ECLI:NL:RBOVE:2026:4525

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1864
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 23 juli 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van partij A tegen de directie van het CBR.

De kern van het geschil betrof de niet-betaling van het griffierecht van € 200,-, dat vereist is voor de behandeling van het verzoek. De griffier had partij A bij aangetekende brief van 7 juli 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief is op 9 juli 2026 door partij A in ontvangst genomen.

Partij A heeft het griffierecht echter niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft ook geen verontschuldiging voor dit verzuim gegeven. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk en legt geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1864
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[partij A], uit [woonplaats],
hierna: [partij A].
en
de directie van het CBR,

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [partij A].
1.2.
Het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2.1.
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft [partij A] het griffierecht tijdig betaald?
2.2.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 7 juli 2026 [partij A] in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 9 juli 2026 is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. [partij A] heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.3.
[partij A] heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.