ECLI:NL:RBOVE:2026:4567

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
12226480 \ EJ VERZ 26-83
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 9 sub b BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werknemer na levensdelict

De werknemer is sinds 2016 in dienst bij Asito als schoonmaakster. Na een veroordeling tot 11 jaar gevangenisstraf wegens een levensdelict is zij niet meer in staat geweest haar werkzaamheden te verrichten, waarop Asito stopte met loonbetaling. Inmiddels werkt de werknemer fulltime bij een andere werkgever, maar de arbeidsovereenkomst met Asito bestaat nog.

Asito verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de h-grond, omdat de werknemer niet beschikbaar is voor werk, het vertrouwen is beschadigd en collega’s niet met haar willen samenwerken. Tevens stelt Asito dat de werknemer geen recht heeft op transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen.

De werknemer heeft geen verweer gevoerd tegen het ontbindingsverzoek en stemt in met de ontbinding. De kantonrechter oordeelt dat de feiten niet zijn weersproken en dat ontbinding op de h-grond gerechtvaardigd is. Herplaatsing is niet mogelijk en er is geen opzegverbod. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 augustus 2026, zonder recht op transitievergoeding. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 zonder recht op transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12226480 \ EJ VERZ 26-83
Beschikking van 14 juli 2026
in de zaak van
ASITO PERSONEELSDIENSTEN B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Asito,
gemachtigde: mr. M.E. Kikkert,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
[gedaagde] is sinds 8 juli 2016 in dienst bij Asito als schoonmaakster.
2.2
[gedaagde] is bij vonnis van 26 november 2019 van de Rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf. Als gevolg van deze gevangenisstraf is Asito gestopt met het betalen van het loon, omdat [gedaagde] geen arbeid heeft verricht.
2.3
[gedaagde] verblijft inmiddels niet meer in detentie en is fulltime werkzaam voor een andere werkgever.
2.4
De arbeidsovereenkomst met Asito bestaat nog steeds.

3.Het verzoek

3.1
Asito verzoekt de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden. Asito heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [gedaagde] na het plegen van een levensdelict is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar en daarom niet beschikbaar is om haar arbeid te verrichten. Daarnaast is het vertrouwen beschadigd en willen collega’s, gezien de ernst van het delict, niet met [gedaagde] samenwerken. Volgens Asito heeft [gedaagde] ook geen recht op betaling van de transitievergoeding, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3.2
[gedaagde] heeft zich niet verweerd tegen het ontbindingsverzoek en is het eens met de verzoeken van Asito.

4.De beoordeling

4.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst
4.2
[gedaagde] heeft de gestelde feiten en omstandigheden, die volgens Asito moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, niet weersproken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de juistheid van de gestelde feiten en omstandigheden. Gezien deze feiten en omstandigheden wordt geoordeeld dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van Asito niet kan worden gevergd te arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te laten voortduren. Daar komt bij dat [gedaagde] inmiddels nieuw werk heeft gevonden. Niet gebleken is dat er sprake is van een opzegverbod. Tot slot is niet betwist dat [gedaagde] niet kan worden herplaatst. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden op de onder meer verzochte h-grond.
De ontbindingsdatum is 1 augustus 2026
4.3
Asito heeft verzocht, overeenkomstig artikel 7:671b lid 9, onderdeel b BW, het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op een eerder tijdstip dan het moment waarop deze bij opzegging zou zijn geëindigd, aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [gedaagde]. Ook de feiten en omstandigheden die Asito ten grondslag heeft gelegd aan het ernstig verwijtbare handelen door [gedaagde], zijn door [gedaagde] niet weersproken. De arbeidsovereenkomst wordt daarom met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub b BW ontbonden met ingang van 1 augustus 2026.
G
een transitievergoeding
4.4
Hiervoor is al geoordeeld dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft daarom geen recht op betaling van een transitievergoeding. De verzochte verklaring voor recht wordt dus toegewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.5
De kantonrechter bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,
5.2
verklaart voor recht dat Asito geen transitievergoeding verschuldigd is aan [gedaagde],
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.