ECLI:NL:RBOVE:2026:4597

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
08.184691.24 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen poging doodslag en vuurwapenbezit

Op 2 februari 2024 vond een geweldsincident plaats waarbij het slachtoffer werd aangevallen met een glasscherf en geslagen. Verdachte had die dag een persoon vervoerd en stuurde een adres in een groepsapp, maar de rechtbank kon niet vaststellen dat verdachte opzet had of wetenschap droeg van een plan tot doodslag.

Ook al was DNA van verdachte op een vuurwapen gevonden, kon niet worden bewezen dat verdachte het wapen bewust bij zich had op de tenlastegelegde datum. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar omdat verdachte werd vrijgesproken, werd de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 27 juli 2026 na een openbare terechtzitting op 13 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.184691.24 (P)
Datum vonnis: 27 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
nu verblijvende aan de [adres 2] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.B. Venema, advocaat in Almere, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. Z. Badrane is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven;
feit 2:een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Hengelo, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal
- met een glasscherf, althans een scherp voorwerp, in de slaap, althans in
het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden
en/of
- op en/of tegen het hoofd, althans op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer]
[slachtoffer] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Lelystad en/of Den Haag en/of Radio Kootwijk
en/of elders in Nederland, althans in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten
- een (getransformeerd) gaspistool van het merk Blow, type MINI 9,
kaliber 9mm knal,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat beide ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde en heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van of opdracht heeft gegeven tot uitvoering van een plan om [slachtoffer] geweld aan te doen, maar dat sprake is van een alternatief scenario. Verdachte heeft slechts op verzoek van een ander, op weg naar een afspraak met zijn vriendin, [naam] vervoerd van [plaats 1] naar een Shellstation aan de A1 bij verzorgingsplaats [instelling]. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (dubbel) opzet had op de dood van [naam], ook niet in voorwaardelijke zin.
Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat volgens de raadsman niet kan worden vastgesteld dat verdachte het vuurwapen op de tenlastegelegde datum voorhanden heeft gehad.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feit 1
Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van een poging tot doodslag geldt dat het opzet van verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) als op de verwezenlijking van het tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht. In dit geval moet aldus uit de bewijsvoering onder meer kunnen volgen dat het opzet van verdachte erop was gericht om tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] van het leven te beroven.
Vast staat dat er op 2 februari 2024 in Hengelo (O) een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] door de gewapende [naam] is geslagen en met een glasscherf in zijn hoofd/gezicht is gestoken ter hoogte van zijn slaap. [slachtoffer] heeft deze aanval gelukkigerwijs overleefd. Verdachte heeft voorafgaand aan dit incident [naam] in [plaats 1] opgepikt en vervolgens met de auto naar het Shellstation Kootwijk aan de A1 bij verzorgingsplaats [instelling] gebracht, waar [naam] bij een tweetal andere personen in de auto, een Toyota Yaris, is gestapt, die [naam] naar [plaats 3] hebben gereden. Ook heeft verdachte, terwijl hij bij het Shellstation in de auto zat, een bericht met daarin het adres van het slachtoffer in Hengelo geplaatst in de groepsapp waarin ook de andere twee personen zaten die [naam] verder zouden vervoeren. Na het geweldsincident is in de Toyota Yaris de DHL-jas aangetroffen die [naam] droeg tijdens de aanval op [slachtoffer] . In een zak van deze jas werd een vuurwapen aangetroffen. Op de trekker van dit vuurwapen zat DNA van onder andere verdachte.
Verdachte is op 2 februari 2024 toegevoegd aan voornoemde groepsapp. In deze groepsapp is gesproken over het Shellstation waar verdachte [naam] naartoe heeft gebracht, over een ‘p’ – door de politie geduid als vuurwapen – dat moest worden opgehaald en is het adres [adres 3], [adres 3] genoemd, de locatie waar [naam] door twee andere deelnemers aan deze groepsapp is afgezet. In de groepsapp is niet gesproken over een plan en niet duidelijk is geworden wat zou moeten gebeuren op het genoemde adres.
Verdachte heeft verklaard dat hij geen opdracht heeft gegeven tot en in het geheel niet wist van het bestaan van een plan om [slachtoffer] geweld aan te doen en dat hij slechts op weg naar zijn vriendin in het oosten van het land was. Op verzoek van een jeugdvriend had hij een persoon, [naam], in zijn auto meegenomen van [plaats 1] tot het voornoemde Shellstation. Het verstuurde adres in de groepsapp stuurde verdachte naar eigen zeggen op verzoek van [naam], omdat die geen telefoon bij zich droeg. Zijn DNA zou op het vuurwapen terecht gekomen zijn toen hij op een eerdere datum in andermans tas zocht naar geld en daarbij het wapen vastpakte.
Wat ook zij van deze verklaring van verdachte, die op sommige punten zeker vragen oproept, kan de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier niet vaststellen dat verdachte medepleger (opdrachtgever) was van de tenlastegelegde poging tot doodslag.
Evenmin kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat er een vooropgezet plan was om [slachtoffer] die avond te doden, dat verdachte wetenschap had van een dergelijk plan of dat verdachte wist dat er in die woning van [slachtoffer] iets zou gebeuren dat zijn dood tot gevolg zou kunnen hebben.
Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het ophalen van een vuurwapen die dag, dat [naam] op het moment dat hij bij verdachte in de auto zat een vuurwapen bij zich droeg, of dat verdachte op dat moment hiervan of van het doel van [naam] wetenschap had. Uit enkel het versturen van een adres in een groepsapp en berichten over een ontmoetingsplaats bij een tankstation, kan naar het oordeel van de rechtbank niet een opdracht tot een (poging) doodslag of wetenschap van een op handen zijnd plan worden afgeleid. Ook de aanwezigheid van aan verdachte te linken DNA op een in een door de pleger gedragen jas aangetroffen vuurwapen, is hiertoe niet voldoende.
Conclusie
De rechtbank kan uit de in het dossier aanwezige omstandigheden, ook in onderling verband bezien, niet opmaken dat verdachte wetenschap had van wat de man die hij op
2 februari 2024 heeft vervoerd op die bewuste dag zou gaan of moeten doen. Hoewel het dossier vragen oproept is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen vaststellen dat de verdachte wetenschap, in de zin van dubbel opzet als hiervoor bedoeld, had van de (poging) doodslag op [slachtoffer] . De rechtbank acht daarom het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
3.3.2
Feit 2
Niet ter discussie staat dat DNA van verdachte op de trekker van het omgebouwde gaspistool van het merk Blow type MINI 9 zat. Dit wapen betreft een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte op de tenlastegelegde datum dit wapen bewust aanwezig heeft gehad en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarom is niet bewezen dat de verdachte het vuurwapen op (of omstreeks) 2 februari 2024 voorhanden heeft gehad, zodat hij van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

4.De schade van benadeelde

4.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] (vertegenwoordigd door mr. Z. Badrane) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.320,00 (zegge: tienduizenddriehonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Winterjas (schatting) € 150,00
- Broek (schatting) € 50,00
- Schoenen Nike Air Force € 120,00
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het materiële deel van de vordering voor toewijzing vatbaar is en dat het immateriële deel van de vordering moet worden toegewezen tot het bedrag van € 1.500,00, met niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is gezien de bepleite vrijspraak.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] (feit 1): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Boef, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.