ECLI:NL:RBOVE:2026:4561

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
12140745 \ CV EXPL 26-825
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FwArt. 45 FwArt. 24 FwArt. 39 FwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator vordert terugbetaling vernietigde schenking en huurbetaling na faillissement

De vader van [gedaagde] is failliet verklaard en de curator heeft in de boedel een woning aangetroffen waarin [gedaagde] woonde. De curator vordert betaling van achterstallige huur en terugbetaling van een bedrag van €3.050 dat voorafgaand aan het faillissement als schenking was overgemaakt. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is bewezen dat een huurovereenkomst bestond tussen [gedaagde] en zijn vader, mede omdat [gedaagde] nooit huur heeft betaald en de omstandigheden niet wijzen op een huurrelatie.

De curator slaagt wel in zijn vordering tot vernietiging van de schenking op grond van artikel 42 Faillissementswet Pro, omdat de betaling de schuldeisers benadeelde en [gedaagde] het vermoeden van kwade trouw niet heeft ontkracht. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van €3.050 met wettelijke rente vanaf 31 juli 2025 en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €430.

De proceskosten worden gecompenseerd en de veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde van zekerheidstelling door de curator. De vordering tot betaling van huur wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een huurovereenkomst en het ontbreken van een redelijke grond voor een gebruiksvergoeding.

Uitkomst: Vordering tot huurbetaling afgewezen; schenking van €3.050 vernietigd en terugbetaling met rente en incassokosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12140745 \ CV EXPL 26-825
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
MR. MARK LOEF,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[naam 1],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
gemachtigde: mr. C. ter Braack
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Dufour.

1.De zaak in het kort

1.1
[naam 1] , de vader van [gedaagde] , is failliet gegaan. In de boedel heeft de curator (onder meer) een woning aangetroffen, waarin op dat moment onder andere [gedaagde] woonde. De curator meent dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en zijn vader, en vraagt in deze procedure om betaling van achterstallige huur. Verder vraagt de curator om betaling van een bedrag dat [gedaagde] van zijn vader heeft ontvangen voorafgaand aan het faillissement, waarbij het volgens de curator gaat om een vernietigbare schenking.
1.2
De kantonrechter is kort gezegd van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de woning van zijn vader huurde. Wel is sprake geweest van een schenking, die de curator met succes heeft vernietigd. Dat bedrag moet [gedaagde] aan de curator betalen.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de nadere producties van de curator,
- de nadere producties van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van beide partijen.

3.De feiten

3.1
De vader van [gedaagde] , de heer [naam 1] , is bij vonnis van 20 augustus 2024 van de rechtbank Overijssel failliet verklaard. Mr. Loef is aangesteld als curator.
3.2
De curator heeft in de boedel onder andere de woning aan de [adres] (hierna: de woning) aangetroffen. In de woning woonden op dat moment onder anderen [gedaagde] , zijn jongere broer [naam 2] en de voormalige partner van [naam 1] , mevrouw [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
3.3
[gedaagde] en zijn broer [naam 2] hebben de woning op 27 maart 2025 van de curator uit de faillissementsboedel gekocht en op [datum] 2025 geleverd gekregen.
3.4
[naam 1] heeft op 23 oktober 2023, voorafgaand aan zijn faillissement, een bedrag van € 3.050,00 naar [gedaagde] overgemaakt. Bij de omschrijving van deze overboeking staat ‘schenking’. Bij brief van 16 juli 2025 aan [gedaagde] heeft de curator verklaard de schenking te vernietigen en [gedaagde] aangemaand om dit bedrag aan de boedel terug te betalen.

4.Het geschil

4.1
De curator vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 21.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert de curator een verklaring voor recht dat hij de schenking buitengerechtelijk heeft vernietigd en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vordert de curator betaling van een bedrag van € 1.020,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2
[gedaagde] voert verweer.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De vordering tot betaling van € 21.500,00
5.1
Volgens de curator is [gedaagde] € 21.500,00 aan achterstallige huur aan de boedel verschuldigd. De curator stelt dat [gedaagde] de woning van zijn vader heeft gehuurd voor een huursom van € 500,00 per maand. [gedaagde] is volgens de curator huur over een periode van 43 maanden verschuldigd, gerekend vanaf de achttiende verjaardag van [gedaagde] tot aan de levering van de woning aan [gedaagde] en zijn broer op [datum] 2025.
5.2
Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en zijn vader heeft bestaan. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van de huurovereenkomst rusten op de curator. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , heeft de curator zijn stelling dat [gedaagde] de woning van zijn vader huurde onvoldoende onderbouwd. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.2.1
[gedaagde] is op 1 oktober 2018, toen hij veertien jaar oud was, samen met zijn vader en zijn broer verhuisd naar de woning, waarvan zijn vader eigenaar was. [gedaagde] en zijn broer wonen daar nu nog steeds. Het is in zijn algemeenheid niet gebruikelijk dat een ouder huur vraagt van een minderjarig inwonend kind, en ook niet, zo heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd, dat een ouder huur van zijn kind gaat verlangen om in zijn woning te mogen verblijven nadat het achttien jaar is geworden. Daarbij wordt opgemerkt dat vast staat dat [gedaagde] vader zelf ook in de woning woonde gedurende de minderjarigheid van [gedaagde] , en ook toen [gedaagde] achttien jaar werd (op [geboortedatum] 2021). Ook als zou worden uitgegaan van de lezing van de curator dat [gedaagde] vader uit de woning is vertrokken, gebeurde dat later pas, in mei 2022. [1]
5.2.2
Bovendien heeft [gedaagde] nooit enige huurbetaling aan zijn vader gedaan, zo heeft hij onweersproken aangevoerd.
5.2.3
In dit licht bezien kan wat de curator ter onderbouwing van zijn stelling heeft aangedragen, niet de conclusie rechtvaardigen dat er wel een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en zijn vader bestond.
5.2.4
De curator beroept zich er in de eerste plaats op dat [gedaagde] zelf aan hem heeft meegedeeld dat hij de woning huurde. In dit verband is de volgende gang van zaken van belang. Op 8 oktober 2024 heeft de curator [gedaagde] en de andere bewoners bericht dat zij zonder recht of titel in de woning verbleven en dat zij voor dat verblijf samen een vergoeding van € 1.600,00 per maand verschuldigd waren. Daarbij heeft de curator hen ook aangemaand om de woning binnen vier weken te verlaten. Op 15 november 2024 berichtte [gedaagde] de curator dat hij interesse had in de koop van de woning, waarbij hij opmerkte dat hij de woning op dat moment huurde. Vervolgens schreef [gedaagde] op 15 december 2024 aan de curator: “
In september ontvingen we een brief over een achterstand van € 1.600,- per maand. Wij willen graag weten vanaf welke datum deze achterstand volgens jullie betaald moet worden. Wij kunnen samen met mijn broer € 500,- per maand betalen (€ 250,- ieder), met ingang van oktober. Eerder hebben we al veel bedragen verrekend”. Verder berichtte [gedaagde] de curator op 20 december 2024: “
Wat betreft de huur: we zullen de huur vanaf oktober betalen en kunnen daarbij op dit moment samen met mijn broer een bedrag van maximaal € 500,- missen”.
[gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat zijn eerdere mededeling aan de curator dat hij huurder was, onwaar is. [gedaagde] was bang om door de curator uit de woning te worden gezet, en beweerde daarom dat hij huurder was. Zijn vader had hem geadviseerd dit te zeggen, aldus [gedaagde] . Hoewel het [gedaagde] valt aan te rekenen dat hij naar eigen zeggen opzettelijk onjuiste informatie aan de curator heeft verstrekt, acht de kantonrechter die verklaring plausibel. Er kan daarom niet zonder meer op basis van de eerdere mededelingen van [gedaagde] aan de curator van worden uitgegaan dat [gedaagde] de woning daadwerkelijk van zijn vader huurde. Hetzelfde geldt voor de stelling van de curator dat ook de vader van [gedaagde] tegen hem heeft gezegd dat [gedaagde] huurder was van de woning.
5.2.5
Daarnaast beroept de curator zich op een rapport van Hypotheek Visie van 30 oktober 2023 met een hypotheekadvies aan [gedaagde] en [naam 3] , die destijds van plan waren om samen de woning te kopen. Op pagina 4 van het rapport staat als huidige woonsituatie van [gedaagde] en [naam 3] vermeldt: “
Momenteel woont u in een huurwoning: [adres] , [adres]”.
Uit het gegeven dat de woning hier als huurwoning wordt aangeduid, kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat [gedaagde] de woning huurde. Er waren naast [gedaagde] immers ook andere bewoners die volgens de curator als huurder moeten worden aangemerkt. Bovendien staat op pagina 4 van het rapport bij de vermelde huidige woonlasten van [gedaagde] en [naam 3] , geen bedrag aan huur opgenomen.
5.2.6
Tot slot wijst de curator op een e-mail die [naam 1] op 6 augustus 2024 ontving van incassokantoor Flanderijn, ingeschakeld door hypotheekhouder ABN AMRO. Daarin staat dat het Nederlands Woning Waarde Instituut (NWWI) een taxatierapport van de woning niet wilde valideren omdat volgens het NWWI sprake was van kamerverhuur.
Ook hieruit kan echter nog niet worden opgemaakt dat [gedaagde] huurder was. Het is namelijk onduidelijk waarop de constatering van het NWWI is gebaseerd. Daar komt bij dat ook in de betreffende e-mail staat dat de taxateur het niet eens is met het NWWI, omdat de inrichting van het pand niet is gericht op kamerverhuur.
5.3
De kantonrechter begrijpt dat de curator subsidiair aan zijn vordering ten grondslag legt dat [gedaagde] een (gebruiks)vergoeding is verschuldigd op grond van ongerechtvaardigde verrijking (als bedoeld in artikel 6:212 BW Pro). Dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt vanwege zijn kosteloze verblijf in de woning, is echter niet komen vast te staan. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat [naam 1] of de boedel financieel nadeel hebben geleden als rechtstreeks gevolg van [gedaagde] kosteloze verblijf in de woning, geldt dat de curator onvoldoende heeft toegelicht dat geen redelijke grond aanwezig is voor het voordeel dat [gedaagde] daarvan heeft gehad. Nu niet is komen vast te staan dat [naam 1] een vergoeding van [gedaagde] heeft verlangd voor zijn verblijf in de woning, moet ervan uit worden gegaan dat [naam 1] vrijwillig (stilzwijgend) heeft toegestaan dat [gedaagde] kosteloos in de woning verbleef. Het stond [naam 1] (uiteraard) vrij om [gedaagde] , zijn zoon, gratis onderdak te verschaffen, nog los van de vraag of hij daartoe gehouden was op grond van zijn onderhoudsplicht. De curator heeft onvoldoende uitgelegd dat, en vanaf wanneer, het voordeel dat [gedaagde] heeft gehad van zijn kosteloze verblijf in de woning, als gevolg van het faillissement vanaf enig moment wel als ongerechtvaardigd moet worden aangemerkt.
5.4
Gelet op het voorgaande wordt de vordering tot betaling van € 21.500,00 afgewezen.
De vernietiging van de betaling van € 3.050,00
5.5
De vader van [gedaagde] heeft voorafgaand aan zijn faillietverklaring, op 23 oktober 2023, een bedrag van € 3.050,00 aan [gedaagde] overgemaakt. De overboeking is omschreven als ‘schenking’. De curator heeft verklaard deze betaling buitengerechtelijk te vernietigen op grond van artikel 42 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw), de zogeheten actio pauliana.
5.6
Het beroep van de curator op vernietiging van de betaling slaagt. Als gevolg van de vernietiging kan de curator het bedrag van € 3.050,00 als onverschuldigd betaald van [gedaagde] terugvorderen.
5.6.1
Vast is komen te staan dat de betaling van € 3.050,00 van [naam 1] aan [gedaagde] een onverplichte rechtshandeling om niet (zonder tegenprestatie) betreft, in dit geval een schenking. [gedaagde] heeft dit onvoldoende betwist. [gedaagde] heeft wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het doel van de door hem ontvangen betaling. [gedaagde] heeft in zijn antwoord op de dagvaarding aangevoerd dat de betaling bedoeld was voor [gedaagde] om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar dat [gedaagde] , om zijn broer niet te benadelen, in tweede instantie met zijn vader heeft besproken om de betaling als lening aan te merken. [gedaagde] zou die lening vervolgens aan zijn vader hebben terugbetaald, en wel, op instructie van zijn vader, door twee overschrijvingen op 16 januari 2024 van € 1.000,00 en € 800,00 aan [bedrijf] B.V. (een vennootschap waarbij zijn vader was betrokken), en twee overschrijvingen op 17 juni 2024 en 5 juli 2024 van € 1.000,00 aan zijn vader. Op de zitting heeft [gedaagde] echter verklaard dat het bij de overboeking door zijn vader ging om een terugbetaling van een lening die [gedaagde] eerder aan zijn vader had verstrekt voor de bekostiging van ‘basisbenodigdheden’. Alleen al vanwege het gebrek aan consistentie van het betoog van [gedaagde] wordt daaraan voorbij gegaan. Daar komt bij, wat betreft de verklaring van [gedaagde] dat de overboeking door zijn vader een lening betrof die hij heeft terugbetaald, dat [gedaagde] niet steekhoudend heeft toegelicht waarom de hoogte van zijn vermeende terugbetalingen niet overeenkomt met de hoogte van de lening, en waarom zijn vader hem zou instrueren om de terugbetalingen deels aan de genoemde vennootschap te doen en niet aan hemzelf. Wat betreft de verklaring van [gedaagde] dat de overboeking door zijn vader een terugbetaling betrof van een lening die hij eerder aan zijn vader had verstrekt, komt daar bij dat [gedaagde] niet heeft uitgelegd waarom zijn vader de overboeking als schenking heeft omschreven.
5.6.2
De schuldeisers van [naam 1] zijn door de schenking benadeeld, zo stelt de kantonrechter vast. Door de overboeking aan [gedaagde] zijn de betreffende gelden niet beschikbaar voor verdeling onder de schuldeisers. Anders dan [gedaagde] betoogt, blijkt uit de stukken die de curator heeft ingebracht dat er naast de curator zelf ook andere schuldeisers in het faillissement zijn. Verder wordt op grond van artikel 45 Fw Pro vermoed dat Qingjian [gedaagde] wist of behoorde te weten dat de schuldeisers als gevolg van de schenking zijn benadeeld. [gedaagde] heeft dat vermoeden niet ontkracht.
5.7
[gedaagde] beroept zich op verrekening van zijn schuld aan de boedel met een vordering die hij op de boedel stelt te hebben op grond van een huurovereenkomst die hij als verhuurder met zijn vader heeft gesloten na diens faillissement. [gedaagde] licht toe dat zijn vader de verschuldigde huurprijs tot dusver onbetaald heeft gelaten, en dat die huurprijs op grond van artikel 39 Fw Pro een boedelschuld is.
Dit beroep wordt verworpen. Uit artikel 24 Fw Pro volgt dat de boedel niet aansprakelijk is voor de huurverplichtingen die [naam 1] na zijn faillietverklaring met [gedaagde] is aangegaan, tenzij de boedel daarbij zou zijn gebaat. Dat laatste is niet het geval. Niet gesteld of gebleken is dat de huurovereenkomst waaraan [naam 1] zich als huurder heeft verbonden, voor de boedel een bate oplevert. Artikel 39 lid 1 Fw Pro is niet van toepassing, anders dan [gedaagde] betoogt, aangezien die bepaling ziet op een huurovereenkomst die al bestond ten tijde van de faillietverklaring.
5.8
Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde betaling van € 3.050,00 toewijsbaar.
5.9
De curator vordert wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat [gedaagde] de schenking heeft ontvangen, namelijk 23 oktober 2023. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente pas toewijzen vanaf 31 juli 2025. Hoewel de vernietiging van de schenking terugwerkende kracht heeft, kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. De curator heeft namelijk niet gesteld dat [gedaagde] het bedrag te kwader trouw heeft aangenomen (zie artikel 6:205 BW Pro). De curator heeft [gedaagde] op 16 juli 2025 aangemaand om het bedrag van € 3.050,00 terug te betalen binnen veertien dagen na ontvangt van de brief. Deze aanmaning kan naar het oordeel van de kantonrechter worden aangemerkt als een ingebrekestelling, zodat [gedaagde] na het verloop van de gestelde veertiendagentermijn op 31 juli 2025 in verzuim is geraakt (artikel 6:82 BW Pro).
Buitengerechtelijke incassokosten
5.1
De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.020,50, te vermeerderen met rente. De gevorderde vergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 430,00. Gelet op de aard van de toegewezen vordering is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing, zodat de vraag of buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd wordt getoetst aan de eisen die zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De curator heeft toegelicht en onderbouwd dat hij meerdere brieven en e-mails aan [gedaagde] en zijn (voormalige) gemachtigde heeft geschreven om de vordering buitengerechtelijk te incasseren. Daarmee heeft de curator voldoende gesteld dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft de door de curator gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden niet betwist. Gelet op de hoogte van de toegewezen vordering heeft de curator op basis van het toepasselijke tarief, aanspraak op vergoeding van € 430,00. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (16 februari 2026), nu niet is gesteld dat de buitengerechtelijke kosten op een eerdere datum zijn betaald.
De proceskosten
5.11
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad?
5.12
[gedaagde] heeft zich verzet tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis. Bij de beoordeling van dit verweer van [gedaagde] moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Het belang van de curator bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegeven. Daar staat tegenover dat naar het oordeel van de kantonrechter [gedaagde] een reëel restitutierisico loopt. Als de vordering van de curator in een eventueel hoger beroep alsnog wordt afgewezen, zal de curator een mogelijk bij voorraad uitgewonnen geldsom als onverschuldigd moeten terugbetalen aan [gedaagde] . De vordering tot terugbetaling dient in een dergelijk geval te worden behandeld als een concurrente boedelvordering (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3796). In het algemeen krijgen concurrente boedelschuldeisers in een faillissement niet hun gehele vordering uitbetaald. Uit de stellingen van de curator kan niet worden afgeleid dat dit in dit geval wel zo zou zijn. De afweging van de belangen van de curator en [gedaagde] leidt er toe dat de kantonrechter de curator gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wel zal uitspreken, maar onder voorwaarde van zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie. Het belang van [gedaagde] bij zekerheidstelling, gegeven het restitutierisico, weegt zwaarder dan het belang van de curator bij tenuitvoerlegging zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
verklaart voor recht dat de betaling aan [gedaagde] van het bedrag van € 3.050,00 buitengerechtelijk door de curator is vernietigd,
6.2
veroordeelt [gedaagde] om het bedrag van € 3.050,00 aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 31 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.3
veroordeelt [gedaagde] om € 430,00 aan de curator te betalen ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 16 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
verbindt aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt tot een bedrag van € 3.050,00 in de vorm van een bankgarantie,
6.6
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. (wv)

Voetnoten

1.De curator stelt in nr. 7 van de dagvaarding dat [naam 1] vanaf 23 mei 2022 niet meer woonachtig is in de woning.