ECLI:NL:RBOVE:2026:4413

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/08/348471 / JE RK 26-902
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met focus op thuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die momenteel in een pleeggezin verblijft. De moeder, pleegouders en GI zijn belanghebbenden in deze procedure.

De kinderrechter baseert zich op eerdere beslissingen, waaronder een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die nadrukkelijk stelt dat toegewerkt moet worden naar thuisplaatsing van de minderjarige. Het hof benadrukte een gefaseerde terugkeer over zes tot acht maanden, met uitbreiding van contactmomenten en passende hulpverlening.

De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing tot 25 februari 2027, met aanhouding van het verzoek voor de resterende periode. De moeder stemt in met verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot die datum, maar verzet zich tegen verdere aanhouding.

De kinderrechter volgt het hof en verlengt de ondertoezichtstelling tot 1 augustus 2027 en de machtiging uithuisplaatsing tot 25 februari 2027. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt dat de GI de regie moet voeren over de terugplaatsing en hulpverlening, en dat de beschikking van het hof leidend is.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 1 augustus 2027 en machtigt de uithuisplaatsing tot 25 februari 2027, met als doel gefaseerde thuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/348471 / JE RK 26-902
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
en
de heer en mevrouw [de pleegouders] ,
wonende op een bij de kinderrechter bekend adres,
hierna te noemen pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026;
  • de brief met bijlage van de GI, ontvangen op 25 juni 2026;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlage, ontvangen op 2 juli 2026;
  • de brief met bijlage van de GI, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] , vertegenwoordigers van de GI;
- de pleegouders.
1.3.
Tegelijkertijd is behandeld het verzoek van de GI tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (zaaknummer C/08/347721 / JE RK 26-741).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 augustus 2026.
2.4.
Bij beschikking van 29 januari 2026 is de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 1 augustus 2026.
2.5.
Bij beschikking van 25 juni 2026 is deze beslissing bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar op andere gronden dan de kinderrechter.
In die beschikking is onder andere het volgende opgenomen”
“5.7. Op grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat er moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Omdat [minderjarige] al geruime tijd bij de pleegouders verblijft en zich aan hen heeft gehecht, zal de thuisplaatsing niet van de ene op de andere dag kunnen plaatsvinden. Dit vindt de moeder zelf ook. Zij heeft een gefaseerde thuisplaatsing over een periode van zes tot acht maanden voorgesteld. Het hof sluit zich hierbij aan en acht het in het belang van [minderjarige] dat er in de komende zes tot acht maanden wordt toegewerkt naar zijn thuisplaatsing. Die tijd is nodig om de thuisplaatsing van [minderjarige] zorgvuldig voor te bereiden en in kaart te brengen welke hulpverlening thuis nodig is vanaf de terugkeer van [minderjarige] , zodat de thuisplaatsing bestendig zal zijn. Om dat doel te bereiken verwacht het hof dat de GI actief zal meewerken aan de voorbereidingen voor de thuisplaatsing van [minderjarige] . In verband daarmee zal de GI zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verder moeten uitbreiden in duur en frequentie. In de tussentijd kunnen de persoonlijke behandeling van de moeder en de ouder-kindbehandeling vanuit de Jeugd-GGZ doorgang vinden. De ouder-kindbehandeling is naar aanleiding van een vraag vanuit de GI gericht op het verkrijgen van zicht op de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Het hof merkt hierbij op dat het verloop van deze behandeling er niet toe mag leiden dat er door de GI niet actief wordt gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] .
5.8.
Omdat de thuisplaatsing van [minderjarige] niet in de komende maand al kan worden gerealiseerd, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Dit echter op andere gronden en met een ander doel dan de kinderrechter tot uitgangspunt heeft genomen.”

3.Het (gewijzigde) verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt gelet op de uitspraak van het gerechtshof een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 februari 2027 (zijnde acht maanden na de uitspraak van het gerechtshof) en het verzoek voor de overige periode, tot de duur van ondertoezichtstelling, aan te houden. In die periode kan gekeken worden welke stappen zijn gezet voor de thuisplaatsing, hoe de regie van de GI verloopt over de omgang, op welke wijze wordt meegewerkt en welke hulpverlening is ingezet. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Volgens de GI heeft de uitspraak van het gerechtshof een schok en verwarring teweeg heeft gebracht bij de betrokken professionals. De uitspraak is niet in lijn met de visie van de hulpverlening en de eerdere beschikking van de kinderrechter. De GI had (kort gezegd) in januari 2026 het perspectiefbesluit genomen en besloten dat [minderjarige] niet bij de moeder opgroeit en dat er niet meer gewerkt wordt aan thuisplaatsing. De GI heeft ter zitting echter aangegeven te willen handelen naar de uitspraak van het gerechtshof. De GI heeft daartoe twee nieuwe jeugdbeschermers aangesteld om het proces naar thuisplaatsing te begeleiden.

4.De standpunten

4.1.
De moeder maakt geen bezwaar tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, maar is het niet eens met het (gewijzigde) verzoek verlenging uithuisplaatsing. De moeder kan alleen instemmen met een verlenging van de uithuisplaatsing tot 25 februari 2027. Binnen die termijn dient te omgang te worden uitgebreid en kan de thuisplaatsing qua hulpverlening zorgvuldig worden voorbereid. De moeder maakt bezwaar tegen verdere aanhouding van de beslissing daarna. Dat zorgt alleen maar voor onduidelijkheid en vertraging. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat de GI de regie krijgt over de terugplaatsing en de omgang.
4.2.
De pleegouders hadden tijd nodig om de beschikking van het gerechtshof te laten bezinken. Zij begrijpen dat de moeder blij is met deze beslissing en vinden het fijn dat er voor [minderjarige] de mogelijkheid is om naar huis te gaan. Ze zullen doen waar ze zich naar moeten voegen en zullen [minderjarige] in het proces naar thuisplaatsing zo goed mogelijk begeleiden. Voor de pleegouders heeft het ook een andere kant. Zij zijn de afgelopen 2,5 jaar erg veel van Aydan gaan houden en het gezin zal begeleid moeten worden in het onthechten van [minderjarige] . De pleegouders zouden graag met elkaar willen afstemmen waar ze op moeten letten om te monitoren of het goed met [minderjarige] gaat. Het is een grote stap voor hem. Ze willen dat het belang van [minderjarige] voorop staat. Het contact met de moeder verloopt positief.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt eerst als volgt. De beschikking van het gerechtshof maakt alles anders. Het gerechtshof heeft in niet mis te verstane woorden bepaald wat er dient te gebeuren ten aanzien van [minderjarige] . De kinderrechter zal zich daar volledig naar richten. De beschikking van het gerechtshof is van recente datum en het is de kinderrechter niet gebleken dat er daarna ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die maken dat het anders zou moeten dan het gerechtshof heeft bepaald. De kinderrechter zal de aanwijzingen van het gerechtshof daarom maximaal uitvoeren.
Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen met een jaar. Hier is geen geschil over en de kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] [minderjarige] is nog uit huis geplaatst en zijn terugplaatsing en het verloop van de hulpverlening dient zorgvuldig, onder regie van de GI, plaats te vinden. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.2.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter vindt dit echter niet langer noodzakelijk dan tot 25 februari 2027, zijnde acht maanden na en ook conform de uitspraak van het gerechtshof. De kinderrechter gaat niet over tot een aanhouding voor de resterende duur omdat de kinderrechter het eenvoudig wil houden, zonder tussenrapportage en tussenbeoordeling. Dit omdat de kinderrechter van oordeel is dat de beschikking van het gerechtshof moet worden uitgevoerd. Mochten zich wat voor ontwikkelingen dan ook voordoen, dan weten de betrokkenen de kinderrechter te vinden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 augustus 2027;
6.2.
verlengt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 augustus 2026 tot 25 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. A.M. Koene, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Wiersma als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.