ECLI:NL:RBOVE:2026:4568

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
12032746 \ CV EXPL 25-2288
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.B. de Hek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs mondelinge huurovereenkomst bouwhekken

B&A vordert betaling van €3.777,46 van [gedaagde] B.V. voor de huur van bouwhekken over de periode van 7 november 2022 tot 16 juli 2023. B&A stelt dat er een mondelinge overeenkomst is gesloten met de heer [gedaagde], aandeelhouder van [gedaagde] B.V., en wijst op betaling van een eerdere factuur als bewijs.

[gedaagde] B.V. betwist dat zij opdrachtgever was voor de bouwhekken en ontkent dat er afspraken zijn gemaakt over huur, periode en prijs. Ook wijst zij erop dat de heer [gedaagde] tijdens de vermeende overeenkomstperiode in het ziekenhuis lag en dat de bouwhekken mogelijk niet langer dan 6 november 2022 zijn geplaatst.

De kantonrechter oordeelt dat B&A onvoldoende heeft onderbouwd dat er een overeenkomst met [gedaagde] B.V. bestaat. Het feit dat een eerdere factuur op verzoek van [gedaagde] B.V. is geadresseerd en betaald, betekent niet automatisch dat er een overeenkomst was. B&A heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mondelinge afspraak met de heer [gedaagde] tot een overeenkomst met de B.V. heeft geleid.

Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt B&A tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] B.V. van €720,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot betaling voor huur bouwhekken wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12032746 \ CV EXPL 25-2288
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
B&A HAAKSBERGEN,
te Haaksbergen,
eisende partij,
hierna te noemen (in mannelijk enkelvoud): B&A,
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen : [gedaagde] B.V.,
gemachtigde: mr. Y. Cenik.

1.De samenvatting

1.1
B&A wil dat [gedaagde] B.V. hem € 3.777,46 betaalt voor de huur van bouwhekken. [gedaagde] B.V. zegt dat zij geen bouwhekken heeft gehuurd bij B&A. De vordering van B&A kan alleen worden toegewezen als B&A voldoende onderbouwt dat er sprake is van een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V. De kantonrechter oordeelt dat B&A zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij speelt ook mee dat [gedaagde] B.V. duidelijk heeft uitgelegd waarom er geen sprake kon zijn van een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V. B&A heeft daar onvoldoende op gereageerd. De kantonrechter wijst de vorderingen van B&A daarom af. Hij moet ook de proceskosten van [gedaagde] B.V. betalen.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
3.1
De heer [gedaagde] is aandeelhouder van [gedaagde] B.V. In de periode vanaf 2020 heeft de heer [gedaagde] met zijn vrouw een huis laten bouwen. De kelder bij het huis zou worden gebruikt door [gedaagde] B.V. De heer [gedaagde] werkte voor de bouw van het huis samen met een hoofdaannemer (hierna: de aannemer). De heer [gedaagde] lag in het ziekenhuis voor een deel van de periode waarin het huis werd gebouwd.
3.2
B&A was als onderaannemer betrokken bij de bouw van het huis. Hij heeft onder meer bouwtekeningen gemaakt.
3.3
B&A heeft, in ieder geval in de periode tussen 26 september 2022 en 6 november 2022, bouwhekken laten plaatsen bij het perceel waar het huis voor de heer en mevrouw [gedaagde] werd gebouwd. Het is niet duidelijk op wiens instructie hij dit heeft gedaan. Op 13 november 2022 heeft B&A een factuur verzonden aan de familie [gedaagde] voor de plaatsing van de bouwhekken in deze periode en voor bouwtekeningen voor de kelder van het huis. Mevrouw [gedaagde] heeft vervolgens aan B&A gevraagd de factuur te adresseren aan [gedaagde] B.V., omdat de bouwtekeningen bedoeld waren voor de kelder van de B.V. Dat heeft B&A gedaan, waarna de factuur is betaald.
3.4
Op 25 augustus 2023 heeft B&A aan [gedaagde] B.V. een factuur gestuurd voor de huur van bouwhekken in de periode tussen 7 november 2022 en 31 december 2023 en 1 januari 2023 en 16 juli 2023. Later heeft hij deze factuur aangepast naar de periode van 7 november 2022 tot en met 16 juli 2023, vanwege een schrijffout in het origineel. [gedaagde] B.V. heeft geweigerd deze factuur te betalen. Daarom is B&A deze procedure begonnen.

4.Het geschil

4.1
B&A vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] B.V. tot betaling van € 3.777,46, vermeerderd met rente en kosten. Volgens B&A is er sprake van een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V. voor de huur van bouwhekken tussen 26 september 2022 en 16 juli 2023. Volgens B&A is de overeenkomst mondeling gesloten, op de bouwplaats, en heeft hij de heer [gedaagde] later telefonisch geïnformeerd over de prijs. Dat sprake is van een overeenkomst, blijkt volgens B&A ook uit het feit dat [gedaagde] B.V. de eerste factuur voor bouwhekken wel heeft betaald.
4.2
[gedaagde] B.V. voert verweer. Volgens haar was [gedaagde] B.V. niet de opdrachtgever van de bouw van het huis, maar waren meneer en mevrouw [gedaagde] dat. [gedaagde] B.V. betwist dat zij – of de familie [gedaagde] in privé – B&A de opdracht heeft gegeven bouwhekken te plaatsen. [gedaagde] B.V. ontkent ook dat er met B&A afspraken zijn gemaakt over de huur van bouwhekken, de periode van plaatsing en de te betalen prijs. Volgens [gedaagde] B.V. lag de heer [gedaagde] in het ziekenhuis toen de bouwhekken werden geplaatst en volgens B&A een overeenkomst werd gesloten. [gedaagde] B.V. betwist dat de bouwhekken er ook nog na 6 november 2022 hebben gestaan en dat B&A zelf heeft betaald voor de huur van de hekken.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1
B&A heeft haar vorderingen gebaseerd op de stelling dat sprake is van een overeenkomst met [gedaagde] B.V. De vorderingen van B&A kunnen alleen worden toegewezen als komt vast te staan dat er sprake is van een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V. Het is daarom aan B&A om haar standpunt voldoende te onderbouwen.
5.2
B&A heeft aangevoerd dat zij mondelinge afspraken heeft gemaakt met de heer [gedaagde]. [gedaagde] B.V. heeft dat betwist. B&A heeft haar standpunt niet verder onderbouwd. B&A heeft ook niet uitgelegd waarom een mondelinge afspraak met de heer [gedaagde] heeft kunnen leiden tot een overeenkomst met [gedaagde] B.V. Het huis werd immers, zo staat tussen partijen vast, gebouwd in opdracht van de heer en mevrouw [gedaagde].
5.3
Dat de eerste factuur op verzoek van [gedaagde] op naam is gezet van [gedaagde] B.V., betekent op zichzelf niet dat sprake is van een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V. De factuur kan immers ook om een andere reden zijn overgezet en betaald. [gedaagde] B.V. heeft uitgelegd dat de eerste factuur oorspronkelijk geadresseerd was aan de familie [gedaagde] en dat deze is overgezet naar [gedaagde] B.V. vanwege de tekeningen voor de werkzaamheden aan de zakelijke kelder. B&A heeft dit niet weersproken. Maar ook als de eerste factuur wel zou zijn gebaseerd op een overeenkomst tussen B&A en [gedaagde] B.V., betekent dit nog niet dat de overeenkomst voortduurde na 6 november 2022. B&A heeft ook niet gesteld waaruit dat volgt.
5.4
De kantonrechter oordeelt dat B&A, afgezet tegen wat [gedaagde] B.V. heeft aangevoerd, niet goed genoeg heeft uitgelegd waarom sprake is van een overeenkomst met [gedaagde] B.V. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen.
5.5
B&A is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] B.V. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
Totaal
720,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
wijst de vorderingen van B&A af,
6.2
veroordeelt B&A in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als B&A niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.