ECLI:NL:RBOVE:2026:4598

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
12274342 \ CV EXPL 26-1108
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:307 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand en niet-exploitatie in kort geding

De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert dat de huurders, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], worden veroordeeld tot ontruiming van een bedrijfsruimte en betaling van een huurachterstand. De huurders zijn in gebreke gebleven met betalingen vanaf oktober 2025, met een achterstand van €11.250 tot mei 2026. Tevens is de exploitatie van de horecaonderneming in het gehuurde gestopt.

De huurders stelden dat [gedaagde 2] de onderneming in 2023 van [gedaagde 1] heeft overgenomen en dat een andere huurder was voorgesteld, maar de verhuurder heeft geen instemming gegeven voor indeplaatsstelling of overname. De kantonrechter oordeelt dat formeel [gedaagde 1] huurder blijft en verantwoordelijk is voor de huurbetalingen.

Gelet op de niet-betaling en het niet meer exploiteren van het gehuurde, acht de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gerechtvaardigd. De huurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van de achterstallige huur, alsmede de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurders worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12274342 \ CV EXPL 26-1108
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G. Beekman,
tegen

1.[gedaagde 1],v.h.o.d.n. [bedrijf 1],

wonende te [woonplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
h.o.d.n. [bedrijf 2],
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2].

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.1.
de namens [eiser] betekende dagvaarding waarbij [eiser] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening, strekkende tot het ontruimen van een bedrijfspand, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.
1.2.
De vordering is behandeld ter zitting van 16 juli 2026.
Partijen zijn op de zitting verschenen, [eiser] bijgestaan door zijn gemachtigde en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in persoon.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] huurt vanaf 1 augustus 2022 van [eiser] het gehuurde aan de [adres], tegen een huur van € 1.500,00 per maand. Vanaf oktober 2025 is de huur niet betaald, met uitzondering van een betaling van € 750,00 in januari 2026. De huurachterstand bedraagt tot en met mei 2026 € 11.250,00.
2.2.
Vast staat dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zijn gestopt met het exploiteren van de horecaonderneming in het gehuurde en dat de belastingdienst beslag heeft gelegd op de inventaris.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld de bedrijfsruimte te ontruimen en dat [gedaagde 1] bovendien wordt veroordeeld tot het betalen van een voorschot op de huurachterstand van € 11.250,00, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] de huurachterstand laten ontstaan, exploiteert hij het gehuurde niet of nauwelijks en heeft hij het gehuurde onrechtmatig in gebruik gegeven aan [gedaagde 2], die zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. De tekortkomingen van [gedaagde 1] rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend ontruiming van het gehuurde in kort geding. Ook [gedaagde 2] dient het gehuurde te ontruimen en te verlaten nu hij daar zonder recht of titel verblijft.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 2] stelt per 2023 de zaak over te hebben genomen van zijn zoon [gedaagde 1]. Dat is ingeschreven in het handelsregister en hij heeft [eiser] daar ook over gebeld. Rond oktober 2025 moest [gedaagde 2] door omstandigheden op zoek naar een andere huurder. Die heeft hij ook gevonden. Die huurder was bereid om
€ 2.000,00 per maand te betalen maar [eiser] accepteerde dat niet, de huur moest naar
€ 2.500,00 per maand. Daar kon hij geen huurder voor vinden. [gedaagde 2] heeft al 9 maanden geen inkomen en hij weet niet hoe de huur betaald moet worden. Er zijn ook schulden bij de belastingdienst en bij nutsbedrijven. [gedaagde 1] heeft net een ziekenhuistraject achter de rug en ontvangt een Ziektewet uitkering. Hij doet vrijwilligerswerk voor zover mogelijk.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter overweegt dat de huurachterstand (€ 11.250,00 berekend tot en met mei 2026) niet is betwist en daarmee vast staat. De huur van juni en juli 2026 is ook niet betaald. Naast de huurachterstand staat vast dat de onderneming in het gehuurde niet meer wordt geëxploiteerd. Dat levert (ook) een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op.
4.2.
[gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] hebben als verweer tegen de door [eiser] ingestelde vorderingen gesteld dat [gedaagde 2] de onderneming (en de huurovereenkomst) in 2023 heeft overgenomen van [gedaagde 1] en dat [gedaagde 2] rond oktober 2025 een andere huurder heeft voorgesteld die ten onrechte door [eiser] is geweigerd.
4.3.
Dat verweer komt neer op indeplaatsstelling als bedoeld in art. 7:307 BW Pro. Indeplaatsstelling vereist instemming van de verhuurder. Als de verhuurder de indeplaatsstelling weigert kan de huurder een machtiging van de kantonrechter vragen als bedoeld in lid 2 van art. 7:307 BW Pro. Van instemming van de verhuurder met indeplaatsstelling is in dit geval niet gebleken, en er is evenmin een machtiging van de kantonrechter gevraagd als bedoeld in lid 2 van art. 7:307 BW Pro. [eiser] heeft erkend dat hij in 2023 is gebeld door [gedaagde 2] maar dat gesprek had volgens hem de strekking dat [gedaagde 2] ook in de zaak kwam werken of iets dergelijks; dat het een familiebedrijf was of werd. Hij heeft in dat gesprek niet ingestemd met overname van het huurcontract of indeplaatsstelling door [gedaagde 2]. Gelet op deze betwisting door [eiser] kan niet worden aangenomen dat [eiser] heeft ingestemd met indeplaatsstelling. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] formeel huurder is gebleven, ook al werd de onderneming de laatste jaren feitelijk gedreven door [gedaagde 2] en stond dat ook als zodanig in het handelsregister. [gedaagde 1] blijft dus verantwoordelijk voor betaling van de huur.
4.4.
Instemming van de verhuurder was ook vereist toen [gedaagde 2] op zoek was naar een andere (exploitant en) huurder. Ook toen was instemming van de verhuurder [eiser] vereist en het staat vast dat die instemming er niet is geweest. [eiser] accepteerde de door [gedaagde 2] aangedragen huurder niet en er is door [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 1] geen machtiging gevraagd als bedoeld in art. 7:307 BW Pro. De huurovereenkomst is dus niet overgenomen door [gedaagde 2] of een ander en dat betekent dat [gedaagde 1] formeel nog huurder is en verantwoordelijk voor betaling van de huur.
4.5.
De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat ook de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat de huurachterstand en het niet meer exploiteren van het gehuurde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. In kort geding is de ontruiming vast toewijsbaar gelet op de belangen van [eiser] ([eiser] ontvangt al vele maanden geen huur meer en is van plan het gehuurde te verkopen terwijl ook niet voor de hand ligt dat gedaagden de huur van de komende maanden wel zullen (kunnen) betalen).
4.6.
Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat in elk geval [gedaagde 2] financiële problemen heeft: er zijn meerdere schulden en hij heeft al negen maanden geen inkomen meer gehad. Voor het geval [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] hulp willen bij het oplossen van financiële problemen geeft de kantonrechter hen in overweging om contact te zoeken met de schuldenfunctionaris van deze rechtbank (te bereiken via e-mail: schuldenfunctionaris.rb-ove@rechtspraak.nl).
4.7.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,43
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.116,43
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.9.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5. De beslissing in kort geding
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan [eiser] een voorschot van € 11.250,00 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.116,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
23 juli 2026.