ECLI:NL:RBOVE:2026:545

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/08/331213/HA ZA 25-105
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 sub a BWArt. 6:97 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst wegens niet-nakoming leveringsverplichting lampen

De Hagen en gedaagde sloten een koopovereenkomst voor de levering van 558 lampen voor €73.297,54 exclusief btw. Gedaagde leverde slechts circa 40 lampen, waarvan slechts 9 deugdelijk waren, en kwam niet na aan zijn leveringsverplichting. De Hagen betaalde reeds €50.711,53, maar stopte verdere betalingen vanwege de tekortkomingen.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde tekortgeschoten is en in verzuim verkeert, waardoor De Hagen de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden. Het beroep van gedaagde op opschorting en overmacht faalt wegens onvoldoende onderbouwing en omdat De Hagen haar betalingsverplichting bevoegdelijk opschortte.

De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van geleden schade. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van het betaalde bedrag, betaling van wettelijke rente vanaf dagvaarding, incassokosten, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De koopovereenkomst is ontbonden en gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling, incassokosten, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/331213/HA ZA 25-105
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
CONGRESCENTRUM ''DE HAGEN'' B.V.,
te Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: De Hagen,
advocaat: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A. Knobben.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 25,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht op de rol van 18 november 2025, waarin mr. P.H.A. Mulder meedeelt dat hij
zich heeft onttrokken als advocaat van [gedaagde] ,
- de brief van 1 december 2025 van mr. Rorink namens De Hagen met productie 26,
- het e-mailbericht van 9 december 2025 van mr. Knobben,
- het e-mailbericht van 10 december 2025 van mr. Rorink,
- het e-mailbericht van 10 december 2025 namens de rechtbank aan mrs. Rorink en
Knobben,
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

De Hagen en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [gedaagde] 558 lampen aan De Hagen zal leveren voor een totaalbedrag van € 73.297,54 inclusief btw.
In deze procedure heeft De Hagen gevorderd: een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, terugbetaling van het bedrag dat zij aan [gedaagde] heeft betaald en vergoeding van overige schade.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] is tekortgeschoten in zijn verplichting om aan
De Hagen de gekochte lampen te leveren. De vorderingen van De Hagen zijn daarom grotendeels toewijsbaar. Hierna zal deze beslissing van de rechtbank worden toegelicht.
3. De feiten
3.1.
De Hagen exploiteert het [bedrijf 2] .
3.2.
[gedaagde] vervaardigt lampen en houdt zich bezig met interieur- en ruimtelijk ontwerp.
3.3.
Op 15 augustus 2024 heeft De Hagen 558 lampen van [gedaagde] gekocht voor een bedrag van € 73.297,54 exclusief btw.
Partijen hebben, voor zover van belang, daarbij afgesproken:
- levering voor de proefkamer is gepland op 17 augustus 2024 (2+2+2) en
- vanaf week 37 elke dinsdag levering van armaturen en lichtbronnen voor zes kamers.
Over de betaling is afgesproken: 50% bij opdracht, 30% voor levering en 20% (na iedere levering) 14 dagen na factuurdatum.
3.4. In september 2024 is gebleken dat de lampen niet op tijd geleverd konden worden. Daarom is afgesproken dat [gedaagde] totdat de originele lampen gereed zijn alternatieve lampen aan De Hagen zou leveren en factureren.
3.5.
Op 25 september 2024 heeft De Hagen factuur [factuurnummer 1] aan [gedaagde] voldaan door een bedrag van € 36.648,77 aan [gedaagde] te betalen. Met deze betaling heeft De Hagen aan de afspraak tot betaling van 50% bij opdracht voldaan.
3.6.
Vanaf 25 september 2024 heeft [gedaagde] alternatieve lampen aan De Hagen geleverd en daarvoor facturen naar De Hagen verstuurd.
3.7.
De Hagen heeft op 11 oktober 2024 € 1.228,97 voor factuur [factuurnummer 2] aan [gedaagde] betaald.
3.8.
Op 31 oktober 2024 hebben De Hagen en [gedaagde] nadere afspraken gemaakt. Aanleiding daarvoor was dat De Hagen wenste dat de originele lampen zouden worden geleverd en [gedaagde] aanspraak maakte op betaling van openstaande facturen voor alternatieve lampen.
3.9.
Wat betreft de afspraken op 31 oktober 2024 heeft De Hagen nog diezelfde dag naar [gedaagde] gemaild:

(…) De afspraak met [naam 1] is als volgt; de openstaande facturen worden verrekend tegen de eerste leveringsfactuur van 30% van de totale order. Daarbij is afgesproken dat de levering van de originele lampen in week 46 plaats zal vinden.
Wij zouden graag een bevestiging willen zien wanneer de originele lampen geleverd worden. Op dit moment hebben we immers al € 36K aanbetaald.
3.10.
[gedaagde] heeft later op die dag (31 oktober 2024) op de e-mail van De Hagen gereageerd als volgt:

(…) Wij gaan idd de 2e aanbetalingsfactuur niet versturen hiervoor zien wij dan de betaling van de openstaande facturen per omgaande tegemoet. In week 46 gaan wij de originelen leveren en zal ik met [naam 1] de leen armaturen bespreken. (…)
3.11.
In de periode daarop volgend heeft [gedaagde] diverse keren bij De Hagen aangedrongen op betaling van de facturen voor de alternatieve lampen.
3.12.
Op 2 november 2024 heeft [gedaagde] naar De Hagen gemaild dat hij wacht met verdere actie tot alle facturen zijn voldaan.
3.13.
Op 5 november 2024 hebben De Hagen en [gedaagde] telefonisch een nadere afspraak gemaakt. [gedaagde] heeft daarover diezelfde dag naar De Hagen gemaild:

Zoals vandaag telefonisch besproken;
[bedrijf 1] levert de eerste originele armaturen W46
[bedrijf 3] betaald zsm deze week de 2 oudste openstaande facturen;[factuurnummer 3] a € 3.164,92[factuurnummer 4] a € 3.150,99
Hierbij blijven jullie binnen de aanbetaling van 30% a € 21.000,-- welke wij voor nu niet versturen(…).
3.14.
Op 6 november 2024 heeft De Hagen op de e-mail van 5 november 2024 van [gedaagde] aan haar als volgt gereageerd:
“(…) Kun jij hier de specifieke afspraken m.b.t. de levering aan toevoegen? Dus in welke weken er geleverd gat worden en om hoeveel het gaat? (…).
3.15.
[gedaagde] heeft nog diezelfde dag (6 november 2024) op de e-mail van De Hagen gereageerd als volgt:

Zoals besproken leveren wij komende week de eerste serie minimaal 2 serieElke op een volgende week een vervolg ik schat met 4 weken hierna alles geleverd te hebben.
3.16.
De Hagen heeft nog diezelfde dag (6 november 2024) op de e-mail van [gedaagde] gereageerd als volgt:

Uit hoeveel lampen bestaat de levering van volgende week? Dat is mij nog niet helemaal duidelijk.
3.17.
[gedaagde] heeft nog diezelfde dag (6 november 2024) op de e-mail van De Hagen gereageerd als volgt:

Wij maken nu de eerste 24 stuks van alles klaar en gaan daarna direct door na de volgende 24. Ik heb nog geen verdere betaling gezien, wellicht wel gedaan wij wachten het verder even af.
3.18.
In de periode na 6 november 2024 heeft [gedaagde] meerdere facturen voor alternatieve lampen naar De Hagen gestuurd en bij De Hagen aangedrongen op betaling daarvan.
3.19.
Op 15 november 2024 heeft De Hagen voor de levering van de alternatieve lampen
€ 3.164,92 voor factuur [factuurnummer 3] en € 3.150,99 voor factuur [factuurnummer 4] aan [gedaagde] betaald.
3.20.
Op 28 november 2024 heeft [gedaagde] per e-mail bij De Hagen aangedrongen op betaling van openstaande facturen. Daarop heeft De Hagen diezelfde dag het volgende naar [gedaagde] gemaild:

(…) Ons standpunt is dat de levering van de originele lampen op gang moeten komen. Wij hebben immers onze onderlinge afspraak in jouw mail van donderdag 21 november(de rechtbank begrijpt: 5 november)
nagekomen door de op dat moment 2 oudste facturen te betalen.
Daarbij hebben we nu al 30% van de totale waarde van opdrachtbevestiging betaald aan facturen voor de alternatieven. Hiervoor geldt de afspraak dat de factuur van 30% bij levering verrekkend gaat worden met de betalingen van de facturen van de alternatieven, zie ook jouw mail van donderdag 31 oktober. De 50% betaling bij opdracht hebben we op25 september al voldaan.
In jouw mail van donderdag 21 november geef jij aan dat we op maandag 25 november een update krijgen over de status van de levering. Deze update hebben wij niet gehad.
Door de vertraging van de levering van de lampen hebben we extra kosten voor het omwisselen van de lampen. Deze kosten lopen nu onnodig hoog op.
We verwachten dat er nu originele lampen geleverd gaan worden en dat er een gedetailleerd overzicht verstrekt wordt waarop duidelijk is hoe en wanneer de productie en levering van lampen plaats vindt. Kortom, regel het en kom de afspraken na!
3.21.
Op 9 december 2024 heeft [gedaagde] aan De Hagen gemaild dat afgelopen week de eerste originele lampen zijn geleverd.
3.22.
Bij e-mail van 12 december 2024 heeft de administratie van [bedrijf 1] , het bedrijf van [gedaagde] , naar [naam 2] , financieel controller bij De Hagen, gemaild:

U heeft van ons de 30% factuur mbt originele armaturen ontvangen.Inmiddels is de eerste levering van de armaturen geschied en staat de volgende ook klaar.
Graag vernemen wij wanneer de 30% factuur vandaag of morgen voldaan wordt, zodat wij de levering vrij kunnen geven.(…).
3.23.
Op 17 december 2024 heeft De Hagen in reactie op de e-mail van 12 december 2024 naar [gedaagde] gemaild:
“(…)
M.b.t. de aanbetalingsfactuur bij levering hebben wij afgesproken dat deze 30% factuur niet verstuurd zou worden maar verrekend gaat worden met alle facturen die wij voor de alternatieven hebben betaald, zie 2e bijlage. In week 46 hebben wij overigens nooit een levering heeft ontvangen.
(…)Kortom, zorg dat je het regelt. Laat ons zien dat en wanneer we lampen kunnen verwachten. 2 weken geleden hebben wij één levering gehad met 12 lampen die is afgekeurd omdat de lampen beschadigd zijn geweest. Vorige week hebben wij voor eerst 12 complete lampen ontvangen. Echter bedraagt de totale order 558 lampen. Op dit moment hebben jullie niet aan ons kunnen aantonen dat wij daadwerkelijk deze 558 lampen geleverd gaan krijgen. Eerder afspraken over levering zijn nooit nagekomen. Wij zijn nu nog steeds genoodzaakt alternatieve lampen aan te schappen om 6 hotelkamers per week te verbouwen.
3.24.
Bij brief van 8 januari 2025 heeft mr. Rorink namens De Hagen [gedaagde] in gebreke gesteld. De Hagen heeft [gedaagde] tot en met 15 januari 2025 in de gelegenheid gesteld om een concrete leveringsdatum kenbaar te maken.
3.25.
Bij brief van 11 februari 2025 heeft mr. Rorink namens De Hagen [gedaagde] tot en met 14 februari 2024 de tijd gegeven om na te komen, althans om met een zodanige toezegging te komen dat De Hagen wil vertrouwen op nakoming.
3.26.
Bij brief van 28 februari 2024 heeft mr. Rorink namens De Hagen de koopovereenkomst tussen partijen ontbonden. De Hagen heeft [gedaagde] tot en met 4 maart 2025 in de gelegenheid gesteld om € 50.711,53 inclusief btw aan haar terug te betalen en het recht op schadevergoeding voorbehouden.
3.27.
Op 13 maart 2025 heeft De Hagen, na daartoe verlof van de voorzieningenrechter te hebben verkregen, conservatoir beslag gelegd op registergoederen van [gedaagde] .

4.Het geschil

4.1.
De Hagen vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat de tussen De Hagen en [gedaagde] bestaande
koopovereenkomsten en verder gemaakte afspraken zijn ontbonden;
II. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan De Hagen van € 50.711,53;
III. [gedaagde] zal veroordelen om de schade van De Hagen te vergoeden, welke schade nader
moet worden opgemaakt bij Staat en moet worden vereffend als volgens de wet;
IV. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de verschuldigde wettelijke rente, de
buitengerechtelijke kosten, de kosten van het geding, de beslagkosten, alsmede de
nakosten.
4.2.
[gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, De Hagen in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar vorderingen zal ontzeggen, althans haar vorderingen volledig dan wel gedeeltelijk zal afwijzen onder veroordeling van De Hagen in de proceskosten.

5.De beoordeling

5.1.
De Hagen heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de overeenkomst tot aankoop van de lampen buitengerechtelijk heeft ontbonden. [gedaagde] heeft betwist dat De Hagen de koopovereenkomst heeft ontbonden. Hij heeft zich op een opschortingsrecht beroepen.
5.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de Hagen de koopovereenkomst heeft ontbonden en dat [gedaagde] geen beroep op opschorting toekomt.
Er is sprake van een tekortkoming van [gedaagde] die ontbinding rechtvaardigt
5.3.
De Hagen heeft gesteld dat [gedaagde] toen de koopovereenkomst op 28 februari 2025 ontbonden werd ongeveer 40 van 558 lampen aan haar had geleverd, waarvan er slechts 9 deugdelijk waren. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij destijds ongeveer 40 lampen aan De Hagen had geleverd. Wel heeft hij betwist dat het merendeel van deze lampen gebrekkig was.
5.4.
In artikel 6:265 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraken tussen partijen en dat deze tekortkoming ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
5.6.
Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] vanaf week 37 van 2024 de lampen aan De Hagen zou leveren. Toen deze leveringsdatum niet haalbaar bleek, zijn zij op 31 oktober 2024 als tussenoplossing overeengekomen dat [gedaagde] alternatieve lampen aan De Hagen zou leveren en dat De Hagen [gedaagde] voor deze alternatieve lampen zou betalen. Vervolgens is discussie ontstaan over de betaling van facturen voor de alternatieve lampen en de leveringsdata van de originele lampen. Uit de hiervoor onder 3. genoemde e-mailberichten volgt dat partijen ter beslechting van deze discussie op 5 november 2024 hebben afgesproken dat De Hagen de twee oudste openstaande facturen zou voldoen en [gedaagde] vanaf week 46 van 2024, de week van 11 november, de originele lampen aan De Hagen zou leveren. [gedaagde] heeft daarbij toegezegd dat hij 24 lampen in week 46 zou leveren, 24 lampen in de week daarna en dat hij met vier weken de hele opdracht zou nakomen.
5.7.
De Hagen heeft aan haar verplichting van de nadere afspraak van 5 november 2024 voldaan door op 15 november 2024 voor de facturen [factuurnummer 3] en [factuurnummer 4] bedragen van € 3.164,92 en € 3.150,99 aan [gedaagde] te betalen. Na deze betalingen had De Hagen in de periode vanaf 25 september 2024 tot dat moment in totaal € 50.711,53 voor lampen aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] is daarentegen zijn deel van de nadere afspraak van 5 november 2024 niet nagekomen. Uit de hiervoor onder 3. genoemde e-mailberichten blijkt dat [gedaagde] in de weken 49 en 50 van 2024, de eerste weken van december, tweemaal 12 lampen aan De Hagen heeft geleverd, terwijl hij had toegezegd in week 50 van 2024 aan zijn volledige leveringsverplichting te hebben voldaan. Op 28 februari 2025 had [gedaagde] ongeveer 40 van 558 lampen aan De Hagen geleverd.
5.8.
Nu [gedaagde] de afspraak van 5 november 2024 tussen partijen niet is gekomen, is hij in zijn verplichtingen tegenover De Hagen tekortgeschoten. Gelet op het geringe aantal lampen dat [gedaagde] heeft geleverd en het aanzienlijke bedrag dat De Hagen heeft betaald, was deze tekortkoming zodanig dat De Hagen op 28 februari 2025 gerechtigd was om de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk te ontbinden.
[gedaagde] is in verzuim geraakt
5.9.
De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. In artikel 6:82 lid 1 BW Pro is bepaald dat het verzuim intreedt, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. In artikel 6:83 sub a BW Pro is bepaald dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft;
5.10.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Zoals hiervoor is overwogen, zou [gedaagde] in de weken 46 tot en met 50 van 2024 de originele lampen aan De Hagen leveren. Deze termijn is verstreken zonder dat [gedaagde] deze afspraak is nagekomen. Daarnaast heeft De Hagen [gedaagde] bij brieven van 8 januari 2025 en 11 februari 2025 in de gelegenheid gesteld om alsnog de lampen te leveren, althans een zodanige toezegging te doen dat De Hagen op nakoming van de overeenkomst kon vertrouwen. De Hagen heeft [gedaagde] daarvoor een redelijke termijn gesteld van ruim vijf weken. Op 14 februari 2025 is deze termijn afgelopen, zonder dat [gedaagde] tot nakoming is overgegaan, zodat ook op grond hiervan verzuim is ingetreden.
[gedaagde] komt geen beroep op opschorting toe5.11. [gedaagde] heeft gesteld dat hij niet aan zijn leveringsverplichting heeft gedaan, omdat hij deze verplichting gerechtvaardigd had opgeschort. Vanwege deze opschorting kwam hem een beroep op schuldeisersverzuim toe. Omdat De Hagen niet steeds aan haar betalingsverplichtingen voor levering van de alternatieve en originele lampen heeft voldaan, behoefde hij geen lampen aan haar te leveren totdat de betalingen waren hervat, aldus [gedaagde] .
5.12.
De Hagen heeft betwist dat [gedaagde] bevoegd was om zijn leveringsverplichting op te schorten. Zij heeft aangevoerd dat zij na het voldoen van € 50.711,53 is gestopt met betalen, omdat [gedaagde] zijn leveringsverplichting niet nakwam. Wat betreft de factuur van 30% bij levering van de originele lampen zijn partijen volgens De Hagen overeengekomen dat deze zou worden verrekend met de reeds door De Hagen aan [gedaagde] betaalde bedragen.
5.13.
In artikel 6:262 BW Pro is bepaald dat, komt een van partijen haar verbintenis niet na, de wederpartij dan bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
5.14.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij zijn leveringsverplichting in de e-mail van 12 december 2024 heeft opgeschort. In die e-mail heeft [gedaagde] aan De Hagen gevraagd wanneer de 30% factuur wordt voldaan, zodat hij de levering kan vrijgeven. De rechtbank is om na te noemen redenen van oordeel dat, voor zover in de e-mail van 12 december 2024 een beroep op een opschortingsrecht kan worden gelezen, aan [gedaagde] op dat moment geen bevoegdheid tot opschorting toekwam.
5.15.
Zoals hiervoor onder 5.6 is overwogen, heeft [gedaagde] toegezegd dat hij na week 46 van 2024 met vier weken alle 558 lampen aan De Hagen zou hebben geleverd. De opschortingsdatum van 12 december 2024 is gelegen in week 50 van 2024, oftewel in de vierde week na week 46, waarin [gedaagde] zijn verplichtingen zou nakomen. Uit de e-mail van 17 december 2024, waarvan [gedaagde] de inhoud niet heeft betwist, blijkt echter dat [gedaagde] op dat moment slechts 24 lampen aan De Hagen had geleverd. [gedaagde] had dus voor ruim 4% (24 van 558 lampen) aan zijn verplichting voldaan, terwijl zoals hiervoor onder 5.7 is overwogen De Hagen al wel € 50.711,53 voor de lampen aan hem had betaald.
5.16.
Gelet op het geringe aantal lampen dat [gedaagde] – in weerwil van zijn toezegging – aan De Hagen had geleverd en het aanzienlijke bedrag dat De Hagen al voor de lampen aan [gedaagde] had betaald, rechtvaardigde een mogelijke tekortkoming van De Hagen een opschorting van [gedaagde] niet. Ook als De Hagen zou zijn tekortgeschoten in haar verplichting om openstaande facturen te betalen, dan was een opschorting van de leveringsverplichting op 12 december 2024 niet toegelaten. Of de afspraak van 30% bij levering inhield dat De Hagen ook bij levering van enkele lampen het volledige bedrag moest betalen, zoals [gedaagde] heeft gesteld en De Hagen heeft betwist, behoeft gelet daarop geen beoordeling.
5.17.
Naast het feit dat de opschorting van de zijde van [gedaagde] niet gerechtvaardigd was, is de rechtbank van oordeel dat op 12 december 2024 aan [gedaagde] geen opschortingsrecht toekwam, omdat De Hagen daarvoor al haar betalingsverplichting jegens [gedaagde] bevoegdelijk had opgeschort. Op 28 november 2024 heeft De Hagen naar aanleiding van een verzoek van [gedaagde] om openstaande facturen te betalen naar [gedaagde] gemaild dat zij haar deel van de afspraak van (de rechtbank begrijpt:) 5 november 2024 is nagekomen en dat zij van [gedaagde] verwacht dat hij nu zijn deel van de afspraak zal nakomen. De rechtbank leest hierin de mededeling dat De Hagen geen facturen meer betaalt totdat [gedaagde] zijn leveringsverplichting nakomt en acht deze opschorting – gelet op hetgeen hiervoor onder 5.7 is overwogen – gerechtvaardigd.
Het beroep van [gedaagde] op de algemene voorwaarden slaagt niet5.18. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] een beroep op de algemene voorwaarden gedaan. Hij heeft gesteld dat hij zich op grond van artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden op overmacht kan beroepen en op grond van artikel 17 op Pro een opschortingsverbod.
5.19.
De Hagen heeft zich tegen het beroep van [gedaagde] verweerd. Zij heeft betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat aan de artikelen in de algemene voorwaarden waarop [gedaagde] zich beroept, is voldaan.
5.20.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn beroep op de artikelen uit de algemene voorwaarden onvoldoende heeft onderbouwd.
5.21.
Wat betreft artikel 8 heeft Pro [gedaagde] enkel aangevoerd dat hij zich op overmacht kan beroepen en niet dat hij zich daadwerkelijk op overmacht beroept. Bovendien heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht dat sprake is van overmacht. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – volgt uit de omstandigheid dat [gedaagde] afhankelijk is van een firma die onderdelen levert niet dat [gedaagde] niet kan worden verweten dat hij niet aan leveringsverplichting tegenover De Hagen heeft voldaan.
5.22.
Het beroep op het opschortingsverbod van artikel 17 heeft Pro [gedaagde] evenmin gemotiveerd. Daarbij komt dat dit beroep niet slaagt. Immers doet het niets af aan de conclusie dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn leveringsverplichting.
5.23.
Nu [gedaagde] zijn beroep op de artikelen uit de algemene voorwaarden onvoldoende heeft onderbouwd, kan in het midden blijven of deze voorwaarden van toepassing zijn.
De Hagen heeft onvoldoende onderbouwd dat schade is geleden5.24. De Hagen heeft – naast ontbinding van de overeenkomst – gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om haar schade te vergoeden en dat deze schade nader bij Staat wordt opgemaakt. Volgens De Hagen bestaat haar schade uit:
- kosten voor het monteren en verwijderen van de alternatieve lampen;
- kosten voor het aanschaffen van nieuwe originele lampen;
- kosten voor het monteren van de nieuwe originele lampen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft De Hagen als schadepost toegevoegd dat hotelkamers niet verhuurd kunnen worden als de alternatieve lampen worden gedemonteerd en de nieuwe lampen worden opgehangen.
5.25.
[gedaagde] heeft betwist dat De Hagen schade heeft geleden en aangevoerd dat De Hagen haar schade onvoldoende heeft onderbouwd.
5.26.
In artikel 6:74 BW Pro is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, moet de schuldenaar in verzuim zijn geraakt.
5.27.
Op grond van artikel 6:97 BW Pro begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Op grond van art. 612 Rv Pro begroot de rechter de schade in zijn vonnis voor zover hem dit mogelijk is. Dit geldt ook wanneer slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om de schuldenaar te veroordelen tot een bepaald bedrag (Hoge Raad
27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2774).
5.28.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] is tekortgeschoten in zijn verplichting lampen te leveren en dat hij in verzuim is geraakt. Dat deze tekortkoming [gedaagde] niet kan worden toegerekend, omdat sprake is van overmacht, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] is dan ook verplicht de schade die De Hagen als gevolg van zijn tekortkoming heeft geleden aan De Hagen te vergoeden.
5.29.
De rechtbank is echter van oordeel dat De Hagen onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden. Bij het maken van de afspraken over de alternatieve lampen hebben partijen geen afspraak gemaakt over kosten voor het monteren en verwijderen van deze lampen, terwijl toen al bekend was dat de alternatieve lampen zouden worden vervangen door de originele lampen. Kennelijk zou De Hagen het monteren en verwijderen van de lampen in eigen beheer oplossen. Bij die stand van zaken kunnen het monteren en verwijderen van de lampen en het niet verhuren van kamers tijdens deze werkzaamheden thans niet als schadeposten worden opgevoerd.
5.30.
Wat betreft de kosten voor nieuwe lampen is de rechtbank van oordeel dat De Hagen onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze schade zal lijden. De Hagen heeft geen stukken in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij voor nieuwe lampen meer moet betalen, dan het bedrag waarvoor zij de lampen van [gedaagde] heeft gekocht.
Ook de kosten voor montage voor nieuwe lampen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Indien [gedaagde] niet zou zijn tekortgeschoten in zijn leveringsverplichting, dan had De Hagen immers ook kosten moeten maken voor het monteren van lampen.
5.31.
Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende is komen vast te staan dat De Hagen schade heeft geleden of zal lijden. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
De conclusie, nevenvordering en proceskosten5.32. Uit het voorgaande volgt dat De Hagen op 28 februari 2025 de koopovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk heeft ontbonden. Het gevolg van deze ontbinding is dat op grond van artikel 6:271 BW Pro [gedaagde] het bedrag van € 50.711,53 moet terugbetalen. De hiervoor onder 4.1 vermelde vordering in sub I en II worden daarom toegewezen.
5.33.
Er zijn namens De Hagen incassohandelingen verricht zo volgt uit de brieven van
8 januari en 11 en 28 februari 2025 van mr. Rorink aan de advocaat van [gedaagde] . Op grond van artikel 6:96 BW Pro in combinatie met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten heeft De Hagen voor het verrichten van deze handelingen recht op het gevorderde bedrag van € 1.282,12 aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.34.
De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is
5.35.
De Hagen heeft ook gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. Dat het beslag nodeloos is gelegd, is de rechtbank niet gebleken. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.689,32. Dit bedrag bestaat uit: € 380,66 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,- voor griffierecht, € 294,17 voor kosten proces-verbaal conservatoir beslag op registergoederen, € 86,49 voor betekening conservatoir beslag en € 1.214,- voor salaris advocaat (1 punt).
5.36.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van De Hagen betalen.
De proceskosten van De Hagen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punt × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.721,21

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de tussen De Hagen en [gedaagde] bestaande koopovereenkomst en nadere afspraken ter zake van de lampen zijn ontbonden;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan De Hagen van € 50.711,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 26 maart 2025, de datum van dagvaarding,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan De Hagen van € 1.282,12 aan buitengerechtelijke incassokosten,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten van De Hagen, tot op heden vastgesteld op
€ 2.689,32,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.721,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.