ECLI:NL:RBOVE:2026:4607

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
08-059298-24 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel, productie en witwassen van delta-8-THC en hasjiesj

De rechtbank Overijssel heeft op 28 juli 2026 een 37-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden wegens meerdere druggerelateerde feiten. Verdachte had ruim 35 kilo delta-8-THC aanwezig, vervoerde en leverde deze af, en had kleinere hoeveelheden hasjiesj en hennep in bezit. Tevens trof de politie in zijn woning een drugslab aan met materialen en documenten voor de productie van delta-8-THC in snoep.

De rechtbank oordeelde dat verdachte samen met zijn toenmalige partner voorbereidingshandelingen trof voor de productie en handel in delta-8-THC, waarbij sprake was van medeplegen. Verdachte werd ook schuldig bevonden aan het witwassen van €21.660, aangetroffen in een dubbele bodem van een nachtkastje. De verdediging voerde onder meer aan dat het geld niet van verdachte was, maar dit werd door de rechtbank niet geloofd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het telen, bereiden, bewerken, verkopen en verstrekken van delta-8-THC, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij het drugslab daadwerkelijk gebruikte of dat de snoepjes uit het lab afkomstig waren. Wel werd het vervoeren en afleveren van de drugs bewezen verklaard. De straf werd verlaagd met een maand wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden de inbeslaggenomen geldbedragen en administratie verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor handel, productievoorbereiding en witwassen van delta-8-THC en hasjiesj.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-059298-24 (P)
Datum vonnis: 28 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 juli 2026 en 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K.Y. Ramdhan, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met een ander:
feit 1:opzettelijk 35,406 kilogram delta-8-THC (lijst I van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad;
feit 2:opzettelijk delta-8-THC heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;
feit 3:voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in en/of productie van (snoep met daarin) delta-8-THC;
feit 4:opzettelijk 268 gram hasjiesj en 42 gram hennep (lijst II van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad;
feit 5:€ 21.660,-- heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 19 februari 2024 te Lent en/of Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35,406 kg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2024 tot en met 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2023 tot en met 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (snoep met daarin) delta-8-THC, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
- zijn, verdachtes, schuur ter beschikking te stellen en/of
- in die schuur een destillatieopstelling voorhanden te hebben en/of
- jerrycans, een rondbodemkolf, een vacuumpomp en/of een hoeveelheid kaliumhydroxide en/of fosfoorzuur en/of n-heptaan en/of een grote hoeveelheid snoep en/of injectienaalden en/of een sealapparaat en/of verpakkingsmateriaal en/of een THC extractie recept en/of notities (o.a. over benodigdheden om gummyberen te maken en/of met stappenplannen en/of een labopstelling en/of met kosten/prijzen) voorhanden te hebben en/of
- een geldbedrag van 21610 euro voorhanden te hebben;
4
hij op of omstreeks 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 268 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 42 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5
hij op of omstreeks 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een geldbedrag, te weten 21660 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.

3.De voorvragen

De verdediging heeft op de terechtzitting van 7 juli 2026 een preliminair verweer gevoerd, met als strekking het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De rechtbank heeft daarop ter terechtzitting van 7 juli 2026 beslist waarbij het verweer ongegrond is verklaard. Ten aanzien van de overige voorvragen heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden. De pleegperiode onder feit 3 dient te worden ingekort van 4 december 2023 tot en met 19 februari 2024.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de bewijsvraag voor de feiten 1, 2, 3 en 4. Voor feit 5 is vrijspraak bepleit, omdat het ten laste gelegde geldbedrag niet afkomstig is uit een eigen misdrijf van verdachte. Verdachte heeft immers verklaard dat hij dat geld in bewaring had voor een ander.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feiten 1, 2 en 3: delta-8-THC
4.3.1.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 februari 2024 wordt verdachte - samen met een ander ( [naam 1] ) - in zijn auto aangetroffen op de parkeerplaats hij [bedrijf] in [plaats 1] . Achterin de auto van verdachte staan vier bigshoppers gevuld met snoepzakjes met een totaalgewicht van 33,171 kilogram. De inhoud van deze snoepzakjes is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) getest en bevat delta-8-THC.
Op diezelfde dag vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en zijn toenmalige partner (hierna: [medeverdachte] ), gelegen aan [adres 2] . In de schuur in de achtertuin van de woning wordt een destillatieopstelling aangetroffen die gebruikt kan worden voor de extractie van THC-olie en de productie van synthetische drugs. In en rondom de schuur staan jerrycans opgeslagen. Op de zolder van de woning liggen zakken met kaliumhydroxide, flessen gevuld met fosforzuur en n-Heptaan, lege snoepverpakkingen, dozen met spuiten (injectienaalden) en een sealapparaat. In de vriezer wordt 434,55 gram aan middelen bevattende delta-8-THC aangetroffen. Een Albert Heijn tas - bij het kinderspeelgoed - in de woonkamer blijkt ook te zijn gevuld met 1,822 kilogram aan delta-8-THC bevattende snoepzakjes. Daarnaast worden diverse documenten in de woning aangetroffen, waaronder een THC-extractie recept en schriften met daarin notities van (onder meer) lijstjes met benodigdheden, stappenplannen, lab tekeningen en diverse kosten en prijzen, alsmede handgeschreven lijsten van allerlei soorten snoep. Een deel van die notities is opgeschreven in het handschrift van [medeverdachte] .
Op de telefoon van verdachte is een mailwisseling aangetroffen, gevoerd in januari 2024, waarin verdachte communiceert over het afnemen van een grote hoeveelheid terpenen van hennep/cannabis. In dat mailcontact schrijft verdachte ook dat hij vaker CBD isolaat koopt. Daarnaast zijn met die telefoon Google-zoekopdrachten verricht in januari en februari 2024 zoals “buisventilator”, “injectienaalden”, “hennep terpenen”, “D9 destilaat” en “terpenen toevoegen hasj”.
Op de telefoon van [medeverdachte] worden afbeeldingen van bestellingen van grote hoeveelheden snoepgoed, n-Heptaan en magnesiumsulfaat aangetroffen. Deze bestellingen staan op haar naam. De eerste bestellingen dateren van 4 december 2023.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan anderen, wier namen hij niet wil noemen, en dat hij verschillende hand- en spandiensten heeft verricht voor die personen, zoals het afleveren van drugs. Zo heeft hij op 19 februari 2024 de bigshoppers met delta-8-THC bevattende snoepjes in opdracht van een ander naar Lent vervoerd en afgeleverd aan de persoon met wie hij in de auto zat. De aangetroffen Albert Heijn tas in de woonkamer had hij ook ergens moeten afleveren. Verder heeft hij onderdelen voor het drugslab klaargezet in de schuur van zijn woning. Verdachte heeft ook verklaard dat niet alleen hijzelf, maar ook andere personen gebruik maken van zijn telefoon.
4.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank
Partiële vrijspraak feit 2
Ondanks het aantreffen van het bovengenoemde drugslaboratorium, de verdovende middelen en de overige attributen en stoffen in de woning van verdachte, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte het drugslaboratorium daadwerkelijk heeft gebruikt om delta-8-THC te produceren. Weliswaar had verdachte de beschikking over een zeer grote hoeveelheid zakjes delta-8-THC bevattend snoepgoed, maar niet kan worden vastgesteld dat de in de woning dan wel de auto van verdachte aanwezige delta-8-THC daadwerkelijk uit het drugslaboratorium afkomstig is, en uit het dossier is niet gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode delta-8-THC te koop heeft aangeboden. Dit geldt ook voor het verkopen en verstrekken van delta-8-THC. Verdachte had de delta-8-THC bevattende snoepjes nog niet daadwerkelijk verkocht en overgedragen aan [naam 1] , met wie hij in de auto in [plaats 1] is aangetroffen. [naam 1] had op dat moment nog een groot contant geldbedrag op zak, naar eigen zeggen de verschuldigde betaling, en de snoepjes lagen nog achterin de auto van verdachte. Het verkopen en verstrekken was dus nog niet voltooid. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken.
Het vervoeren en afleveren (op de afgesproken plek in [plaats 1] ) van de lading delta-8-THC bevattende snoepjes acht de rechtbank daarentegen wettig en overtuigend bewezen op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Verdachte heeft dit deel van de tenlastelegging bekend. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte ten aanzien van - specifiek - dit feit heeft samengewerkt met anderen, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen onder feit 2 zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring feiten 1 en 2
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] :
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 februari 2024 (pagina’s 455-460);
Het proces-verbaal de terechtzitting van 7 juli 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024 (pagina’s 29-39);
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024 (pagina’s 58-153);
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2024 (pagina’s 154-159);
Het proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige 14 maart 2024 (pagina’s 160-165);
Het NFI-rapport drugsonderzoek aan snoep van 30 mei 2024 (pagina’s 166-176);
Het proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2024 (pagina’s 386-390);
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 juni 2024 (pagina’s 402-409);
Het NFI-rapport van 20 november 2024 (pagina’s 410-411);
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2024 (pagina’s 291-363);
Het NFI-rapport van 2 augustus 2024 (pagina’s 364-368).
Feit 3: voorbereidingshandelingen
Voor het voorhanden hebben van goederen ten behoeve van de productie van delta-8-THC geldt dat voor een bewezenverklaring vastgesteld moet kunnen worden dat de in de woning aangetroffen stoffen en goederen in de machtssfeer van verdachte zijn geweest en dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die goederen bestemd waren voor de productie van en/of handel in delta-8-THC. De rechtbank is van oordeel dat aan die vereisten is voldaan en dat verdachte en [medeverdachte] ook wisten dat die goederen bestemd waren voor het productieproces van delta-8-THC. De rechtbank wijst in dat kader in het bijzonder op de omstandigheid dat zij alle middelen voor het productieproces in huis hadden; van een THC-extractie recept tot de benodigdheden voor het drugslab en verpakkingsmateriaal. Deze goederen bevonden zich verspreid door de woning op - voor verdachte - algemeen toegankelijke plekken. Het aantreffen van de bovengenoemde goederen kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Bovendien blijkt uit de e-mailconversatie die is aangetroffen in de telefoon van verdachte dat hij kennis had van het productieproces; hij heeft het immers over terpenen en CBD isolaat.
De verklaring van verdachte - dat hij slechts zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan anderen en dat hij hand- en spandiensten voor hen verrichte - acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op hetgeen in overvloed is aangetroffen op veel verschillende plekken in de woning en ook op hetgeen is aangetroffen in de onderzochte telefoons. Er is bovendien geen enkele aanwijzing dat - behalve de verklaring van verdachte - ook anderen in de woning of schuur zijn geweest of zijn telefoon hebben gebruikt. Aan de hand van het voornoemde mailcontact en de zoekopdrachten op de telefoon van verdachte, in combinatie met de online bestellingen op de telefoon van [medeverdachte] en alle goederen die zijn aangetroffen in de woning, stelt de rechtbank dan ook vast dat zij zich samen bezig hielden met het (voorgenomen) productieproces. De rechtbank is, op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte voorbereidingen trof om zelf snoepgoed met daarin delta-8-THC te produceren en te verhandelen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de (mede)daders. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, dient rekening te worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en het belang van de rol van verdachte.
De rechtbank is - gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden - van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . In de eerste plaats zijn niet alleen in de schuur, maar ook in de gezamenlijke woning op allerlei plekken goederen en stoffen aangetroffen die gerelateerd zijn aan de voorbereiding van het produceren van (snoep met daarin) delta-8-THC. Daarnaast blijkt dat ook sprake was van een bepaalde taakverdeling tussen hen. [medeverdachte] voerde daarbij de administratieve taken uit (online bestellingen en schriftelijke administratie) en verdachte regelde de praktische zaken (drugslab opbouwen, goederen afleveren, contact met derden). De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is geweest van een intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan de voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in delta-8-THC.
De rechtbank acht het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Periode
Over de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat het dossier wettig en overtuigend bewijs bevat dat er vanaf 4 december 2023 voorbereidingen zijn getroffen voor de productie van delta-8-THC. Op deze datum zijn door [medeverdachte] de eerste bestellingen geplaatst van een grote hoeveelheid snoepgoed, n-Heptaan en magnesiumsulfaat. De rechtbank zal de periode van 4 december 2023 tot en met 19 februari 2024 daarom bewezen verklaren ten aanzien van feit 3.
4.3.2
Feit 4: hasjiesj en hennep
4.3.2.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 februari 2024 wordt tijdens de doorzoeking in de keuken in de woning van verdachte en zijn partner, gelegen in [plaats 2] , 268 gram hasjiesj en 42 gram hennep aangetroffen. De hennep wordt door [medeverdachte] aan de politie overhandigd.
4.3.2.2 De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor het ‘aanwezig hebben’ - als bedoeld in artikel 3 van Pro de Opiumwet - is vereist dat de hasjiesj en hennep zich binnen de machtssfeer van verdachte bevonden en dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
Als uitgangspunt geldt dat verdachte als één van de hoofdbewoners van de woning de beschikkingsmacht heeft over en wetenschap heeft van de spullen die zich daarin bevinden. De verdovende middelen lagen deels in het zicht, in een algemeen toegankelijke ruimte waarvan dagelijks gebruik wordt gemaakt, namelijk de keuken. Verdachte kon dus over deze goederen beschikken. Gelet hierop volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hasjiesj en hennep in zijn woning.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] , medehoofdbewoner van de woning, het ten laste gelegde onder 4 heeft begaan.
4.3.3
Feit 5: witwassen
4.3.3.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
In de woning van verdachte in Almelo wordt op 20 februari 2024 een contant geldbedrag ter hoogte van € 21.660,-- aangetroffen. Dit geldbedrag bevindt zich in een dubbele bodem in een nachtkastje in de slaapkamer.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij dit geldbedrag in opdracht van een ander voor die persoon moest bewaren en dat dit geldbedrag niet van hem was.
4.3.3.2 De overwegingen van de rechtbank
Vaststaat dat verdachte dit geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad nu het geldbedrag lag opgeborgen in een dubbele bodem van het nachtkastje. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geldbedrag ongeloofwaardig en is - gelet op de hierboven bewezen verklaarde feiten - van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat dit geldbedrag de onmiddellijke opbrengst is uit een misdrijf dat door verdachte zelf is begaan. Gelet op de bewezenverklaarde feiten hield verdachte zich immers op grote schaal bezig met drugsgerelateerde zaken, waarvan algemeen bekend is dat hier grote bedragen aan contant geld mee gemoeid gaan.
Hoewel het geldbedrag pas op 20 februari 2024 is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat dit geldbedrag daar een dag eerder (op de ten laste gelegde datum) ook al lag opgeborgen. Verdachte is immers op 19 februari 2024 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij heeft daardoor niet de mogelijkheid gehad om het geld in de tussentijd te verwerven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 5 heeft begaan. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte ten aanzien van - specifiek - dit feit heeft samengewerkt met anderen, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven en in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks19 februari 2024 te Lent en
/ofAlmelo,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35,406 kg
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij
in of omstreeks de periode van 19 januari 2024 tot en metop 19 februari 2024
te Almelo, althansin Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)opzettelijk heeft
geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/ofafgeleverd
en/of verstrekten
/ofvervoerd
, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehadeen hoeveelheid van een materiaal delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in
of omstreeksde periode van
28 augustus4 december 2023 tot en met 19 februari 2024 te Almelo,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde
of vijfdelid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (snoep met daarin) delta-8-THC,
in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en
/ofeen ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
-
zijn, verdachtes, schuur ter beschikking te stellen en/of
- in d
ie schuur een destillatieopstelling voorhanden te hebben en
/of
- jerrycans, een rondbodemkolf, een vacuumpomp en
/ofeen hoeveelheid kaliumhydroxide en
/offosfoorzuur en
/ofn-heptaan en
/ofeen grote hoeveelheid snoep en
/ofinjectienaalden en
/ofeen sealapparaat en
/ofverpakkingsmateriaal en
/ofeen THC extractie recept en
/ofnotities (o.a. over benodigdheden om gummyberen te maken en
/ofmet stappenplannen en
/ofeen labopstelling en
/ofmet kosten/prijzen) voorhanden te hebben en
/of
- een geldbedrag van 21610 euro voorhanden te hebben;
4.
hij op
of omstreeks19 februari 2024 te Almelo,
althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer268 gram
, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramvan een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en
/of ongeveer42 gram
, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep, zijnde hasjiesj en
/ofhennep, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.
hij op
of omstreeks19 februari 2024 te Almelo
, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van)een geldbedrag, te weten 21.660,-- euro,
althans een of meer voorwerpenheeft verworven en
/ofvoorhanden
heeftgehad, terwijl hij, verdachte, wist
althans redelijkerwijs moest vermoedendat dat
/die voorwerp(en)geldbedrag onmiddellijk afkomstig was
/warenuit enig eigen misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: eenvoudig witwassen.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de kleine(re) schaal waarop de strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, de inhoud van het reclasseringsrapport en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook is verzocht om compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte doorkruisen. Hij heeft zich de afgelopen twee jaar goed gedragen tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Verzocht wordt om een taakstraf op te leggen. Ten aanzien van de hoogte van die op te leggen taakstraf is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben, vervoeren en afleveren van ruim vijfendertig kilo delta-8-THC (zijnde harddrugs) en het opzettelijk aanwezig hebben van kleinere hoeveelheden hasjiesj en hennep. Een deel van de harddrugs - eruitziend en verpakt als onschuldige snoepjes - lagen voor het grijpen in zijn woning, terwijl zijn jonge kinderen daar ook verbleven. Zo lag er een tas met vele zakjes delta-8-THC bevattende snoepjes naast het speelgoed van de kinderen. Dit acht de rechtbank zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het - samen met zijn toenmalige partner - treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en productie van snoep met daarin delta-8-THC, waarbij hij chemicaliën en materialen in een woonwijk aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft met zijn handelen kennelijk financieel gewin voor ogen gehad en zich niet bekommerd om de schadelijke en nadelige effecten van drugs en de criminaliteit die gepaard gaat met de handel hierin. Drugscriminaliteit zorgt voor een ondermijning van de samenleving, omdat (ernstig) geweld in het drugscircuit niet wordt geschuwd. Dit zorgt voor grote onrust en versterkt gevoelens van onveiligheid, temeer als er tevens sprake is van activiteiten gericht op productie van drugs in de directe woonomgeving. Ook heeft verdachte een geldbedrag van € 21.660,-- witgewassen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2024 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Verdachte is recent niet veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 december 2025. Daarin is te lezen dat de er geen criminogene factoren kunnen worden geduid, gelet op de proceshouding van verdachte. Bij een bewezenverklaring kunnen de financiën en een negatief beïnvloedend sociaal netwerk mogelijk als delict gerelateerde factoren worden aangemerkt. Als gevolg van deze zaak is verdachte zijn huisvesting en gezin kwijtgeraakt. Zijn vaderschap, steunende contacten en nieuwe baan zijn aan te merken als positieve en beschermende factoren. Op basis van de informatie en de proceshouding van verdachte heeft de reclassering geen inzicht kunnen krijgen in eventuele vaardigheidstekorten waarop reclasseringsinterventies zouden kunnen worden ingezet. De reclassering heeft geen factoren gevonden die het functioneren van verdachte belemmeren. Bovendien heeft verdachte geen hulpvraag. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Op 19 februari 2024 is verdachte in verzekering gesteld. Op die datum heeft de vervolging van verdachte een aanvang genomen en is de redelijke termijn gaan lopen. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die dergelijke lange duur rechtvaardigen. Bij eindvonnis van heden bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn ruim vijf maanden. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een maand minder gevangenisstraf op te leggen dan zonder deze termijnoverschrijding het geval zou zijn geweest.
De op te leggen straf
Gezien de ernst van de gepleegde feiten, in het bijzonder de enorme hoeveelheid drugs die verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad en zijn grotere aandeel in het geheel ten opzichte van zijn ex-partner, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan alleen al voor het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden harddrugs, uit van langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
7.4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag van € 1.840,-- kan worden teruggegeven aan verdachte. Het geldbedrag van € 21.660,-- en de administratie zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.
7.4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.
7.4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen geldbedragen van € 21.610,--,
€ 1.840,-- en € 50,-- (onder respectievelijk de omschrijvingen ON2R024011_805723, PL0600-2024078859-G3157942 en ON2R024011_805841) en de administratie met goednummer G805731 moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen die aan verdachte toebehoren, de geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen en de administratie een voorwerp betreft met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: eenvoudig witwassen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
-
verklaart verbeurdde in beslag genomen voorwerpen, te weten de geldbedragen van
€ 21.610,--, € 1.840,--en
€ 50,--(onder respectievelijk de omschrijvingen ON2R024011_805723, PL0600-2024078859-G3157942 en ON2R024011_805841) en de
administratiemet goednummer G805731.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Heblij is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R024011, onderzoek AMOER24, gesloten op 3 oktober 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 3
1.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 42):
Op 19 februari 2024 kreeg ik het verzoek om naar een woning aan [adres 2] te gaan om daar te ondersteunen bij een doorzoeking. In de woning was in het schuurtje een drugslab aangetroffen. In de achtertuin van deze woning staat een schuurtje. In het schuurtje zag ik een opstelling die gebruikt kan worden om synthetische drugs te maken. Ik zag onder meer een rondbodemkolf en een vacuümpomp.
Op zolder waren twee collega’s bezig met een doorzoeking. Zij hadden daar onder meer zakken met kaliumhydroxide, flessen met fosforzuur en flessen met n-Heptaan aangetroffen. Kaliumhydroxide en fosforzuur kunnen gebruikt worden om synthetische drugs te maken.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 245):
Op 19 februari 2024 was ik aanwezig in het perceel [adres 2] . Op zolder werden verschillende goederen aangetroffen die vermoedelijk bestemd zijn voor het drugslab. Ook zijn hier veel lege verpakkingen aangetroffen.
3.
Het proces-verbaal van doorzoeking van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 179 en 212):
Op 19 februari 2024 werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven om het pand, [adres 2] , zijnde een woning, te doorzoeken.
Lijst met goederen welke door LFO zijn afgevoerd.
Zolder:
• 2 dozen met spuiten
• Sealapparaat
Schuur:
• Blauwe jerrycan 10l Natriumhupochloret
Lab opstelling:
• Jerrycan met heptaan (51) gevuld 1l
Tegen muur
• 3 jerrycans met water 11
• 2 jerrycan met rode vloeistof
Buiten achter afvalbakken
• Lege jerrycan blauw
• Jerrycans met rode vloeistof (basis PH12) afval, 9 stuks
• Jerrycans met blauwe vloeistof, 17 stuks
Uit hal bij voordeur woning
 2 jerrycans met gedistl water
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 252):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag onder andere de volgende documenten:
- Conversie van CBD naar THC met meerdere voorbeelden.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 265-267):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag onder andere een schrift. Verder zag ik dat er in het schrift het volgende geschreven stond:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Ik zag dat er nog twee documenten in het schrift zaten waarin verschillende benodigdheden/smaken zijn opgeschreven met een gelijkend handschrift.
6.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 553-554):
V: Er is een notitieblok aangetroffen (de rechtbank begrijpt: bij de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ). Wat kunt u hierover verklaren?
A: Die [e-mailadres 1] dat is wel mijn e-mailadres.
V: Wat kunt u hierover, afbeelding 2, verklaren?
[afbeelding]
V: Van wie is dat handschrift dan?
A: Van mij.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 274-275):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag dat er diverse documenten waren geschreven.
Benodigdheden
De hoeveelheid om +- 200 beren te maken.
De hoeveelheid om 400 beren te maken.
De hoeveelheden om 800 beren te maken.
Diverse benodigdheden.
Stappenplan & Attributen
Diverse stappen om tot een product te komen.
Diverse producten en een getekende condensor met de website van labdiscounter.nl.
Opstelling lab
Diverse tekeningen met daarop een tekening van een lab.
Een getekende klok.
Kosten/Prijzen
Een document met diverse kosten.
Een document met diverse hoeveelheden en bedragen die lijken op inkoop of verkoop.

8.Het proces-verbaal van het team landelijke faciliteit ontmantelen van

8 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 244):

Op 20 februari 2024 hebben wij geassisteerd bij een onderzoek aan hardware en etenswaren (snoepgoed) welke waren aangetroffen in een woning aan [adres 2] .
Eerste bevindingen
Wij werden in een schuur, behorende bij de woning, gewezen op een destillatieopstelling. Deze opstelling werd vermoedelijk gebruikt voor de extractie van THC-olie. In de woning waren diverse verpakkingsmaterialen, sealapparaten, snoepgoed en injectienaalden aangetroffen. Tevens werd er een volledige uitgeprinte THC-extractie “recept” in de keuken van de woning aangetroffen.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 412-420):
Op 27 februari 2024 heeft de afdeling Team Digitale Opsporing (TDO) van de Politie de gegevens van de telefoon, merk Motorola, die bij de verdachte, [verdachte] , [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , in gebruik en op 19 februari 2024 in beslaggenomen is, overgenomen en opgeslagen op een harddisk van het TDO.
Ik zag dat er één email account gekoppeld was aan de telefoon te weten:
[e-mailadres 2]
Mailwisseling:
Ik trof een aantal drugs gerelateerde e-mail berichten tussen de gebruiker [e-mailadres 2] en een aantal andere gebruikers.
Het gaat om de volgende berichten:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Zoekopdrachten:
Tussen alle zoekopdrachten bij website http://www.google.nl trof ik de volgende zoektermen met bijbehorende data aan:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 424-425 en 427):
Op 19 februari 2024 werd de telefoon, merk Samsung, bij de verdachte [medeverdachte] in gebruik, inbeslaggenomen.
Voorgenoemde telefoon is handmatig onderzocht.
Snoepgoed:
Ik trof een aantal afbeeldingen aan waarop bestellingen stonden van snoepgoed. Het ging om een bestelling van vijfentwintig kilo snoepgoed, nader te noemen bestelling 1, en een bestelling van vijf kilo snoepgoed, nader te noemen bestelling 2.
Bestelling 1 staat op naam van [medeverdachte] , [adres 2] . Ik zag dat de bestelling geplaatst was op 7 februari 2024.
Bestelling 2 staat op naam van [medeverdachte] . Ik zag dat de bestelling geplaatst was op
4 december 2023.
Labshop:
Ik trof twee screenshots aan van een bestelling die gedaan werd bij de website [internetsite] . Ik zag dat het om een bestelling ging van 5 liter n-Heptaan en één kilo Magnesiumsulfaat.
Ik zag dat de bestelling geplaatst was op 4 december 2023.
Feit 4

1.Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte] van

19 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 529):

Op 19 februari 2024 waren wij ter plaatse aan de [adres 2] (de rechtbank begrijpt: in [adres 2] ) en deed voor ons de deur open de bewoonster, [medeverdachte] . Wij zagen dat [medeverdachte] een keukenkasje opende en er ongeveer 40 toppen hennep uit haalde.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 219 en 224):
Op 19 februari 2024 werd er in de woning gelegen aan [adres 2] tijdens een doorzoeking het volgende aangetroffen:
Aangetroffen in de keuken, op de bar. Een glazen pot met blokken hasj. Brutogewicht hasj: 268 gram.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 377-378):
Op 19 februari 2024 werd er in de woning, gelegen aan [adres 2] , op diverse locaties substanties aangetroffen. Dit betrof hennep en hasj.
Ik, verbalisant, ben opgeleid als taak accenthouder hennep/hasj en heb hiertoe de opleiding gevolgd. In deze hoedanigheid ben ik veelvuldig in aanraking geweest met hennep en hasj. Ambtshalve is mij bekend wat de geur is van hennep en hasj, welke vorm en welke structuur deze heeft en kan ik goed vaststellen of iets hennep of hasj is of niet.
Herkennen hasj:
Ik heb de in beslag genomen zakjes met hasj geopend en heb gekeken en geroken aan de inhoud van de zakjes. Ik kon direct vaststellen dat alle zakjes gevuld waren met hasj zoals genoemd in Lijst II van de Opiumwet. De hasj had de typische geur, vorm en structuur die kenmerkend zijn voor dit middel. De hasj is gewogen op 268 gram brutogewicht.
Herkennen hennep:
Ik heb de in beslag genomen zak met hennep geopend en onderzocht. Ambtshalve is mij bekend wat de geur is van hennep, welke vorm en welke structuur deze heeft en kan ik goed vaststellen of iets hennep is of niet. Ik kon direct vaststellen dat de zak gevuld was met hennep zoals genoemd in Lijst II van de Opiumwet. De hennep is bruto gewogen op 42 gram.
Feit 5
1.
Het proces-verbaal van onderzoek met speurhond naar menselijke geur ten behoeve van forensische opsporing van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 226):
Op 20 februari 2024 heb ik, speurhond geleider, met de aan mij toevertrouwde gecertificeerde politiespeurhond geld ( [politiespeurhond] ) een onderzoek uitgevoerd te [adres 2] .
Locatie onderzoekAdres : [adres 2]
Plaats : [adres 2]
Verrichte werkzaamhedenMet [politiespeurhond] de woning doorzocht. Op de slaapkamer van de verdachte maakte [politiespeurhond] een melding op het nachtkastje naast het bed. In het nachtkastje, als men de onderste lade weghaalde, heb ik een soort van dubbele bodem aangetroffen. Hierin lagen enkele bundels met geld. Later bleek het 21.660 euro te zijn.
2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juli 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat er op 19 februari 2024 in [adres 2] een bedrag van € 21.660,-- in de dubbele bodem van mijn nachtkastje lag. Ik heb dit geld daar zelf neergelegd.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R024011, onderzoek AMOER24, gesloten op