Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
- het schriftelijke verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 3 juli 2026;
- de aanvullende informatie van de psychiater, ingediend door de raad, ontvangen op 7 juli 2026.
Rechtbank Overijssel
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege zorgen over de thuissituatie en de geestelijke gesteldheid van de moeder. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, woont met de minderjarige samen en is bereid tot vrijwillige hulpverlening, ondanks een visiegeschil met betrokken instellingen.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de minderjarige een intensieve ondersteuningsbehoefte heeft en een ontwikkelingsachterstand vertoont. De moeder laat de hulpverlening van een instelling niet meer toe, maar accepteert inmiddels spoedhulp, waardoor er voldoende zicht is op de thuissituatie. De psychiater bevestigde dat de moeder geestelijk stabiel is.
De kinderrechter concludeerde dat hoewel er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd, een voorlopige ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is. De moeder wordt geadviseerd de minderjarige na de zomervakantie weer naar een passende ondersteuningsinstelling te brengen en actief te zoeken naar speciaal onderwijs. De beslissing werd op 10 juli 2026 in het openbaar uitgesproken en het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de moeder de spoedhulp accepteert en er voldoende zicht is op de thuissituatie.