ECLI:NL:RBOVE:2026:4632

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
08-049406-24 en 10-121093-25 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 138 SrArt. 314a SvArt. 359 SvArt. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit professioneel vuurwerk en lokaalvredebreuk in stadion

De rechtbank Overijssel heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 34-jarige man die werd verdacht van drie feiten: voorbereidingshandelingen voor brandstichting, bezit van professioneel vuurwerk en lokaalvredebreuk in het Feijenoord-stadion.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het eerste feit wegens onvoldoende bewijs dat hij betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor brandstichting. Voor het tweede feit, het bezit van professioneel vuurwerk, werd verdachte deels veroordeeld: hij had twee stuks professioneel knalvuurwerk (shells) in bezit, maar werd vrijgesproken van het bezit van andere vuurwerksoorten en jerrycans die in de laadcabine lagen, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij hiervan op de hoogte was.

Het derde feit, lokaalvredebreuk door het betreden van het stadion ondanks een opgelegd stadionverbod, werd bewezen verklaard. Verdachte bekende dit feit en er was voldoende bewijs. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 32 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een geldboete van €225. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 dagen gevangenisstraf en een geldboete van €225 voor bezit van professioneel vuurwerk en lokaalvredebreuk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08-049406-24 en 10-121093-25 (P)
Datum vonnis: 7 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat in Deventer , naar voren is gebracht. De raadsman heeft zich enkel gesteld in de zaak met parketnummer 08-049406-24.

2.De tenlastelegging

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten van de zaak met parketnummer 08-049406-24 als feit 1 en feit 2 en het feit van de zaak met parketnummer 10-121093-25 als feit 3.
De verdenking komt er na aanpassing van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op 23 juni 2026, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte zich op 11 februari 2024 in Zwolle samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een (poging tot) brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing bij café [bedrijf 1] ;
feit 2:het voorhanden hebben van opzettelijk professioneel (knal)vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik;
en
feit 3:dat verdachte op 21 april 2025 huisvredebreuk heeft gepleegd door het Feijenoord-stadion te betreden terwijl aan hem een stadionverbod was opgelegd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten (poging) brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing in vereniging, door open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk en/of benzine, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan café [bedrijf 1] , gevestigd op/aan de [adres 2] , althans één of meer (omliggende) pand(en) geheel of gedeeltelijk zouden verbanden en/of vlam zouden vatten en daarvan algemeen gevaar voor voornoemd(e) pand(en), in elk geval algemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn en/of daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn, hetgeen het misdrijf van artikel 157 van Pro het wetboek van strafrecht oplevert, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- meerdere Shells/mortierbommen en/of één of meer Nitraten/bangers en/of een cobra 6, althans meerdere stukken vuurwerk en/of- één of meer jerrycans (geheel/gedeeltelijk) gevuld met brandbare vloeistof (Aspen 2) en/of- een rol tape en/of- een (gesloten) bestelbus (Mercedes-Benz, Sprinter, [kenteken] ) (met daarin voorgenoemde voorwerpen en waarmee verdachte en/of zijn mededaders naar, althans in de richting van, voornoemd pand op/aan de [adres 2] is/zijn gereden), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, voorwerpen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit;feit 2hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten- twee (2), althans één of meer stuks knalvuurwerk (shells/mortierbommen, lijst III) en/of- één of meer stuks knalvuurwerk voorhanden heeft gehad;
feit 3
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam in het besloten lokaal gelegen aan de Olympiaweg 50 (Feijenoordstadion) bij AZ en Go Ahead Eagles, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 8 maart 2024, de toegang tot het terrein van Nederlandse betaaldvoetbalbalorganisaties waar een voetbalwedstrijd of voetbalevenement plaatsvindt ontzegd voor de duur van 36 maanden.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit dat verdachte integraal van het onder feit 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde refereert hij zich wat betreft één stuk knalvuurwerk (een shell) aan het oordeel van de rechtbank. Van het overige moet verdachte partieel worden vrijgesproken.
Verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis worden verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen met hun voor- en/of achternaam aangeduid.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verbalisanten op 11 februari 2024 omstreeks 03:08 uur besluiten een witte Mercedes bus te controleren die in de binnenstad van [plaats 2] rijdt. Reden hiervoor is dat de bestuurder meerdere verkeersovertredingen begaat en de te naam gestelde van de bus in de buurt van [plaats 1] woont en antecedenten heeft op het gebied van voetbalgeweld. Verbalisanten zijn er bekend mee dat op 11 februari 2024 een wedstrijd tussen PEC Zwolle en Go Ahead Eagles zal plaatsvinden. Hierbij kunnen de spanningen hoog oplopen en in het verleden is het gebruik van vuurwerk niet geschuwd. Tijdens de controle blijkt [verdachte] de bestuurder van de bus te zijn en zit [medeverdachte 4] op de bijrijdersstoel. Wanneer voorin de bus wordt gekeken, wordt onder de bijrijdersstoel, een tweezitsbank, in een opslagbak een shell aangetroffen. Dit betreft illegaal professioneel vuurwerk. [verdachte] wordt aangehouden en vertelt dat er drie mannen in de laadcabine zitten. In de afgesloten laadcabine worden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangetroffen. In de laadcabine worden ook drie jerrycans van vijf liter ASPEN2, een zeer ontvlambaar goed, een rol tape en meerdere stuks illegaal (knal)vuurwerk (een shell, drie stuks DumBum 5g (nitraten/bangers) en een Cobra 6) aangetroffen.
Een week voorafgaand aan de aanhouding heeft een grote groep PEC Zwolle-supporters in [plaats 1] vernielingen aangericht in een supporterscafé van Go Ahead Eagles. Na de aanhouding vertelde [verdachte] dat hij inderdaad met een paar mannen vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] was gereden, dat de verbalisanten wel op de hoogte waren van wat er was gebeurd vorige week bij Go Ahead Eagles en dat zij daarom nu [plaats 2] even kwamen bezoeken. [verdachte] vertelde: “Je weet hoe dat gaat, zij doen wat en wij doen wat, er gaat zeker wat gebeuren, zo werkt dat gewoon”. Tijdens het doorzoeken van de telefoon van [verdachte] wordt een Snapchat-gesprek tussen [verdachte] en ene [alias] aangetroffen. In dit gesprek plaatst [verdachte] op 11 februari 2024 om 01:56 uur het volgende bericht: “
We zijn echt olle heb 15? Man in de bus. We gaan gas. café bij [bedrijf 2] . Brandbomme. Gas. Beloof je”. Gebleken is dat de plaats van aanhouding zich op 300 meter van café [bedrijf 1] , het supporterscafé van PEC Zwolle, aan de [adres 2] bevindt. Het café zelf bevindt zich op 84 meter van de [bedrijf 2] . Uit onderzoek verricht in het Basis Voorziening Informatie-Integrale Bevraging (BVI-IB) volgt dat de verdachten allen supporters van Go Ahead Eagles zijn.
Hoewel de hierboven beschreven omstandigheden erop wijzen dat er mogelijk een voornemen was bij verdachte om iets strafbaars te doen, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanwijzingen om vast te kunnen stellen dat hij al dan niet samen met de medeverdachten met de Mercedes bus vanuit [plaats 1] is afgereisd naar [plaats 2] om met de jerrycans, tape en/of het vuurwerk brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen bij café [bedrijf 1] aan de [adres 2] . [verdachte] ontkent dit ook stellig. [verdachte] heeft hierover onder meer verklaard dat hij in de avond van 10 op 11 februari 2024 carnaval heeft gevierd, alcohol heeft gedronken en op enig moment met zijn vriendin naar huis is gelopen. Eenmaal thuis besloot hij spontaan om met de medeverdachten een rondje te rijden in zijn werkbus en naar [plaats 2] te gaan. Er was geen plan om brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen bij café [bedrijf 1] in [plaats 2] .
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [verdachte] weliswaar de nodige vragen oproept in het licht van de eerder beschreven omstandigheden ten tijde van de controle en de aanhouding, maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat tussen [verdachte] en een of meer anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat [verdachte] opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het gronddelict, te weten brandstichting of een ontploffing teweegbrengen. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
[verdachte] heeft bekend dat hij het onder feit 2 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit, met uitzondering van hetgeen hieronder wordt overwogen. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] tot een bewezenverklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van [verdachte] , afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026;
het proces-verbaal van onderzoek aan het in beslag genomen vuurwerk, pagina 187, inclusief bijlagen, pagina’s 192 en 193, van 14 maart 2024.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan tussen [verdachte] en een of meer andere personen voor wat betreft het voorhanden hebben van het professionele vuurwerk dat is aangetroffen in de Mercedes-bus, zodat de rechtbank [verdachte] hiervan zal vrijspreken. De rechtbank zal [verdachte] eveneens vrijspreken van een deel van het ten laste gelegde vuurwerk, te weten één stuk shell en meerdere stuks nitraten/bangers en één cobra. De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat de nitraten/bangers en de cobra in de laadcabine lag, vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 4] die heeft verklaard dat de nitraten/bangers en de cobra in de laadcabine van hem waren en dat hij dit vuurwerk erin heeft gestopt. Ten aanzien van de shell in de laadcabine ontkennen zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] te hebben geweten dat deze shell daar lag. Nu op basis van het dossier niet met zekerheid valt vast te stellen aan wie deze shell toebehoort of dat [verdachte] wist dat het in de laadcabine lag, zal de rechtbank [verdachte] ook hiervan moeten vrijspreken.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
[verdachte] heeft bekend dat hij het onder feit 3 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door [verdachte] ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [2] tot een bewezenverklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van [verdachte] , afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026;
het proces-verbaal van aanhouding van 21 april 2025, pagina’s 5 tot en met 7.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 2hij op 11 februari 2024 te Zwolle opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten twee stuks knalvuurwerk (shell/mortierbom, lijst III), voorhanden heeft gehad;
feit 3
hij op 21 april 2025 te Rotterdam in het besloten lokaal gelegen aan de Olympiaweg 50 (Feijenoord-stadion) bij AZ en Go Ahead Eagles, bij een ander dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 8 maart 2024, de toegang tot het terrein van Nederlandse betaald voetbalorganisaties waar een voetbalwedstrijd of voetbalevenement plaatsvindt ontzegd voor de duur van 36 maanden.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Het onder feit 3 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
feit 3
het misdrijf:
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
5.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie eist dat aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde wordt gekoppeld een ontzegging van de toegang tot alle voetbalwedstrijden en te houden voetbalevenementen waaraan een Nederlandse BVO of een vertegenwoordiger van de KNVB deelneemt. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde eist de officier van justitie een geldboete van € 225,--.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De verdediging heeft voor het overige geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 11 februari 2024 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, namelijk een shell/mortierbom (met een netto explosieve massa van 151 gram). Het is algemeen bekend dat het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk gevaar kan opleveren, vooral als het gaat om professioneel vuurwerk, dat een substantieel zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten verkocht mocht worden. Dit gevaar wordt nog groter nu zich in de laadcabine van de bus ook drie jerrycans met brandstof bevonden, wat bij een explosie zeer ontvlambaar is. Het gebied rondom een explosie van vuurwerk waarbinnen als gevolg van die explosie kans op letsel en materiële schade bestaat, wordt daarmee vergroot. De wetgever heeft de bedoeling gehad door middel van het Vuurwerkbesluit regels te maken om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de ongewenste effecten die vuurwerk kan veroorzaken en op die manier de illegale handel in vuurwerk te bestrijden. Verdachte heeft zich niet aan deze regels gehouden. Hij wist dat sprake was van illegaal vuurwerk, maar heeft dit vuurwerk toch in de bus meegenomen. De risico’s daarvan heeft verdachte voor lief genomen. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Daarnaast heeft verdachte op 21 april 2025 lokaalvredebreuk gepleegd. Hij was ongeoorloofd aanwezig bij een voetbalwedstijd, waarmee hij een door de KNVB opgelegd stadionverbod heeft overtreden. Dit is een ergerlijk feit en het zorgt voor overlast.
Verdachte was op de hoogte van het stadionverbod, maar is desondanks naar de wedstrijd gegaan. Hiermee heeft verdachte te kennen gegeven geen enkele boodschap te hebben aan het stadionverbod van de KNVB en, in het verlengde daarvan, het huisrecht van de KNVB. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat hij al eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapporten van 12 februari 2024, 8 maart 2024 en 11 juni 2026 en op wat verdachte op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard.
Verdachte is een nu 34-jarige man die samenwoont met zijn vriendin en haar negenjarige-dochter. Hij heeft een eigen bedrijf en ontvangt hieruit voldoende inkomsten om rond te kunnen komen. Alhoewel de reclassering zorgen heeft over het alcoholgebruik en de impulsiviteit van verdachte, schat de reclassering het risico op recidive in als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij voorwaarden (interventies of toezicht) niet nodig vindt.
De strafoplegging
De straf
De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de tijd die is verstreken sinds verdachte op
11 februari 2024 is aangehouden. De rechtbank houdt ook rekening met de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. Dit komt in totaal uit op 32 dagen. In positieve zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich sinds zijn schorsing op 14 maart 2024 heeft gehouden aan de voorwaarden waaronder zijn voorlopige hechtenis is geschorst. Hoewel het onder feit 2 gepleegde een gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet de rechtbank in de hierboven genoemde omstandigheden aanleiding om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte voor het feit 2 ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde acht de rechtbank, in lijn met de eis van de officier van justitie, de oplegging van een geldboete van € 225,-- op zijn plaats.
Stadionverbod?
De rechtbank ziet gelet op de vrijspraak voor het onder feit 1 ten laste geen aanleiding om aan verdachte een (strafrechtelijk) stadionverbod op te leggen.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde artikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24c en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2
het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
feit 3
het misdrijf:
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
32 (tweeëndertig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
- veroordeelt verdachte daarnaast tot betaling van
een geldboete van € 225,-- (tweehonderdvijventwintig euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
2 (twee) dagen;
opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis
-
hefthet (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis
opmet ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. M. ter Riet en mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Buiten staat
Mr. ter Riet en mr. Monincx zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met registratienummer PL0600-2024065290, van 13 februari 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met registratienummer PL1700-2025134773, van 22 april 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.