Uitspraak
1.De samenvatting
2.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Overijssel
B&A vordert betaling van €3.777,46 van [gedaagde] B.V. voor de huur van bouwhekken over de periode van 7 november 2022 tot 16 juli 2023. B&A stelt dat er een mondelinge overeenkomst is gesloten met de heer [gedaagde], aandeelhouder van [gedaagde] B.V., en wijst op betaling van een eerdere factuur als bewijs.
[gedaagde] B.V. betwist dat zij opdrachtgever was voor de bouwhekken en ontkent dat er afspraken zijn gemaakt over huur, periode en prijs. Ook wijst zij erop dat de heer [gedaagde] tijdens de vermeende overeenkomstperiode in het ziekenhuis lag en dat de bouwhekken mogelijk niet langer dan 6 november 2022 zijn geplaatst.
De kantonrechter oordeelt dat B&A onvoldoende heeft onderbouwd dat er een overeenkomst met [gedaagde] B.V. bestaat. Het feit dat een eerdere factuur op verzoek van [gedaagde] B.V. is geadresseerd en betaald, betekent niet automatisch dat er een overeenkomst was. B&A heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mondelinge afspraak met de heer [gedaagde] tot een overeenkomst met de B.V. heeft geleid.
Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt B&A tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] B.V. van €720,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot betaling voor huur bouwhekken wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van overeenkomst.