ECLI:NL:RBOVE:2026:4643

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
08-049418-24 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a SvArt. 157 SrArt. 1.2.2 VuurwerkbesluitArt. 9.2.2.1 Wet milieubeheerArt. 1a Wet economische delicten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak brandstichting, veroordeling voor bezit professioneel vuurwerk

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in de zaak tegen een 37-jarige man die werd verdacht van voorbereidingshandelingen voor brandstichting en het bezit van professioneel vuurwerk.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde voorbereidingsfeit tot brandstichting bij een café in Zwolle, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor een nauwe en bewuste samenwerking of opzet. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 11 februari 2024 professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in bezit had.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het gevaar van het illegale vuurwerk en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn medische situatie en het ontbreken van een strafblad. Gezien de omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 32 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest, zonder aanvullende voorwaarden of stadionverbod.

De rechtbank verklaarde het bewezen verklaarde strafbaar en veroordeelde verdachte overeenkomstig. Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging brandstichting en veroordeeld tot 32 dagen gevangenisstraf voor bezit professioneel vuurwerk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-049418-24 (P)
Datum vonnis: 7 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na aanpassing van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op 23 juni 2026, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte zich op 11 februari 2024 in Zwolle samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een (poging tot) brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing bij café [bedrijf 1] ;
feit 2:het voorhanden hebben van opzettelijk professioneel (knal)vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten (poging) brandstichting en/of het teweeg brengen van een ontploffing in vereniging, door open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk en/of benzine, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan café [bedrijf 1] , gevestigd op/aan de [adres 2] , althans één of meer (omliggende) pand(en) geheel of gedeeltelijk zouden verbanden en/of vlam zouden vatten en daarvan algemeen gevaar voor voornoemd(e) pand(en), in elk geval algemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn en/of daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn, hetgeen het misdrijf van artikel 157 van Pro het wetboek van strafrecht oplevert, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- meerdere Shells/mortierbommen en/of één of meer Nitraten/bangers en/of een cobra 6, althans meerdere stukken vuurwerk en/of- één of meer jerrycans (geheel/gedeeltelijk) gevuld met brandbare vloeistof (Aspen 2) en/of- een rol tape en/of- een (gesloten) bestelbus (Mercedes-Benz, Sprinter, [kenteken] ) (met daarin voorgenoemde voorwerpen en waarmee verdachte en/of zijn mededaders naar, althans in de richting van, voornoemd pand op/aan de [adres 2] is/zijn gereden), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, voorwerpen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit;feit 2hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten- twee (2), althans één of meer stuks knalvuurwerk (shells/mortierbommen, lijst III) en/of- één of meer stuks knalvuurwerk voorhanden heeft gehad;

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte integraal van het onder feit 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde refereert de verdediging zich wat betreft de cobra en het knalvuurwerk aan het oordeel van de rechtbank. Van het overige moet verdachte partieel worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis worden verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen met hun voor- en/of achternaam aangeduid.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verbalisanten op 11 februari 2024 omstreeks 03:08 uur besluiten een witte Mercedes bus te controleren die in de binnenstad van [plaats 1] rijdt. Reden hiervoor is dat de bestuurder meerdere verkeersovertredingen begaat en de te naam gestelde van de bus in de buurt van [plaats 2] woont en antecedenten heeft op het gebied van voetbalgeweld. Verbalisanten zijn er bekend mee dat op 11 februari 2024 een wedstrijd tussen PEC Zwolle en Go Ahead Eagles zal plaatsvinden. Hierbij kunnen de spanningen hoog oplopen en in het verleden is het gebruik van vuurwerk niet geschuwd. Tijdens de controle blijkt [medeverdachte 1] de bestuurder van de bus te zijn en zit [verdachte] op de bijrijdersstoel. Wanneer voorin de bus wordt gekeken, wordt onder de bijrijdersstoel, een tweezitsbank, in een opslagbak een shell aangetroffen. Dit betreft illegaal professioneel vuurwerk. [medeverdachte 1] wordt aangehouden en vertelt dat er drie mannen in de laadcabine zitten. In de afgesloten laadcabine worden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangetroffen. In de laadcabine worden ook drie jerrycans van vijf liter ASPEN2, een zeer ontvlambaar goed, een rol tape en meerdere stuks illegaal (knal)vuurwerk (een shell, drie stuks DumBum 5g (nitraten/bangers) en een Cobra 6) aangetroffen.
Een week voorafgaand aan de aanhouding heeft een grote groep PEC Zwolle-supporters in [plaats 2] vernielingen aangericht in een supporterscafé van Go Ahead Eagles
Na de aanhouding vertelde [medeverdachte 1] dat hij inderdaad met een paar mannen vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] was gereden, dat de verbalisanten wel op de hoogte waren van wat er was gebeurd vorige week bij Go Ahead Eagles en dat zij daarom nu [plaats 1] even kwamen bezoeken. [medeverdachte 1] vertelde: “Je weet hoe dat gaat, zij doen wat en wij doen wat, er gaat zeker wat gebeuren, zo werkt dat gewoon”. Een week voorafgaand aan de aanhouding heeft een grote groep PEC Zwolle-supporters in [plaats 2] vernielingen aangericht aan een supporterscafé van Go Ahead Eagles. Tijdens het doorzoeken van de telefoon van [medeverdachte 1] wordt een Snapchat-gesprek tussen [medeverdachte 1] en ene [alias] aangetroffen. In dit gesprek plaatst [medeverdachte 1] op 11 februari 2024 om 01:56 uur het volgende bericht: “
We zijn echt olle heb 15? Man in de bus. We gaan gas. café bij [bedrijf 2] . Brandbomme. Gas. Beloof je”. Gebleken is dat de plaats van aanhouding zich op 300 meter van café [bedrijf 1] , het supporterscafé van PEC Zwolle, aan de [adres 2] bevindt. Het café zelf bevindt zich op 84 meter van de [bedrijf 2] . Uit onderzoek verricht in het Basis Voorziening Informatie-Integrale Bevraging (BVI-IB) volgt dat de verdachten allen supporters van Go Ahead Eagles zijn.
Hoewel de hierboven beschreven omstandigheden erop wijzen dat er mogelijk een voornemen was bij verdachte om iets strafbaars te doen, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanwijzingen om vast te kunnen stellen dat hij al dan niet samen met de medeverdachten met de Mercedes-bus vanuit [plaats 2] is afgereisd naar [plaats 1] om met de jerrycans, tape en/of het vuurwerk brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen bij café [bedrijf 1] in [plaats 1] . [verdachte] ontkent dit ook stellig. Naar eigen zeggen heeft hij in de avond van 10 op 11 februari 2024 carnaval gevierd, alcohol gedronken en is hij op enig moment gevraagd om met de medeverdachten een rondje te rijden in de werkbus van [medeverdachte 1] . Hij wist niet dat zij naar [plaats 1] zouden gaan rijden. Er was geen plan om brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen bij café [bedrijf 1] in [plaats 1] . Hij wist niets van de shell onder de tweezitsbank. Het vuurwerk in de laadruimte was van hem. Hij heeft het erin gegooid voorafgaand aan het vertrek. Hij was van plan om voor de lol ergens af te steken. Hij wist niet dat zich jerrycans met ASPEN2 in de laadcabine bevonden. Hij wist ook niets van het door [medeverdachte 1] verzonden Snapchatbericht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [verdachte] weliswaar de nodige vragen oproept in het licht van de eerder beschreven omstandigheden ten tijde van de controle en de aanhouding, maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat tussen [verdachte] en een of meer anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat [verdachte] opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het gronddelict, te weten brandstichting of een ontploffing teweegbrengen. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
[verdachte] heeft bekend dat hij het onder feit 2 ten laste gelegde heeft gepleegd voor zover het ziet op het vuurwerk dat hij achterin de bus heeft gelegd. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsvrouw in zoverre van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] tot een bewezenverklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van [verdachte] , afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026;
het proces-verbaal verhoor van [verdachte] van 12 februari 2024, pagina 152;
het proces-verbaal van onderzoek aan het in beslag genomen vuurwerk, pagina 187, inclusief bijlagen, pagina’s 192 en 193, van 14 maart 2024.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan tussen [verdachte] en een of meer andere personen voor wat betreft het voorhanden hebben van het professionele vuurwerk dat is aangetroffen in de Mercedes-bus, zodat de rechtbank [verdachte] hiervan zal vrijspreken. De rechtbank zal [verdachte] eveneens vrijspreken van het voorhanden hebben van een deel van het ten laste gelegde vuurwerk, te weten twee stuks shell. De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat er een shell onder de bijrijdersstoel lag, vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 1] die heeft verklaard dat de shell onder de bank van hem was en dat hij die er al met oud en nieuw heeft ingelegd. Ten aanzien van de shell in de laadcabine ontkennen zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] te hebben geweten dat deze shell daar lag. Nu op basis van het dossier niet met zekerheid valt vast te stellen aan wie deze shell toebehoort of dat [verdachte] wist dat het in de laadcabine lag, zal de rechtbank [verdachte] ook hiervan vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 2hij op 11 februari 2024 te Zwolle, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten- meerdere stuks knalvuurwerk voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie eist dat aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde wordt gekoppeld een ontzegging van de toegang tot alle voetbalwedstrijden en te houden voetbalevenementen waaraan een Nederlandse BVO of een vertegenwoordiger van de KNVB deelneemt.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 11 februari 2024 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, namelijk meerdere stuks nitraten/bangers en een cobra. Het is algemeen bekend dat het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk gevaar kan opleveren, vooral als het gaat om professioneel vuurwerk, dat een substantieel zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten verkocht mag worden. Dit gevaar wordt nog groter nu zich in de laadcabine van de bus ook drie jerrycans met brandstof bevonden, wat bij een explosie zeer ontvlambaar is. Het gebied rondom een explosie van vuurwerk waarbinnen als gevolg van die explosie kans op letsel en materiële schade bestaat, wordt daarmee vergroot. De wetgever heeft de bedoeling gehad door middel van het Vuurwerkbesluit regels te maken om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de ongewenste effecten die vuurwerk kan veroorzaken en op die manier de illegale handel in vuurwerk te bestrijden. Verdachte heeft zich niet aan deze regels gehouden. Hij wist dat sprake was van illegaal vuurwerk, maar heeft dit vuurwerk toch in de bus meegenomen. De risico’s daarvan heeft verdachte voor lief genomen. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapporten van 12 februari 2024, 8 maart 2024 en 11 december 2025 en op wat verdachte op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard.
Verdachte is een nu 37-jarige man die samenwoont met zijn echtgenote. Hij heeft alle levensgebieden op orde, maar lijdt wel aan chronische medische problemen. Hij was werkzaam als automonteur, maar is om medische redenen afgekeurd en ontvangt een uitkering. Hij kan hiermee rondkomen. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij voorwaarden (interventies of toezicht) niet nodig vindt.
De strafoplegging
De straf
De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de tijd die is verstreken sinds verdachte op 11 februari 2024 is aangehouden. De rechtbank houdt ook rekening met de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. Dit komt in totaal uit op 32 dagen. In positieve zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich sinds zijn schorsing op 14 maart 2024 heeft gehouden aan de voorwaarden waaronder zijn voorlopige hechtenis is geschorst. Hoewel het onder feit 2 ten laste gelegde een gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet de rechtbank in de hierboven genoemde omstandigheden aanleiding om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte voor het feit 2 ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen met aftrek van het voorarrest.
Stadionverbod?
De rechtbank ziet gelet op de vrijspraak voor het onder feit 1 ten laste geen aanleiding om aan verdachte een (strafrechtelijk) stadionverbod op te leggen.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde artikelen.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2
het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
32 (tweeëndertig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis
-
hefthet (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis
opmet ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. M. ter Riet en mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Buiten staat
Mr. ter Riet en mr. Monincx zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met registratienummer PL0600-2024065290, van 13 februari 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.