ECLI:NL:RBOVE:2026:4430

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
12045274 \ CV EXPL 26-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding en ontruiming wegens verkoop pand, toewijzing huurachterstand en incassokosten

Twentsvast B.V. was eigenaar van een pand dat zij verhuurde aan [gedaagde 1], die samen met [gedaagde 2] in het pand woonde en een restaurant en hotel exploiteerde. Twentsvast vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming, betaling van achterstallige huur, vergoeding voor voortgezet gebruik, incassokosten en wettelijke rente.

Tijdens de procedure bleek dat Twentsvast het pand in maart 2026 had verkocht en sindsdien geen eigenaar meer was. Hierdoor werd zij niet-ontvankelijk in haar vorderingen tot ontbinding en ontruiming, omdat zij geen verhuurder meer was en geen volmacht had van de nieuwe eigenaar.

De rechtbank beoordeelde de huurachterstand en concludeerde dat [gedaagde 1] een aanzienlijke achterstand had, die grotendeels werd toegewezen na aftrek van enkele correcties wegens betalingsbewijzen en afspraken over huurvrijstelling tijdens coronaperiodes. De vordering voor huur en gebruiksvergoeding na maart 2026 werd afgewezen. Daarnaast werd een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend, maar zonder btw. De proceskosten werden aan [gedaagde 1] opgelegd.

Uitkomst: Vorderingen tot ontbinding en ontruiming afgewezen wegens verkoop pand, huurachterstand en incassokosten grotendeels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12045274 \ CV EXPL 26-16
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
TWENTSVAST B.V.,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Twentsvast,
gemachtigde: mr. K.E.M. Wigger,
tegen

1.[gedaagde 1],

handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Twentsvast was eigenaar van een pand dat zij verhuurde aan [gedaagde 1]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen in het pand en [gedaagde 1] exploiteerde een restaurant en hotel in het pand. Twentsvast vordert onder andere ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het pand en betaling van de achterstallige huur en een vergoeding voor het voortgezet gebruik. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
Twentsvast heeft het pand in maart 2026 verkocht. Aangezien Twentsvast geen eigenaar en verhuurder meer is, worden de vorderingen tot ontbinding en ontruiming afgewezen. De gevorderde huur en gebruiksvergoeding voor de maanden vanaf maart 2026 wordt ook afgewezen. De gevorderde achterstallige huur wordt verder grotendeels toegewezen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord en het aanvullende schrijven met producties,
- de akte vermeerdering van eis tevens akte overlegging producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
Twentsvast was eigenaar van het pand aan de [adres].
2.2
Sinds 31 augustus 2018 verhuurde Twentsvast het pand aan [gedaagde 1]. Partijen zijn aanvankelijk een huurprijs van € 36.000,00 op jaarbasis overeengekomen.
2.3
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen in het pand. Daarnaast exploiteerde [gedaagde 1] een restaurant en hotel in het pand onder de naam “[bedrijf]”.

3.Het geschil

3.1
Twentsvast vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
ontbinding van de huurovereenkomst,
veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot ontruiming van het pand,
veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 160.456,31 (€ 148.693, 79, + € 11.762,52) aan achterstallige huur, vermeerderd met € 2.940,63 per maand voor het voortgezet gebruik,
veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 2.736,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke handelsrente over de huurachterstand,
veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.
3.2
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontbinding en ontruiming
4.1
Twentsvast heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij het pand aan de [adres] heeft verkocht en dat zij sinds maart 2026 geen eigenaar van het pand meer is. De nieuwe eigenaar heeft de huurovereenkomst met [gedaagde 1] overgenomen. Aangezien Twentsvast geen eigenaar en verhuurder van het pand meer is, is zij niet bevoegd om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het pand te vorderen. Twentsvast heeft weliswaar gesteld dat zij deze vorderingen namens de nieuwe eigenaar heeft ingesteld, maar zij heeft geen volmacht overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe eigenaar haar daartoe heeft gemachtigd. De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden daarom afgewezen.
4.2
Voor gedaagde sub 2, [gedaagde 2], betekent dit dat de vorderingen jegens haar volledig worden afgewezen en Twentsvast als de in het ongelijk gestelde partij jegens [gedaagde 2] daarom de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] dient te betalen.
Deze kosten worden begroot op nihil.
Huurachterstand
4.3
Twentsvast heeft gespecificeerde overzichten van de openstaande huur en de betaalde huur overgelegd. Uit de overzichten volgt dat [gedaagde 1] de volgende bedragen aan huur onbetaald heeft gelaten:
- oktober 2018 tot en met februari 2023 € 124.712,78
- maart, april, mei en juni 2024 € 10.659,12
- maart en december 2025 € 5.881,26
- januari tot en met mei 2026
€ 14.703,15
totaal € 155.956,31
4.4
[gedaagde 1] erkent dat hij een huurachterstand heeft, maar voert aan dat het gevorderde bedrag niet klopt. Wat er precies niet klopt, heeft hij echter niet uitgelegd. Hij heeft de hoogte van de door Twentsvast per maand in rekening gebrachte bedragen niet weersproken. Hij voert aan dat hij meer heeft betaald dan uit de administratie van Twentsvast blijkt, maar hij heeft niet aangevoerd hoeveel en heeft slechts enkele bankafschriften van betalingen overgelegd. De vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd weersproken worden toegewezen, met uitzondering van het volgende.
4.5
Uit het overzicht van Twentsvast blijkt dat de huur in de periode van september 2019 tot en met augustus 2022 € 3.072,00 per maand bedroeg. In de maand maart 2020 is echter een ander bedrag, namelijk € 3.702,00 in rekening gebracht. De gemachtigde van Twentsvast heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat dit een verschrijving is geweest. Daarom zal een bedrag van
€ 630,00van de vordering worden afgetrokken.
4.6
[gedaagde 1] heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 29 oktober 2019 een bedrag van
€ 3.200,00aan Twentsvast heeft betaald. Dit bedrag is niet terug te vinden op het overzicht van de betaalde huur van Twentsvast. Dit bedrag zal daarom van de vordering worden afgetrokken.
4.7
[gedaagde 1] heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 26 juli 2021 een bedrag van € 3.750,00 heeft betaald. In het overzicht van Twentsvast is echter slechts een bedrag van € 3.046,48 op de vordering in mindering gebracht. Het resterende bedrag van
€ 703,52zal van de vordering worden afgetrokken.
4.8
[gedaagde 1] heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 22 juni 2022 een bedrag van € 5.000,00 heeft betaald. In het overzicht van Twentsvast is slechts een bedrag van € 1.305,00 en van € 3.630,00 op de vordering in mindering gebracht (bij dit laatste bedrag staat als datum 22 juni 2026 vermeld, maar aangezien dit een toekomstige datum betreft, gaat de kantonrechter ervan uit dat het om een verschrijving gaat en 22 juni 2022 is bedoeld). Het resterende bedrag van
€ 65,00zal van de vordering worden afgetrokken.
4.9
Partijen zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde 1] van april tot en met september 2020 geen huurde hoefde te betalen, omdat het bedrijf dicht zat in verband met corona. In het overzicht van Twentsvast van de openstaande huur staat vermeld dat het bedrijf van [gedaagde 1] tussen 14 oktober 2020 en 5 juni 2021 ook dicht zat in verband met corona. Daarachter staat vermeld: “Nov-mei 7 maand huur vrij”. In het overzicht van de betaalde huur van Twentsvast zijn echter wel betalingen aan de maanden november en december 2020 en januari en februari 2021 toegekend van in totaal € 14.868,48 (4 x € 3.717,12). De gemachtigde van Twentsvast heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat partijen hebben gesproken over het niet hoeven betalen van de huur voor de maanden november 2020 tot en met mei 2021, maar dat daar mitsen en maren aan zaten en dat dit uiteindelijk niet definitief is afgesproken. Volgens [gedaagde 1] is dit wel afgesproken. Nu Twentsvast deze afspraak zelf heeft opgenomen in haar overzicht van de huurachterstand tot en met mei 2026, gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen dit zijn overeengekomen. Het bedrag van
€ 14.868,48zal daarom van de vordering worden afgetrokken.
4.1
De gevorderde huur en gebruiksvergoeding voor de maanden vanaf maart 2026 zal worden afgewezen, omdat Twentsvast sinds maart 2026 niet meer de eigenaar en verhuurder van het pand is. Uit het overzicht van Twentsvast blijkt dat voor de maanden maart, april en mei 2026 een bedrag van € 2.940,63 per maand aan huur in rekening is gebracht. In totaal zal daarom een bedrag van
€ 8.821,89van de vordering worden afgetrokken.
4.11
Gelet op het voorgaande zal een bedrag van € 127.667,42 (€ 155.956,31 – € 630,00 – € 3.200,00 – € 703,52 – € 65,00 – € 14.868,48 – € 8.821,89) worden toegewezen.
Dwangsom gemeente Losser
4.12
Twentsvast stelt dat gemeente Losser een dwangsom van € 4.500,00 heeft opgelegd waarvoor zij en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn. Volgens Twentsvast heeft zij het bedrag voorgeschoten en heeft zij met [gedaagde 1] afgesproken dat hij het bedrag zou terugbetalen, omdat de dwangsom vanwege zijn handelen is opgelegd. [gedaagde 1] ontkent dat. Hij voert aan dat hij een brief van de deurwaarder heeft ontvangen waarin staat dat het bedrag nog niet is betaald. Aangezien Twentsvast haar vordering niet met stukken heeft onderbouwd, zal de vordering worden afgewezen.
Wettelijke handelsrente
4.13
De gevorderde wettelijke handelsrente is op artikel 6:119a BW gegrond en zal worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom, zoals in de beslissing is vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.14
Twentsvast vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Twentsvast heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Twentsvast heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Twentsvast heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat Twentsvast niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 2.051,67 worden toegewezen.
Proceskosten
4.15
[gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Twentsvast worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
157,59
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
2.020,00
(2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
3.825,59

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen jegens [gedaagde 2] af,
5.2
veroordeelt Twentsvast in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op nihil,
5.3
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Twentsvast te betalen een bedrag van € 127.667,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de huurtermijnen, tot de dag van volledige betaling,
5.4
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Twentsvast te betalen een bedrag van € 2.051,67 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 3.825,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.