ECLI:NL:RBOVE:2026:4524

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1873
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beperking openingstijden horeca-inrichting

Verzoekster, exploitant van een horeca-inrichting, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van Rijssen-Holten om de openingstijden van het afhaalgedeelte van haar horeca-inrichting te beperken van 02:00 uur naar 00:00 uur vanwege meldingen van overlast en het niet naleven van regels.

Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om deze beperking op te heffen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de enkele stelling dat verzoekster omzetverlies en klantenverlies zal lijden onvoldoende is om te spreken van een spoedeisend belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.

Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, omdat er geen ernstige twijfel bestaat over de rechtmatigheid ervan zonder diepgaand onderzoek. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beperking van de openingstijden wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1873
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
Ristorante Via Grande Rijssen, uit Rijssen,
hierna: verzoekster,
(gemachtigde: mr. M. van der Kruijt-Bos),
en
de burgemeester van Rijssen-Holten,
hierna: de burgemeester.

1.Inleiding

1.1.
Met het besluit van 13 mei 2026 heeft de burgemeester de openingstijden van de horeca-inrichting van verzoekster beperkt, inhoudende dat het afhaalgedeelte van de horeca-inrichting, de Döner Express, in plaats van 02:00 uur om 00:00 uur gesloten moet zijn. Dit naar aanleiding van – samengevat – verschillende meldingen van overlast en het niet houden aan wettelijke regels en gemaakte afspraken door verzoekster. Verzoekster is het hiermee niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.3.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dit is het geval als een zodanig (acute) situatie zich voordoet dat, zoals in dit geval, de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. De enkele stelling dat verzoekster omzet zal verliezen en klanten zal kwijtraken leidt de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat van een dergelijke situatie sprake is. Er blijkt daaruit niet dat verzoekster bij het uitblijven van een voorlopige voorziening op korte termijn in een (financiële) noodsituatie zal raken. Verzoekster heeft dit ook niet met stukken onderbouwd. Bovendien merkt de voorzieningenrechter op dat uit het besluit blijkt dat deze slechts gericht is op het afhaalgedeelte van de horeca-inrichting. Alles in overweging meenemend, is er daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang die noodzaakt tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.6.
Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.