ECLI:NL:RBOVE:2026:547

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_1229
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach – de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen reactie college op principeverzoek bouw woning

Eiser heeft een principeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Raalte om planologische medewerking te verkrijgen voor de bouw van een woning op zijn grond. Het college reageerde op dit verzoek met een brief waarin het plan werd afgewezen op basis van gemeentelijk beleid en het coalitieakkoord. Eiser maakte bezwaar tegen deze reactie, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat het principeverzoek en de reactie daarop niet kwalificeren als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat er geen aanvraag om een besluit is gedaan. Hierdoor is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank gaat niet in op de inhoudelijke beroepsgronden, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Eiser had tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens gemaakte kosten voor het plan, maar dit wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit of andere grond voor schadevergoeding volgens artikel 8:88 Awb Pro.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bezwaar niet-ontvankelijk geacht en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1229

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder, hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2])

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarbij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard. Dit bezwaarschrift heeft eiser ingediend tegen de reactie van het college op zijn principeverzoek. Volgens het college staat tegen deze brief geen bezwaar open. De rechtbank is van oordeel dat het college dat standpunt terecht heeft ingenomen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is.

Procesverloop

1. Eiser heeft bij brief van 22 april 2024 een principeverzoek aan het college gericht.
1.1.
Het college heeft bij brief van 22 oktober 2024 op het principeverzoek van eiser gereageerd.
1.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
In het bestreden besluit van 19 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn zoon ([naam 1]) en schoondochter ([naam 2]). Namens het college zijn de gemachtigden verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. Eiser heeft een boerderij aan de [adres] en wil voor een deel van de bijbehorende gronden de mogelijkheid krijgen om daarop een woning voor zijn zoon te bouwen.
2.1.
Sinds 2022 hebben er gesprekken tussen eiser en de gemeente Raalte plaatsgevonden om te kijken naar de mogelijkheden om tot de bouw van de extra woning te kunnen komen.
2.2.
Bij brief van 22 april 2024 is namens eiser en zijn familie aan het college verzocht om planologische medewerking te verlenen aan de realisatie van een nieuw landgoed aan de [adres]. In de brief wordt dit als een principeverzoek aangeduid. Vermeld is dat het plan niet past binnen het geldende omgevingsplan Buitengebied Raalte en dat verzocht wordt om in principe in te stemmen met het Ontwikkelingsplan Landgoed [adres] Laag Zuthem en medewerking te verlenen om het plan planologisch mogelijk te maken.
2.3.
In de brief van 22 oktober 2024 heeft het college laten weten dat hij, op basis van zowel het gemeentelijke beleid 'Erven in beweging' als het coalitieakkoord, het verzoek voor het realiseren van een nieuw landgoed niet kan goedkeuren.
2.4.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.5.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
3. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat het bezwaar zich niet richt tegen een besluit. Volgens het college is het collegebesluit van 22 oktober 2024, waarin is beslist om het principeverzoek af te wijzen, niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Er wordt dan ook niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift.
Gronden van beroep
4. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat de weigering om het ontwikkelingsplan te beoordelen en de mededeling dat op voorhand geen medewerking verleend zal worden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het college gaat bij het niet-ontvankelijk verklaren voorbij aan het feit dat bezwaar is aangetekend tegen het besluit om met terugwerkende kracht het coalitieakkoord als nieuw beleid voor nieuwe landgoederen in te voeren. Ook gaat het college voorbij aan het feit dat meer dan een jaar ambtelijk is meegewerkt aan het tot stand komen van het plan en dat ook de verantwoordelijke wethouder heeft aangegeven dat een nieuw landgoed een oplossing zou kunnen zijn voor eiser en dat het landgoedplan gemaakt kon worden. Volgens eiser kan hij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel doen.
Overwegingen
5. De rechtbank overweegt dat de brief van 22 april 2024 is ingediend als principeverzoek. Dit is expliciet vermeld in de brief en volgt ook uit het in de brief beschreven verzoek om in principe in te stemmen met het Ontwikkelingsplan Landgoed Hogeweg Laag Zuthem en medewerking te verlenen om het plan planologisch mogelijk te maken. Op de zitting hebben partijen ook bevestigd dat geen aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van 22 april 2024 niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb worden aangemerkt omdat niet wordt verzocht een besluit te nemen. De reactie op het principeverzoek is daarom ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu de brief van 22 oktober 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel, komt de rechtbank daarom niet toe.
6. Eiser heeft in het beroepschrift verzocht om de gemeente Raalte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, wanneer zij niet tot heroverweging overgaat. Eiser heeft immers kosten gemaakt voor het ontwikkelen en opstellen van het plan voor een nieuw landgoed. De rechtbank overweegt in dit kader dat, nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit van het college of één van de andere situaties uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach – de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.