ECLI:NL:RBOVE:2026:47

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/08/337949 / HA ZA 25-291
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechtbank in geschil tussen telecombedrijf en projectbureau met betrekking tot arbitragebeding

In deze zaak vordert Projectbureau Glasvezel B.V. (PBG) dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, op basis van een arbitragebeding. Direct Connect Telecom B.V. (DCT) betwist deze onbevoegdheid en stelt dat het arbitragebeding enkel betrekking heeft op de offerte en niet op de hoofdovereenkomst. De rechtbank heeft de vordering van PBG gedeeltelijk toegewezen, waarbij zij zich onbevoegd verklaart om van de vordering onder 1 in de hoofdzaak van DCT kennis te nemen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de overige vorderingen van DCT in de hoofdzaak. De zaak betreft een geschil over verschillende projecten en de toepasselijkheid van de UAV 2012, waarin een arbitragebeding is opgenomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vordering van DCT onder 1 betrekking heeft op de Prijsaanbieding voor het project in Emmen, waarop het arbitragebeding van toepassing is. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor deze vordering, maar is bevoegd om de overige vorderingen onder 2 tot en met 5 inhoudelijk te beoordelen. De beslissing is genomen op 7 januari 2026, waarbij DCT in de proceskosten is veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/337949 / HA ZA 25-291
Vonnis in incident van 7 januari 2026
in de zaak van
DIRECT CONNECT TELECOM B.V.,
te Gorredijk,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: DCT,
advocaat: mr. M.D. Bakker,
tegen
PROJECTBUREAU GLASVEZEL B.V.,
te Enschede,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: PBG,
advocaat: mr. R.W. Legters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 augustus 2025 met producties 1 tot en met 18 van DCT;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid met producties 1 tot en met 5 van PBG;
- de conclusie van antwoord in het incident met producties 19 tot en met 24 van DCT.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De samenvatting

2.1.
In dit incident vordert PBG dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Volgens PBG vloeit de onbevoegdheid van de rechtbank voort uit een arbitragebeding. Volgens DCT is de rechtbank wel bevoegd, omdat het arbitragebeding enkel ziet op de offerte en niet op de hoofdovereenkomst.
2.2.
De rechtbank wijst de vordering in het incident van PBG gedeeltelijk toe, in die zin dat zij zich onbevoegd verklaart om van de vordering onder 1. in de hoofdzaak van DCT kennis te nemen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de overige vorderingen van DCT in de hoofdzaak. De motivering van deze beslissing volgt hierna.

3.Het geschil

In de hoofdzaak
3.1.
DCT vordert – samengevat – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad PBG zal veroordelen tot:
1. betaling van € 56.744,32 voor het project in Emmen,
2. betaling van € 2.670,95 en € 963,20 voor het project in Delden,
3. betaling van € 2.110,45, € 2.124,60 en € 1.653,35 voor het project in Dronten,
4. betaling van € 2.551,70 en € 1.447,80 voor het project in Hengelo,
5. betaling van € 697,45 voor schadeherstel in Dronten,
6. de proceskosten en de nakosten,
een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
In het incident
3.2.
PBG vordert – samengevat – vóór alle weren, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd verklaart van het geschil tussen partijen kennis te nemen, met veroordeling van DCT in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
PBG heeft hieraan ten grondslag gelegd dat op de tussen beide partijen ondertekende prijsaanbieding van 23 juli 2024 (hierna: Prijsaanbieding) de UAV 2012 van toepassing is. In paragraaf 49 van de UAV 2012 staat dat de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA) bij uitsluiting van de gewone rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Volgens artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de rechtbank zich onbevoegd verklaren.
3.4.
DCT voert gemotiveerd verweer en concludeert – samengevat – tot afwijzing van de incidentele vordering van PBG, omdat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de dagvaardingsprocedure zoals ingeleid door DCT.
3.5.
DCT heeft daartoe aangevoerd dat de UAV 2012 alleen van toepassing is op de Prijsaanbieding. De Prijsaanbieding ziet op de prijs van de werkzaamheden, het type materiaal, de prijzen van dat materiaal en de hoeveelheid materiaal die gebruikt zal worden bij de uitvoering van de opdracht. In de hoofdzaak vordert DCT echter nakoming van de betalingsverplichting van PBG op grond van de op 21 december 2023 door partijen gemaakte werkafspraken (hierna: Hoofdovereenkomst). Daar grondt PBG haar verweer ook op. In de Hoofdovereenkomst is de UAV 2012 niet van toepassing verklaard en is geen arbitragebeding opgenomen. Ook heeft PBG nooit gewild dat geschillen uit de Hoofdovereenkomst voorgelegd kunnen worden aan de RvA, omdat PBG dat anders wel had bedongen. Daarom is de rechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.De beoordeling

In het incident
4.1.
Beoordeeld moet worden of de rechtbank bevoegd is om van de vorderingen van DCT in de hoofdzaak kennis te nemen.
4.2.
Op grond van artikel 42 Wet op de Rechtelijke Organisatie (RO) is de rechtbank in beginsel absoluut bevoegd kennis te nemen van alle burgerlijke vorderingen in eerste aanleg, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. Partijen kunnen op grond van artikel 1020 Rv bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen. Op grond van artikel 1021 Rv wordt een overeenkomst tot arbitrage bewezen door een geschrift. Uit artikel 1022 Rv volgt dat de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd verklaart indien een partij zich vóór alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is. Een overeenkomst tot arbitrage impliceert verder afstand van het recht om naar de overheidsrechter te gaan. Een dergelijke afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig geschieden.
4.3.
In de Prijsaanbieding is onder artikel 2 van de ‘COMMERCIËLE UITGANGSPUNTEN’ de volgende bepaling opgenomen:

2. Op onze prijsaanbieding is de UAV 2012 van toepassing.
4.4.
In paragraaf 49 van de UAV 2012 is het volgende arbitragebeding opgenomen:

1. Voor de beslechting van de in deze paragraaf bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.
2. Alle geschillen, welke ook – daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd – die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals dit drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt.
(…)”
4.5.
PBG heeft (tijdig, vóór alle weren) een beroep gedaan op het arbitragebeding.
4.6.
De rechtbank constateert dat de Prijsaanbieding (met het arbitragebeding) alleen betrekking heeft op het project in Emmen, waarop alleen de vordering van DCT onder 1. in de hoofdzaak ziet. In de onderwerpregel bij de Prijsaanbieding staat namelijk: “
Prijsaanbieding aanleg glasvezelnetwerk ten behoeve van 10 klantaansluitingen te Emmen”. De andere projecten (waarop de vorderingen onder 2. tot en met 5. in de hoofdzaak zien) worden niet in deze Prijsaanbieding genoemd en vloeien daar ook niet uit voort. Daarom zal de rechtbank de beoordeling van haar bevoegdheid hierna splitsen: eerst wordt de bevoegdheid over de vordering onder 1. in de hoofdzaak beoordeeld. Daarna wordt de bevoegdheid over de overige vorderingen (2. tot en met 5.) besproken.
De bevoegdheid van de rechtbank over de vordering onder 1. in de hoofdzaak
4.7.
Niet in geschil is dat het arbitragebeding in de UAV 2012 van toepassing is op de door beide partijen ondertekende Prijsaanbieding. Evenmin in geschil is dat op grond van het arbitragebeding de RvA bij uitsluiting bevoegd is bij geschillen over de Prijsaanbieding, en dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de Prijsaanbieding.
4.8.
De rechtbank constateert dat DCT haar vordering tegen PBG die ziet op het project in Emmen niet alleen heeft gegrond op nakoming van de Hoofdovereenkomst, maar ook op de Prijsaanbieding. Met de Prijsaanbieding zijn partijen immers een aanneemsom (van € 288.606,62) voor het project in Emmen overeengekomen, waarvan DCT (gedeeltelijk) betaling door PBG vordert. Ook is van belang dat partijen met de Prijsaanbieding van de Hoofdovereenkomst afwijkende afspraken over de facturatie en betaling van de facturen zijn overeengekomen. De advocaat van DCT heeft PBG bij brief van 2 mei 2025 ook gewezen op die afwijkende afspraken. Voorts acht de rechtbank van belang dat PBG in haar opdrachtverstrekking van 12 augustus 2024 (ten aanzien van het project in Emmen) aan DCT expliciet heeft verwezen naar de Prijsaanbieding. Onder ‘
Prijs afspraken’ staat namelijk het volgende: “
Voor deze werkzaamheden is een offerte getekend op 23-07-2024”.
4.9.
Voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren ten aanzien van de vordering onder 1. van DCT in de hoofdzaak. Dat betekent dat de incidentele vordering van PBG ten aanzien van die vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen.
De bevoegdheid van de rechtbank over de vorderingen onder 2. tot en met 5. in de hoofdzaak
4.10.
Zoals hiervoor is gebleken heeft de Prijsaanbieding – waaruit de toepasselijkheid van de UAV 2012 en daarmee het arbitragebeding voortvloeit – enkel betrekking op het project in Emmen. De vorderingen onder 2. tot en met 5. in de hoofdzaak zien op andere projecten: Delden, Dronten en Hengelo.
4.11.
De Hoofdovereenkomst is (kennelijk) een soort raamovereenkomst die betrekking heeft op de uitvoering van verschillende projecten. In de Hoofdovereenkomst staat geen bepaling waarin de UAV 2012 (met het arbitragebeding) van toepassing is verklaard. (Het arbitragebeding in) de Prijsaanbieding voor het project in Emmen is op 23 juli 2024 door beide partijen ondertekend. Dat is op een later moment dan wanneer de Hoofdovereenkomst is ondertekend, namelijk op 21 december 2023. Niet is gebleken dat partijen de toepasselijkheid van de UAV 2012 (met het arbitragebeding) ook hebben beoogd op de uitvoering van de Hoofdovereenkomst. De UAV 2012 kan niet met terugwerkende kracht van toepassing worden verklaard op de Hoofdovereenkomst die éérder tot stand is gekomen dan de Prijsaanbieding voor het project in Emmen. Bovendien is niet gesteld noch (op andere wijze) gebleken dat de UAV 2012 – die de onbevoegdheid van de rechtbank meebrengt – tevens geldt voor de andere projecten dan Emmen. Dat blijkt niet uit de door DCT overgelegde opdrachtverstrekkingen van PBG. In die opdrachtverstrekkingen wordt met betrekking tot de facturering alleen verwezen naar de PBG-prijzenlijst, maar ook daarin ontbreekt een (verwijzing naar een) arbitragebeding. Er zijn geen ‘geschriften’ (zoals andere prijsaanbiedingen/offertes) ingebracht waaruit de toepasselijkheid van de UAV 2012 op de andere projecten is af te leiden. [1]
4.12.
Op basis van de huidige door partijen in het geding (in zowel de hoofdzaak als het incident) gebrachte informatie en stukken, acht de rechtbank zich bevoegd om de vorderingen onder 2. tot en met 5. (inhoudelijk) te beoordelen. Gelet op de omvang van deze vorderingen, heeft de rechtbank het voornemen om, in het geval zij in beginsel bevoegd is om de vorderingen onder 2. tot en met 5. inhoudelijk te beoordelen, de zaak door te verwijzen naar de kantonrechter. [2] De rechtbank stelt partijen echter eerst in de gelegenheid om zich hierover bij akte uit te laten.
4.13.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal DCT worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident. Deze proceskosten worden aan de kant van PBG begroot op € 614,00 (1 punt x € 614,00).
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de hoofdzaak
4.15.
De rechtbank wijst de incidentele vordering van PBG (gedeeltelijk) toe, in die zin dat de rechtbank zich met betrekking tot de vordering onder 1. (die ziet op het project in Emmen) in de hoofdzaak onbevoegd zal verklaren.
4.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de incidentele vordering van PBG gedeeltelijk toe, voor zover deze ziet op onbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de vordering onder 1. in de hoofdzaak van DCT,
5.2.
veroordeelt DCT in de proceskosten in het incident, aan de zijde van PBG tot op heden begroot op € 614,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling in dit incident uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen voor zover dat ziet op de vordering onder 1. van DCT tot veroordeling van PBG tot betaling van € 56.744,32 (te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) voor het project in Emmen,
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 21 januari 2026voor akte uitlating door
beide partijenover hetgeen in rechtsoverweging 4.12. is vermeld,
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.

Voetnoten

1.Een arbitrageovereenkomst kan overeenkomstig artikel 1021 Rv enkel worden bewezen door een geschrift.
2.Op grond van artikel 93 sub a Rv.