ECLI:NL:RBOVE:2026:4612

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
08-043657-25 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bezit en voorbereiding handel delta-8-THC en hasjiesj

De rechtbank Overijssel heeft op 28 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 39-jarige vrouw die samen met haar medeverdachte ruim 2 kilo delta-8-THC, hasjiesj en hennep in haar woning aanwezig had en voorbereidingshandelingen trof voor de productie en handel in delta-8-THC.

Tijdens een doorzoeking op 19 februari 2024 werden in de woning een destillatieopstelling, chemicaliën, verpakkingsmateriaal, grote hoeveelheden snoep met delta-8-THC en documenten met productie-instructies aangetroffen. De verdachte voerde administratieve taken uit, terwijl haar medeverdachte de praktische zaken regelde. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleegde in het bezit en de voorbereidingshandelingen, maar sprak haar vrij van productie, handel en witwassen wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de aanwezigheid van drugs in een woonomgeving met kinderen, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Zij legde een taakstraf van 240 uur op, met aftrek van tijd in verzekering, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen bezit en voorbereidingshandelingen met delta-8-THC en hasjiesj.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-043657-25 (P)
Datum vonnis: 28 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats 1] ,
wonende aan [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 juli 2026 en 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadslieden mr. J. Nijland en mr. J.C. Stam, advocaten in Borne, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met een ander:
feit 1:opzettelijk 2,237 kilogram delta-8-THC (lijst I van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad;
feit 2:opzettelijk delta-8-THC heeft geteeld, bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;
feit 3:voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in en/of productie van (snoep met daarin) delta-8-THC;
feit 4:opzettelijk 268 gram hasjiesj en 42 gram hennep (lijst II van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad;
feit 5:€ 21.660,-- heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
zij op of omstreeks 19 februari 2024 te Lent en/of Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,237 kg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
zij in of omstreeks de periode van 19 januari 2024 tot en met 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
zij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2023 tot en met 9 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (snoep met daarin) delta-8-THC, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
- haar, verdachtes, schuur ter beschikking te stellen en/of
- in die schuur een destillatieopstelling voorhanden te hebben en/of
- jerrycans, een rondbodemkolf, een vacuumpomp en/of een hoeveelheid kaliumhydroxide en/of fosfoorzuur en/of n-heptaan en/of een grote hoeveelheid snoep en/of injectienaalden en/of een sealapparaat en/of verpakkingsmateriaal en/of een THC extractie recept en/of notities (o.a. over benodigdheden om gummyberen te maken en/of met stappenplannen en/of een labopstelling en/of met kosten/prijzen) voorhanden te hebben en/of
- een geldbedrag van 21610 euro voorhanden te hebben;
4
zij op of omstreeks 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 268 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 42 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5
zij op of omstreeks 19 februari 2024 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een geldbedrag, te weten 21660 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.

3.De voorvragen

De verdediging heeft - conform haar op schrift gestelde en overgelegde pleitnota - op de terechtzitting van 7 juli 2026 een preliminair verweer gevoerd, met als strekking het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft daarop ter terechtzitting van 7 juli 2026 beslist waarbij het verweer ongegrond is verklaard. Ten aanzien van de overige voorvragen heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden. De pleegperiode onder feit 3 dient te worden ingekort van 4 december 2023 tot en met 19 februari 2024.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Voor de feiten 1 tot en met 4 geldt dat verdachte geen wetenschap van en geen beschikkingsmacht over de verdovende middelen in de woning had. Daarnaast kan het handelen van verdachte niet worden gekwalificeerd als medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. Het enkel kopen van snoep levert daarnaast geen bijdrage van voldoende gewicht op om van medeplegen te kunnen spreken. Ook bij feit 5 ontbreken de wetenschap en de beschikkingsmacht met betrekking tot het tenlastegelegde geldbedrag.
Verder dient het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024 (pagina 42 e.v. van het procesdossier) uitgesloten te worden van het bewijs, omdat de cautie niet aan verdachte is medegedeeld toen zij als verdachte werd aangemerkt en evenmin toen zij werd aangehouden. Dit is een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In dit proces-verbaal is geverbaliseerd dat verdachte heeft verklaard “dat er allemaal drugs in de diepvries lag”, maar verdachte stelt zich op het standpunt dat zij dit niet heeft gezegd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feiten 1, 2, 3 en 4: verdovende middelen
4.3.1.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Aanleiding
Op 19 februari 2024 wordt [medeverdachte] - de toenmalige partner van verdachte - in zijn auto aangetroffen op de parkeerplaats hij [bedrijf] in [plaats] . Achterin de auto van verdachte staan vier bigshoppers gevuld met snoepzakjes die delta-8-THC bevatten. Naar aanleiding hiervan vindt op diezelfde dag een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en [medeverdachte] , gelegen aan [adres 2] . Daarbij worden verschillende verdovende middelen en andere voorwerpen aangetroffen, zoals hieronder toegelicht.
Delta-8-THC
In de schuur in de achtertuin van de woning wordt een destillatieopstelling aangetroffen die gebruikt kan worden voor de extractie van THC-olie en de productie van synthetische drugs. In en rondom de schuur staan jerrycans opgeslagen. Op de zolder van de woning liggen zakken met kaliumhydroxide, flessen gevuld met fosforzuur en n-Heptaan, lege snoepverpakkingen, dozen met spuiten (injectienaalden) en een sealapparaat. In de vriezer wordt 434,55 gram aan middelen bevattende delta-8-THC aangetroffen. Een Albert Heijn tas - bij het kinderspeelgoed - in de woonkamer blijkt ook te zijn gevuld met 1,822 kilogram aan
delta-8-THC bevattende snoepzakjes. Daarnaast worden diverse documenten in de woning aangetroffen, waaronder een THC-extractie recept en schriften met daarin notities van (onder meer) lijstjes met benodigdheden, stappenplannen, lab tekeningen en diverse kosten en prijzen, alsmede handgeschreven lijsten van allerlei soorten snoep. Een deel van die notities is opgeschreven in het handschrift van verdachte.
Op de telefoon van [medeverdachte] is een mailwisseling aangetroffen, gevoerd in januari 2024, waarin hij communiceert over het afnemen van een grote hoeveelheid terpenen van hennep/cannabis. In dat mailcontact schrijft [medeverdachte] ook dat hij vaker CBD isolaat koopt. Daarnaast zijn met die telefoon Google-zoekopdrachten verricht in januari en februari 2024 zoals “buisventilator”, “injectienaalden”, “hennep terpenen”, “D9 destilaat” en “terpenen toevoegen hasj”.
Op de telefoon van verdachte worden afbeeldingen van bestellingen van grote hoeveelheden snoepgoed, n-Heptaan en magnesiumsulfaat aangetroffen. Deze bestellingen staan op haar naam. De eerste bestellingen dateren van 4 december 2023.
Hasjiesj en hennep
Tijdens de doorzoeking wordt in de keuken 268 gram hasjiesj en 42 gram hennep aangetroffen. De hennep wordt door verdachte aan de politie overhandigd.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat zij niets af wist van de in haar woning aangetroffen verdovende middelen en overige goederen. De grote hoeveelheid snoepgoed die zij bestelde, was bedoeld als traktatie voor aankomende verjaardagen.
4.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank
Feiten 1 en 4: het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen
De rechtbank stelt voorop dat voor het ‘aanwezig hebben’ - als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet - is vereist dat de verdovende middelen zich binnen de machtssfeer van verdachte bevonden en dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
Als uitgangspunt geldt dat verdachte als één van de hoofdbewoners van de woning de beschikkingsmacht heeft over en wetenschap heeft van de spullen die zich daarin bevinden. De verdovende middelen lagen deels in het zicht, in algemeen toegankelijke ruimtes waarvan dagelijks gebruik wordt gemaakt, namelijk de keuken en de woonkamer, waaronder de speelhoek van de kinderen. Verdachte kon dus over deze goederen beschikken. Dit volgt te meer uit het feit dat zij de hennep(toppen) op vordering van de politie eigenhandig aan de agenten heeft overgedragen. Gelet hierop volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de delta-8-THC, hasjiesj en hennep in haar woning.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] , medehoofdbewoner van de woning, het ten laste gelegde onder 1 en 4 heeft begaan.
Nu de bewezenverklaring niet is gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen waar het vormverzuim-verweer van de verdediging betrekking op heeft, zal de rechtbank dit verweer onbesproken laten.
Feit 2: vrijspraak van productie en handel in delta-8-THC
Ondanks het aantreffen van het bovengenoemde drugslaboratorium, de verdovende middelen en de overige attributen en stoffen in de woning van verdachte, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte het drugslaboratorium daadwerkelijk heeft gebruikt om delta-8-THC te produceren of daarin heeft gehandeld en/of met het oog daarop drugs heeft vervoerd of afgeleverd. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de ten laste gelegde handelingen onder 2 en zal verdachte daarom vrijspreken voor dat feit.
Feit 3: voorbereidingshandelingen
Voor het voorhanden hebben van goederen ten behoeve van de productie van delta-8-THC geldt dat voor een bewezenverklaring vastgesteld moet kunnen worden dat de in de woning aangetroffen stoffen en goederen in de machtssfeer van verdachte zijn geweest en dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die goederen bestemd waren voor de productie van en/of handel in delta-8-THC. De rechtbank is van oordeel dat aan die vereisten is voldaan en dat verdachte en [medeverdachte] ook wisten dat die goederen bestemd waren voor het productieproces van delta-8-THC. De rechtbank wijst in dat kader in het bijzonder op de omstandigheid dat zij alle middelen voor het productieproces in huis hadden; van een THC-extractie recept tot de benodigdheden voor het drugslab en verpakkingsmateriaal. Deze goederen bevonden zich verspreid door de woning op - voor verdachte - algemeen toegankelijke plekken. Het aantreffen van de bovengenoemde goederen kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.
De verklaring van verdachte, dat zij geen weet had van de in de woning aangetroffen goederen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Die verklaring is onaannemelijk, gelet op hetgeen in overvloed is aangetroffen op veel verschillende plekken in de woning, de online bestellingen die zij heeft verricht en haar aantekeningen in het bij de doorzoeking aangetroffen schrift. Aan de hand van het voornoemde mailcontact en de zoekopdrachten op de telefoon van [medeverdachte] , in combinatie met de online bestellingen op de telefoon van verdachte en alle goederen die zijn aangetroffen in de woning, stelt de rechtbank dan ook vast dat zij zich samen bezig hielden met het (voorgenomen) productieproces. De rechtbank is - op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden - van oordeel dat verdachte voorbereidingen trof om zelf snoepgoed met daarin delta-8-THC te produceren en te verhandelen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de (mede)daders. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, dient rekening te worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en het belang van de rol van verdachte.
De rechtbank is - gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden - van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . In de eerste plaats zijn niet alleen in de schuur, maar ook in de gezamenlijke woning op allerlei plekken goederen en stoffen aangetroffen die gerelateerd zijn aan de voorbereiding van het produceren van (snoep met daarin) delta-8-THC. Daarnaast blijkt dat ook sprake was van een bepaalde taakverdeling tussen hen. Verdachte voerde daarbij de administratieve taken uit (online bestellingen en schriftelijke administratie) en [medeverdachte] regelde de praktische zaken (drugslab opbouwen, goederen afleveren, contact met derden). De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is geweest van een intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan de voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in delta-8-THC.
De rechtbank acht het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Periode
Over de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat het dossier wettig en overtuigend bewijs bevat dat er vanaf 4 december 2023 voorbereidingen zijn getroffen voor de productie van delta-8-THC. Op deze datum zijn door verdachte de eerste bestellingen geplaatst van een grote hoeveelheid snoepgoed, n-Heptaan en magnesiumsulfaat. De rechtbank zal de periode van 4 december 2023 tot en met 19 februari 2024 daarom bewezen verklaren ten aanzien van feit 3.
4.3.2
Feit 5: vrijspraak van witwassen
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er bij de doorzoeking in de woning van verdachte een contant geldbedrag ter hoogte van € 21.660,-- is aangetroffen. Dit geldbedrag bevond zich in een dubbele bodem in een nachtkastje in de slaapkamer, links van het bed. Verdachte heeft verklaard dat zij geen wetenschap had van dat geldbedrag en dat zij altijd aan de rechterkant van het bed slaapt.
Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van dit geldbedrag in haar woning. Hierbij weegt de rechtbank mee dat het geldbedrag lag opgeslagen op een moeilijk vindbare plek in het nachtkastje van [medeverdachte] . Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte enige betrokkenheid had bij het aangetroffen geldbedrag. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat aan verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 3 en 4 heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op
of omstreeks19 februari 2024 te
Lent en/ofAlmelo
, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,237 kg
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende delta-8-THC, zijnde delta-8-THC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
zij in
of omstreeksde periode van
28 augustus4 december 2023 tot en met 19 februari 2024 te Almelo,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde
of vijfdelid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (snoep met daarin) delta-8-THC,
in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en
/ofeen ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan
hijzij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
- haar, verdachtes, schuur ter beschikking te stellen en/of
- in d
ie schuur een destillatieopstelling voorhanden te hebben en
/of
- jerrycans, een rondbodemkolf, een vacuumpomp en
/ofeen hoeveelheid kaliumhydroxide en
/offosfoorzuur en
/ofn-heptaan en
/ofeen grote hoeveelheid snoep en
/ofinjectienaalden en
/ofeen sealapparaat en
/ofverpakkingsmateriaal en
/ofeen THC extractie recept en
/ofnotities (o.a. over benodigdheden om gummyberen te maken en
/ofmet stappenplannen en
/ofeen labopstelling en
/ofmet kosten/prijzen) voorhanden te hebben
en/of
- een geldbedrag van 21610 euro voorhanden te hebben;
4.
zij op
of omstreeks19 februari 2024 te Almelo
, althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer268 gram
, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramvan een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en
/of ongeveer42 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep, zijnde hasjiesj en
/ofhennep, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
7.2
Het standpunt van de verdediging
In het geval van een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht om - gelet op de aard van de feiten en op soortgelijke zaken - in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen die de duur van de inverzekeringstelling van verdachte te boven gaat. Bij de strafoplegging dient in strafmatigende zin rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar strafblad, de inhoud van het reclasseringsrapport en de overschrijding van de redelijke termijn. Verder is (subsidiair) verzocht het onder 4.2 bepleite vormverzuim in strafmatigende zin mee te wegen.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich - samen met haar toenmalige partner - schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ruim twee kilo delta-8-THC (zijnde harddrugs) en kleinere hoeveelheden hasjiesj en hennep. De harddrugs - eruitziend en verpakt als onschuldige snoepjes - lagen voor het grijpen in haar woning, terwijl haar jonge kinderen daar ook verbleven. Zo lag er een tas met vele zakjes delta-8-THC bevattende snoepjes naast het speelgoed van de kinderen. Dit acht de rechtbank zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en productie van snoep met daarin delta-8-THC, waarbij zij chemicaliën en materialen in een woonwijk aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft met haar handelen kennelijk financieel gewin voor ogen gehad en zich niet bekommerd om de schadelijke en nadelige effecten van drugs en de criminaliteit die gepaard gaat met de handel hierin. Drugscriminaliteit zorgt voor een ondermijning van de samenleving, omdat (ernstig) geweld in het drugscircuit niet wordt geschuwd. Dit zorgt voor grote onrust en versterkt gevoelens van onveiligheid, temeer als er tevens sprake is van activiteiten gericht op productie van drugs in de directe woonomgeving. Bovendien heeft verdachte geen verantwoordelijkheid voor haar handelen getoond, nu zij de feiten stellig blijft ontkennen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte recent niet is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 november 2025. Daarin is te lezen dat de situatie van verdachte betreffende huisvesting en financiën momenteel stabiel is. Er is geen sprake van drugsgebruik. Vanwege de proceshouding van verdachte kan de reclassering geen verbanden leggen tussen de delicten en eventuele criminogene factoren. In geval van een bewezenverklaring zouden de toenmalige relatie en de financiën kunnen worden aangemerkt als delict gerelateerde factoren. Het recidiverisico wordt echter ingeschat als laag. De reclassering acht interventies vanuit de reclassering niet nodig en adviseert - bij een veroordeling - een straf zonder bijzondere voorwaarden. Mocht verdachte binnen afzienbare tijd weer in aanraking komen met justitie, wegens een soortgelijk delict, dan zal worden heroverwogen of reclasseringsinterventies nodig zijn. Verder acht de reclassering oplegging van een gevangenisstraf niet wenselijk, gelet op de situatie van verdachte als alleenstaande moeder in een particuliere huurwoning met een bijstandsuitkering.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Op 20 februari 2024 is verdachte in verzekering gesteld. Op die datum heeft de vervolging van verdachte een aanvang genomen en is de redelijke termijn gaan lopen. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die dergelijke lange duur rechtvaardigen. Bij eindvonnis van heden bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn ruim vijf maanden. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door te kiezen voor een andere strafmodaliteit dan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank zou hebben opgelegd zonder deze termijnoverschrijding.
De op te leggen straf
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte (met name de zorg voor haar minderjarige dochters) en haar kleinere rol in het geheel ten opzichte van die van haar ex-partner.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderd veertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderd twintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Heblij is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R024011, onderzoek AMOER24, gesloten op 3 oktober 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1
1.
Het proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 388-389):
Het tweede onderzoek, de woning aan [adres 2]
Nummer verloop van de BVH-goednummers naar de NFl-nummering.
Van alle inbeslaggenomen goederen werden 4 goederen voor onderzoek naar het NFI opgestuurd. Dit zijn de onderstaande 4 goederen:
BVH Goednummer:
• G3189892 (A.02.08.001), aangetroffen in de Keuken, vriezer bovenste lade
De bovengenoemde vier goederen met de G-nummers werden door de afdeling Forensisch Onderzoek van de politie, omgezet naar een ander AARE Uniek nummer namelijk:
• G3189892 => AARE3696NL
De bovengenoemde vier goederen met de AARE-nummers werden door de afdeling Nederlands Forensisch Instituut (NFI), omgezet naar een ander AAQF Uniek voorwerp namelijk:
• AARE3696NL => AAQF2917NL
2.
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 402-403):
Ontvangen onderzoeksitemsDe volgende onderzoeksitems zijn aangeboden voor onderzoek:
Uniek Voorwerp : AARE3696NL
BVH Goednummer : G3189892
Object : (…) met daarbij een bruin gekleurde kleverige substantie
Nettogewicht : 434,55 gram
3.
Het NFI-rapport van 20 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 410-411):
Resultaten
De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in tabel 1.
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat
[afbeelding]
[afbeelding]
Conclusie
In het onderzoeksmateriaal zijn delta-8-THC en een lage concentratie delta-9-THC aangetoond.
Delta-8-THC is een isomeer van delta-9-THC. Delta-9-THC is een andere benaming voor THC en is als tetrahydrocannabinol vermeld op lijst I van de Opiumwet. De isomeren en stereoisomeren van tetrahydrocannabinol, waaronder delta-8-THC, vallen ook onder lijst I van de Opiumwet.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 291, 335 en 337-339):
Op 19 februari 2024 was ik, verbalisant, op de locatie [adres 2] (de rechtbank begrijpt: de woning van verdachte in [adres 2] ). Tijdens mijn aanwezigheid in de woning zag ik een hoeveelheid drugs opgestapeld, tussen en gemengd met het kinderspeelgoed. Zie hiervoor foto 43, 45, 46, 47. Op foto 45 en 46 is een blauwe Albert Heijn tas te zien. In deze tas zaten de goederen zoals afgebeeld en gefotografeerd op foto 43 en 47.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
5.
Het NFI-rapport van 2 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 367-368):
5 Resultaten
De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in tabel 2.
[afbeelding]
6 Conclusie
In het onderzoeksmateriaal [AARE3693NL] is delta-8-THC aangetoond.
Delta-8-THC is een isomeer van delta-9-THC. Delta-9-THC is een andere benaming voor THC en is als tetrahydrocannabinol vermeld op lijst I van de Opiumwet. De isomeren en stereoisomeren van tetrahydrocannabinol vallen ook onder lijst I van de Opiumwet, daarom valt delta-8-THC ook onder lijst I van de Opiumwet.
Het onderzoeksmateriaal [AARE3693NL] is daarmee een preparaat dat de Opiumwetsubstantie delta-8-THC bevat.
Feit 3
1.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 42):
Op 19 februari 2024 kreeg ik het verzoek om naar een woning aan [adres 2] te gaan om daar te ondersteunen bij een doorzoeking. In de woning was in het schuurtje een drugslab aangetroffen. In de achtertuin van deze woning staat een schuurtje. In het schuurtje zag ik een opstelling die gebruikt kan worden om synthetische drugs te maken. Ik zag onder meer een rondbodemkolf en een vacuümpomp.
Op zolder waren twee collega’s bezig met een doorzoeking. Zij hadden daar onder meer zakken met kaliumhydroxide, flessen met fosforzuur en flessen met n-Heptaan aangetroffen. Kaliumhydroxide en fosforzuur kunnen gebruikt worden om synthetische drugs te maken.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 245):
Op 19 februari 2024 was ik aanwezig in het perceel [adres 2] . Op zolder werden verschillende goederen aangetroffen die vermoedelijk bestemd zijn voor het drugslab. Ook zijn hier veel lege verpakkingen aangetroffen.
3.
Het proces-verbaal van doorzoeking van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 179 en 212):
Op 19 februari 2024 werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven om het pand, [adres 2] , zijnde een woning, te doorzoeken.
Lijst met goederen welke door LFO zijn afgevoerd.
Zolder:
a. 2 dozen met spuiten
b. Sealapparaat
Schuur:
c. Blauwe jerrycan 10l Natriumhupochloret
Lab opstelling:
d. Jerrycan met heptaan (51) gevuld 1l
Tegen muur
e. 3 jerrycans met water 11
f. 2 jerrycan met rode vloeistof
Buiten achter afvalbakken
g. Lege jerrycan blauw
h. Jerrycans met rode vloeistof (basis PH12) afval, 9 stuks
i. Jerrycans met blauwe vloeistof, 17 stuks
Uit hal bij voordeur woning
 2 jerrycans met gedistl water
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 252):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag onder andere de volgende documenten:
- Conversie van CBD naar THC met meerdere voorbeelden.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 265-267):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag onder andere een schrift. Verder zag ik dat er in het schrift het volgende geschreven stond:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Ik zag dat er nog twee documenten in het schrift zaten waarin verschillende benodigdheden/smaken zijn opgeschreven met een gelijkend handschrift.
6.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 20 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 553-554):
V: Er is een notitieblok aangetroffen (de rechtbank begrijpt: bij de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ). Wat kunt u hierover verklaren?
A: Die [e-mailadres 2] dat is wel mijn e-mailadres.
V: Wat kunt u hierover, afbeelding 2, verklaren?
[afbeelding]
V: Van wie is dat handschrift dan?
A: Van mij.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 274-275):
Ik onderzocht de aangetroffen documenten met betrekking tot het lab. Deze documenten werden bij de zoeking (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking in de woning, gelegen aan [adres 2] ) aangetroffen en in beslag genomen. Door mij werd het navolgende bevonden:
Ik zag dat er diverse documenten waren geschreven.
Benodigdheden
De hoeveelheid om +- 200 beren te maken.
De hoeveelheid om 400 beren te maken.
De hoeveelheden om 800 beren te maken.
Diverse benodigdheden.
Stappenplan & Attributen
Diverse stappen om tot een product te komen.
Diverse producten en een getekende condensor met de website van labdiscounter.nl.
Opstelling lab
Diverse tekeningen met daarop een tekening van een lab.
Een getekende klok.
Kosten/Prijzen
Een document met diverse kosten.
Een document met diverse hoeveelheden en bedragen die lijken op inkoop of verkoop.

8.Het proces-verbaal van het team landelijke faciliteit ontmantelen van

8 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 244):

Op 20 februari 2024 hebben wij geassisteerd bij een onderzoek aan hardware en etenswaren (snoepgoed) welke waren aangetroffen in een woning aan [adres 2] .
Eerste bevindingen
Wij werden in een schuur, behorende bij de woning, gewezen op een destillatieopstelling. Deze opstelling werd vermoedelijk gebruikt voor de extractie van THC-olie. In de woning waren diverse verpakkingsmaterialen, sealapparaten, snoepgoed en injectienaalden aangetroffen. Tevens werd er een volledige uitgeprinte THC-extractie “recept” in de keuken van de woning aangetroffen.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 412-420):
Op 27 februari 2024 heeft de afdeling Team Digitale Opsporing (TDO) van de Politie de gegevens van de telefoon, merk Motorola, die bij de verdachte, [medeverdachte] , [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 te [geboorteplaats 2] , in gebruik en op 19 februari 2024 in beslaggenomen is, overgenomen en opgeslagen op een harddisk van het TDO.
Ik zag dat er één email account gekoppeld was aan de telefoon te weten:
[e-mailadres 1]
Mailwisseling:
Ik trof een aantal drugs gerelateerde e-mail berichten tussen de gebruiker [e-mailadres 1] en een aantal andere gebruikers.
Het gaat om de volgende berichten:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Zoekopdrachten:
Tussen alle zoekopdrachten bij website http://www.google.nl trof ik de volgende zoektermen met bijbehorende data aan:
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 424-425 en 427):
Op 19 februari 2024 werd de telefoon, merk Samsung, bij de verdachte [verdachte] in gebruik, inbeslaggenomen.
Voorgenoemde telefoon is handmatig onderzocht.
Snoepgoed:
Ik trof een aantal afbeeldingen aan waarop bestellingen stonden van snoepgoed. Het ging om een bestelling van vijfentwintig kilo snoepgoed, nader te noemen bestelling 1, en een bestelling van vijf kilo snoepgoed, nader te noemen bestelling 2.
Bestelling 1 staat op naam van [verdachte] , [adres 2] . Ik zag dat de bestelling geplaatst was op 7 februari 2024.
Bestelling 2 staat op naam van [verdachte] . Ik zag dat de bestelling geplaatst was op
4 december 2023.
Labshop:
Ik trof twee screenshots aan van een bestelling die gedaan werd bij de website [internetsite] . Ik zag dat het om een bestelling ging van 5 liter n-Heptaan en één kilo Magnesiumsulfaat.
Ik zag dat de bestelling geplaatst was op 4 december 2023.
Feit 4

1.Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] van

19 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 529):

Op 19 februari 2024 waren wij ter plaatse aan [adres 2] (de rechtbank begrijpt: in [adres 2] ) en deed voor ons de deur open de bewoonster, [verdachte] . Wij zagen dat [verdachte] een keukenkasje opende en er ongeveer 40 toppen hennep uit haalde.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 219 en 224):
Op 19 februari 2024 werd er in de woning gelegen aan [adres 2] tijdens een doorzoeking het volgende aangetroffen:
Aangetroffen in de keuken, op de bar. Een glazen pot met blokken hasj. Brutogewicht hasj: 268 gram.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 377-378):
Op 19 februari 2024 werd er in de woning, gelegen aan [adres 2] , op diverse locaties substanties aangetroffen. Dit betrof hennep en hasj.
Ik, verbalisant, ben opgeleid als taak accenthouder hennep/hasj en heb hiertoe de opleiding gevolgd. In deze hoedanigheid ben ik veelvuldig in aanraking geweest met hennep en hasj. Ambtshalve is mij bekend wat de geur is van hennep en hasj, welke vorm en welke structuur deze heeft en kan ik goed vaststellen of iets hennep of hasj is of niet.
Herkennen hasj:
Ik heb de in beslag genomen zakjes met hasj geopend en heb gekeken en geroken aan de inhoud van de zakjes. Ik kon direct vaststellen dat alle zakjes gevuld waren met hasj zoals genoemd in Lijst II van de Opiumwet. De hasj had de typische geur, vorm en structuur die kenmerkend zijn voor dit middel. De hasj is gewogen op 268 gram brutogewicht.
Herkennen hennep:
Ik heb de in beslag genomen zak met hennep geopend en onderzocht. Ambtshalve is mij bekend wat de geur is van hennep, welke vorm en welke structuur deze heeft en kan ik goed vaststellen of iets hennep is of niet. Ik kon direct vaststellen dat de zak gevuld was met hennep zoals genoemd in Lijst II van de Opiumwet. De hennep is bruto gewogen op 42 gram.