Art. 6 WVW 1994Art. 19 RVV 1990Art. 1 lid 1 RVV 1990Art. 175 WVW 1994Art. 9 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor aanmerkelijke schuld bij verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel
Op 21 februari 2024 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval op de Enschedesestraat in Hengelo, waarbij een fietser zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte reed met een gemiddelde snelheid van 81,5 km/u, ruim boven de toegestane 50 km/u, en kon niet tijdig remmen toen de fietser overstak zonder voorrang te verlenen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, waardoor het ongeval aan zijn schuld te wijten is. Het letsel van het slachtoffer werd als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd, gezien de ernst en de medische ingrepen.
De verdediging voerde aan dat de snelheidsberekening onbetrouwbaar was en dat het ongeval onvermijdelijk was, maar deze verweren werden verworpen. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn schuldbewustzijn en psychische impact, legde de rechtbank een taakstraf van 90 uur op met 45 dagen vervangende hechtenis, zonder rijontzegging.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 uur taakstraf en 45 dagen vervangende hechtenis wegens aanmerkelijke schuld bij verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer : 08.085004.25 (P)
Datum vonnis : 3 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.Ü. Özsüren, advocaat in Harderwijk, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 februari 2024 in Hengelo als bestuurder van een personenauto:
Primair:een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht dan wel;
Subsidiair:gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd dan wel;
Meer subsidiair:een verkeersovertreding heeft begaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als
bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
Enschedesestraat,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het nacht was in de zin van artikel 1 lid 1 vanPro het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1900 en/of
terwijl de straatverlichting in werking was en/of
terwijl een bestuurder van een fiets de Enschedesestraat aan het oversteken was,
- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 81,5 km/uur, althans
met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende
maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen is gebotst tegen, althans
in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van die fiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] )
zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als
bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
Enschedesestraat,
terwijl het nacht was in de zin van artikel 1 lid 1 vanPro het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1900 en/of
terwijl de straatverlichting in werking was en/of
terwijl een bestuurder van een fiets de Enschedesestraat aan het oversteken was,
- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van (ongeveer) 81,5 km/uur, althans
met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende
maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen is gebotst tegen, althans
in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van die fiets,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als
bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar
verkeer openstaande weg, de Enschedesestraat, zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij
zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen gebotst tegen, althans in
aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van die fiets;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het rijgedrag van verdachte heeft geleid tot een ongeval waardoor bij een ander lichamelijk letsel is toegebracht. Het letsel van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, aldus de officier van justitie. Volgens hem is daarbij sprake van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het verweten strafbaar rijgedrag ontbreekt. Volgens de raadsman kan niet worden uitgegaan van de door de politie berekende snelheid van tussen de 69 en 97 km/u, omdat dit is berekend op basis van camerabeelden met een interval van 0,44 seconden in plaats van de vereiste 0,5 seconden. Daarnaast eindigt het traject waarover de snelheid is berekend circa 105 meter voor het botspunt. Bij de berekening op basis van een geluidsopname wordt voortgebouwd op deze ondeugdelijke basis. De snelheidsberekeningen (op basis van beelden en geluid) moeten dus buiten beschouwing worden gelaten, aldus de raadsman. Aangezien het dossier, behoudens die berekeningen, geen bewijs bevat dat de maximumsnelheid is overschreden, moet er vrijspraak volgen. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat het causale verband tussen de snelheid en het ongeval ontbreekt. [slachtoffer] stak plots de weg over en handelde daarbij in strijd met de voorrangsregeling. Verdachte had niet de tijd om hierop te reageren. Het ongeval was dan ook onvermijdelijk, zo volgt ook uit de vermijdbaarheidsanalyse.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feiten en omstandigheden
Op 21 februari 2024 vond op de Enschedesestraat in Hengelo, gemeente Hengelo, binnen de bebouwde kom, een verkeersongeval plaats. De Enschedesestraat is een voorrangsweg en de ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 50 km/u. Het was omstreeks 19.50 uur en donker. Er was werkende straatverlichting aanwezig. Het was regenachtig weer. Verdachte reed in een personenauto (Ford) op de Enschedesestraat, in de richting van Enschede.
Parallel aan de rijbaan ligt een fiets/bromfietspad. [slachtoffer] reed hier op zijn fiets. Hij reed in dezelfde richting als verdachte. Ter hoogte van de kruising van de Enschedesestraat met de Morshoekweg stak [slachtoffer] de rijbaan over. Hij verleende daarbij geen voorrang aan verdachte, waarna de linkerzijde van de fiets werd aangereden door de voorzijde van de personenauto. [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen.
In het ziekenhuis is vastgesteld dat [slachtoffer] onder meer schedelhersenletsel, een
schedelbasisfractuur, aangezichtsletsel met een kaakfractuur, een bekkenfractuur, een longcontusie, een breuk in het dijbeen en een breuk in de pols had opgelopen bij het verkeersongeval. Hij heeft hiervoor meerdere operaties/medische ingrepen moeten ondergaan. Ook heeft hij wekenlang in het ziekenhuis gelegen, waarvan de eerste vier weken op de IC-afdeling. Aansluitend is een revalidatietraject in [locatie] (voor intensieve neurorevalidatie) nodig geweest.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVWPro 1994, zoals primair ten laste is gelegd. Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVWPro 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WWWPro 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag?
De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in zijn algemeenheid een voortdurende plicht tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vereist. In de onderhavige verkeerssituatie mocht van verdachte extra voorzichtigheid worden verwacht, omdat het ten tijde van het ongeval donker en regenachtig was.
Verdachte heeft verklaard dat hij – in het zicht van de bebording einde van de bebouwde kom - aan het versnellen was, maar geen idee had hoe hard hij precies reed. Het enige wat hij weet is dat hij te hard reed. Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft, is van belang hoe hard hij heeft gereden. De politie heeft hier onderzoek naar gedaan. Allereerst heeft de politie aan de hand van videobeelden, afkomstig van een camera bevestigd aan een woning aan de [adres 2], een snelheid tussen de 69 en 97 km/u berekend. De rechtbank zal deze berekening die minder nauwkeurig is dan de snelheidsberekening op basis van geluid niet als bewijsmiddel gebruiken.
De politie heeft vervolgens de snelheid berekend aan de hand van een geluidsopname, waarvan voormelde videobeelden waren voorzien. Daarbij is het tijdsverloop (4,5 seconden) tussen het geluid van het laatste videobeeld waarop de personenauto zichtbaar is vergeleken met het geluid van de aanrijding dat eveneens op de video opname hoorbaar is. Dit is afgezet tegen de afgelegde afstand. Hieruit blijkt dat verdachte op het moment van de aanrijding met een gemiddelde snelheid van 81,5 km/u reed. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het hier wel om een valide berekening gaat. In dit verband overweegt de rechtbank dat de berekening op zichzelf staat en dus niet, zoals de raadsman meent, voortborduurt op de onvoldoende betrouwbare berekening aan de hand van videobeelden. De rechtbank verwerpt op dit punt dus het verweer van de raadsman en gaat uit van een gemiddelde snelheid van 81,5 km/u.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee niet alleen in ernstige mate de
maximumsnelheid binnen de bebouwde kom overschreden, maar reed hij ook veel harder
dan voor een veilige verkeerssituatie ter plaatse verantwoord en geboden was. Verdachte was, naar eigen zeggen, bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en wist dus dat hij een oversteekplaats naderde. Ook had hij een fietser (die later [slachtoffer] bleek te zijn) op het naastgelegen fietspad waargenomen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte er bij het naderen van de oversteekplaats rekening mee moeten houden dat de fietser zou kunnen oversteken en zijn rijgedrag daarop moeten aanpassen. Het feit dat verdachte op een voorrangsweg reed, maakt dit niet anders. Een bestuurder van een motorrijtuig die rijdt over een voorrangsweg mag er namelijk niet zonder meer op vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist voor hem de doorgang vrijlaat of (tijdig) vrijmaakt.
In plaats van te anticiperen op mogelijk overstekend verkeer is verdachte dusdanig gaan versnellen dat hij niet meer in staat was om, toen [slachtoffer] inderdaad overstak, zijn auto tijdig tot stilstand te brengen en een aanrijding met die [slachtoffer] te voorkomen. Door de raadsman is aangevoerd dat een aanrijding hoe dan ook niet voorkomen had kunnen worden. Ook niet als verdachte de maximumsnelheid van 50 km/u niet had overschreden. Uit onderzoek door de politie blijkt echter dat als verdachte met een snelheid van 50 km/u had gereden de oversteek van de fietser weliswaar net niet volledig was voltooid, echter kans dat de fietser bij die gereden snelheid was aangereden is nihil. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfouten en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat het aldus aan verdachtes schuld – in de zin van aanmerkelijke schuld – te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Letsel
Naar het oordeel van de rechtbank is het letsel van [slachtoffer] te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, in de zin van artikel 6 WVWPro 1994, mede gelet op de aard en de ernst ervan, de diverse operaties die hij heeft moeten ondergaan, het revalidatietraject en het feit dat van volledig herstel (nog) geen sprake is.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 februari 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Enschedesestraat,
aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het nacht was in de zin van artikel 1 lid 1 vanPro het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1900 en
terwijl de straatverlichting in werking was en
terwijl een bestuurder van een fiets de Enschedesestraat aan het oversteken was,
- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van 81,5 km/uur,
met een aanzienlijk hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende
maximumsnelheid van 50 km/uur en
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- zonder te remmen of anderszins snelheid te verminderen
in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en de bestuurder van die fiets,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] )
zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 WVWPro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestigdagen vervangende hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toe te passen. In dit verband heeft hij aangevoerd dat verdachte een first offender is, direct na het ongeval hulp heeft verleend, zwaar wordt belast door wat er is gebeurd en nadien actief heeft geprobeerd om contact te onderhouden met het slachtoffer. De doelen van vergelding en preventie zijn daarmee bereikt, aldus de raadsman. Hij heeft subsidiair, dus in het geval de rechtbank tot strafoplegging overgaat, nadrukkelijk verzocht om geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen en hoogstens een zeer beperkte geldboete.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft als bestuurder van een auto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft, binnen de bebouwde kom, met veel te hoge snelheid gereden, waardoor hij – toen [slachtoffer] op zijn fiets de weg overstak – niet op tijd kon remmen. Hij heeft [slachtoffer] aangereden en als gevolg daarvan heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Tijdens de zitting heeft [slachtoffer] verklaard dat het naar omstandigheden goed gaat, maar dat hij sinds het ongeval wel sneller moe is dan voorheen, niets meer ruikt en daar waar protheses zitten meer last heeft.
Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van artikel 9a Sr niet opportuun is.
De rechtbank zal verdachte een straf opleggen. Zij heeft bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hier geldt als uitgangspunt dat voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf van honderdtwintig uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden wordt opgelegd.
In deze zaak zijn er naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die aanleiding geven om ten gunste van verdachte van de oriëntatiepunten af te wijken.
Verdachte is zelf enorm geschrokken van het verkeersongeval en het ongeval heeft ook op verdachte een grote impact gehad. Verdachte heeft nadien last gehad van een paniekaanval in de auto en ongeveer anderhalf jaar lang nauwelijks gereden. Inmiddels rijdt verdachte wel weer, maar het oversteken van wegen roept nog steeds angstige gevoelens bij hem op. Hij is zelfs in behandeling geweest bij de GGZ. Verdachte heeft daarnaast uit eigen beweging contact opgenomen met het slachtoffer en geïnformeerd hoe het met hem ging. Zijn schuldbewustheid en zorgen over het slachtoffer ter zitting maakten op de rechtbank een oprechte indruk.
De rechtbank acht ook van belang dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de justitiële
documentatie van 10 december 2025, niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding om verdachte, in afwijking van de oriëntatiepunten, een taakstraf van 90 uren op te leggen. Het daarnaast opleggen van een (onvoorwaardelijke of voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid acht de rechtbank niet passend en geboden.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.
8.De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 90 (negentig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. A.F. Germs - de Goede en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
Mr. A.M. Rikken is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024083022. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal Aanrijding misdrijf van 17 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 9 en 10:
Locatie ongeval
Datum : 21 februari 2024
Omstreeks : 19:50 uur Adres : Enschedesestraat
Plaats : Hengelo
Betrokken partijen/objecten
Betrokken 1 (voertuig)
Voertuig Personenauto [kenteken] Ford Ka
Bestuurder
[verdachte]
Betrokken 2 (voertuig)
Voertuig Fiets
Bestuurder
[slachtoffer]
2. Het proces-verbaal FO Verkeer Forensisch onderzoek plaats delict van 4 mei 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 25, 27, 28, 31, 32, 54, 55 en 59:
1.Algemeen
1.2
Aanleiding onderzoek
Op woensdag 21 februari 2024 omstreeks 19:54 uur, had op de Enschedesestraat, gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Hengelo in de gemeente Hengelo het
verkeersongeval plaatsgevonden.
1.5
Betrokkenen
Bij het verkeersongeval waren de volgende weggebruikers en/of objecten betrokken:
1.5.1
Voertuig 1: Personenauto
Gegevens betrokken voertuig
Soort voertuig : Personenauto
Fabrieksmerk : Ford
Type : KA
Kenteken : [kenteken]
1.5.2
Voertuig 2: Fiets
2. Forensisch omgevingsonderzoek
2.2
Verkeersmaatregelen
2.2.1
Reguliere verkeersmaatregelen
Ik (…) zag het volgende:
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 50 km/u als gevolg van artikel 20 onderPro a van het RVV 1990.
2.4
Lichtgesteldheid
Ik (…) zag dat de melding van het verkeersongeval bij het operationeel centrum van de politie op woensdag 21 februari 2024, omstreeks 19:54 uur, geregistreerd was. Uit de opgevraagde gegevens bij het KNMI voor dit tijdstip bleek dat zonsopgang en zonsondergang respectievelijk omstreeks 07:44 uur en 18:04 uur plaatsvonden. Gedurende het onderzoek stelden wij dat het op het moment van het verkeersongeval nacht was, als bedoeld in artikel 1 vanPro het RVV 1990.
Ik (…) zag bij ons komst ter plaatse dat:
- op de plaats van het verkeersongeval er straatverlichting aanwezig was;
- deze straatverlichting in werking was;
- deze straatverlichting licht uitstraalde.
2.5
Weersgesteldheid
Ik (…) zag dat het tijdens ons onderzoek ter plaatse regenachtig weer was. Ik (…) zag dat het regende. Wij hoorden van de collega's ter plaatse dat ten tijde van het ongeval ook regende.
6.Nader onderzoek
6.1
Aangevraagde tweedelijns onderzoeken
Door collega’s van het basisteam werden camerabeelden aangeleverd (…). De camera (…) heeft gedeeltelijk zicht op de rijbaan van de Enschedesestraat. (…) Voornoemde beelden zijn voor een snelheidsberekening overgedragen (…).
7.Interpretatie bevindingen
Op basis van de aangetroffen sporen op het wegdek, eindpositie voertuigen (delen), technisch onderzoek en afgelegde verklaringen relateren wij dat:
De bestuurder van de Ford, voorafgaande aan het ongeval, heeft gereden over de rijbaan van de Enschedesestraat, komende uit de richting van [plaats 1] en gaande in de richting van [plaats 2] . De bestuurder van de fiets, voorafgaande aan het ongeval, heeft gereden over het (brom)fietspad, gelegen parallel aan de rijbaan van de Enschedesestraat, gaande in dezelfde rijrichting als die van de Ford. Ter hoogte van de kruising Enschedesestraat met de Morshoekweg stak de bestuurder van de fiets de rijbaan over en verleende hierbij geen voorrang aan de, op de Enschedesestraat, rijdende bestuurder van de Ford.
3. Het proces-verbaal Snelheid & Impact Analyse van 31 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina’s 97, 101, 106 en 117:
2.Snelheidsbepaling
2.1
Onderzoeksvraag
Onderzoeksvraag I: Wat was de gereden snelheid van de bestuurder van de personenauto en de fiets kort voor het ongeval op basis van het geluidsfragment van de videobeelden?
(…) Het gebruikte videofragment was voorzien van een geluidsopname. Met de beeld- en
geluidsopname kon de verstreken tijd tussen het passeren van de beveiligingscamera en het
geluid van de aanrijding bepaald worden. Wanneer de afgelegde weg van de betrokken bestuurders wordt gedeeld door de verstreken tijd, kan daarmee de gemiddelde snelheid van deze bestuurders bepaald worden. (…)
2.2
Geluidsopname in videofragment
(…) De gemiddelde snelheid tot aan het botspunt kan (…) bepaald worden met het geluidsfragment dat in de videobeelden zat verwerkt. De personenauto kwam immers eerst zichtbaar in het beeldfragment voorbijrijden en in het geluidsfragment was ongeveer 4,5 seconden later de bewuste aanrijding te horen. (…) Omdat met behulp van het geluidfragment de gemiddelde snelheid over een veel langer tijdsbestek bepaald kan worden (ongeveer 4,5 seconden) in combinatie met de hogere resolutie van de samplefrequentie, levert dit een nauwkeurigere gemiddelde snelheidsbepaling op dan de bepaling uit enkel het beeld (0,44 seconde).
2.3
Beantwoording onderzoeksvraag
Uit een analyse van het beeld- en geluidsfragment behorende bij het videobestand (…) bleek mij dat de bestuurder van de personenauto de laatste 100 meter tot de aanrijding van de overstekende fietser, met een gemiddelde snelheid reed van 81,5 km/u.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt of ik de weg goed kende. Ik woon in [plaats 1] en studeerde toen in [plaats 2] , dus ik reed vrij vaak met de auto naar [plaats 2] toe. (…)
U, voorzitter, houdt voor dat de maximumsnelheid 50 km/u bedroeg. U vraagt aan mij of ik wist dat er een bord kwam dat aangeeft dat die snelheidszone van 50 km/u eindigt. Klopt, dat wist ik.
U, voorzitter, houdt voor dat uit het dossier volgt dat ik mijn snelheid voor dat bord aan het ophogen was. Het ging naar 80 km/u, dus ik was inderdaad al begonnen met versnellen.
U, voorzitter, vraagt of ik bekend was met de betreffende oversteekplaats. Ja. (…)
U, voorzitter, houdt voor dat fietser [slachtoffer] er de weg overstak. (…) Ik had hem waargenomen op het fietspad. (…)
U, voorzitter, vraagt of ik hem heb waargenomen bij het oversteken of daarvoor al. Ik heb hem waargenomen als rechtdoor fietsende fietser op het fietspad. (…)
U, voorzitter, houdt mij voor dat de politie de snelheid heeft berekend. Ik weet dat ik aan het versnellen was. Ik heb geen beeld van hoe hard ik precies reed. Twee jaar later al helemaal niet. Het enige wat ik weet is dat ik te hard reed.
5. Een geschrift, te weten een door revalidatiearts dhr. J. Wagenaar, van Stichting Ziekenhuisgroep Twente (MST) opgestelde ‘klinische opnamebrief’ van 2 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 168: