) een verbod voor [gedaagde] om een wijziging, verwijdering of bewerking van de administratie aan te brengen. De voorzieningenrechter benadrukt dat [gedaagde], indien hij na betekening van het vonnis in strijd handelt met de verbodsbepaling tot wijziging, verwijdering of bewerking van de administratie, per overtreding slecht één keer een boete kan verbeuren.
Verbod tot verstrekken informatie aan derden
5.20.
[eiseres] vordert onder VI om [gedaagde] te verbieden om informatie uit de digitale administratie van [eiseres] te delen met derden, op straffe van een dwangsom.
5.21.
[gedaagde] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd. De vordering wordt daarom toegewezen. De dwangsom wordt vastgesteld op € 2.500,00 per overtreding, tot een maximum van € 50.000,00.
Proceskosten
5.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.226,57

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis in deze zaak aan softwareleverancier Informer opdracht te geven tot, en zijn volledige medewerking te verlenen aan, het onaangetast en volledig verplaatsen van de digitale administratie van [eiseres] vanuit de licentie van [gedaagde] naar de eigen licentie van [eiseres] binnen het programma Informer, met inbegrip van:
alle facturen, offertes, boekstukken en financiële mutaties;
de auditfiles (XAF-bestanden) over alle boekjaren;
de volledige mutatiehistorie (logboeken/audit trail), waaruit per boeking blijkt wanneer, door wie en welke wijzigingen zijn aangebracht;
e activastaten en afschrijvingsstaten;
de BTW-aangiftebestanden en eventuele SBR/XBRL-rapporttages;
alle digitale bijlagen bij boekingen (scans van facturen, bonnen en contracten);
eventuele back-ups, gearchiveerde of verwijderde bestanden en data-exports;
alle e-mailaccounts en/of e-mailadressen die in gebruik zijn of waren voor het ontvangen en verwerken van facturen en andere administratieve bescheiden van [eiseres], waaronder de adressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2], met inbegrip van de volledige inhoud van die postbussen en de daarin opgeslagen bijlagen, alsmede de inloggegevens van die e-mailaccounts dan wel doorschakeling van de inkomende e-mail naar een door [eiseres] op te geven e-mailadres;
een en ander op zodanige wijze dat de gegevens onaangetast, volledig, in hun oorspronkelijke staat en voor [eiseres] toegankelijk en bruikbaar worden overgedragen, ongeacht de vorm waarin deze zich bevinden en ongeacht het type gegevensdrager waarop deze zich bevinden, zonder dat [gedaagde] voorafgaand aan of gedurende de overdracht enige wijziging, verwijdering of bewerking in de administratie aanbrengt;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] na ommekomst van de onder 6.1 genoemde termijn van drie werkdagen (na betekening) geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met de nakoming van de veroordeling onder 6.1, tot een maximum van € 50.000,00,
6.3.
verbiedt [gedaagde] om enige wijziging, verwijdering of bewerking aan te brengen in de digitale administratie van [eiseres], op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding, tot een maximum van € 50.000,00,
6.4.
verbiedt [gedaagde] om de informatie uit de digitale administratie van [eiseres] (mailboxen daaronder begrepen) aan derden te verstrekken, waaronder ook Hakan Senel, op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding, tot een maximum van € 50.000,00,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

2.Parl. Gesch. BW Boek 3, 1981, p. 899.