ECLI:NL:RBOVE:2026:554

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
12009982 \ CV EXPL 25-4042
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BWArtikel 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens aanzienlijke huurachterstand

De woningcorporatie Rentree verhuurt sinds 17 juli 2024 een woning aan de huurder. Door het niet volledig betalen van de huur is een aanzienlijke huurachterstand ontstaan, die bij dagvaarding drie maanden bedroeg en inmiddels is opgelopen tot vijf maanden. Ondanks aanmaningen en het aanbod van schuldhulpverlening bleef de huurder in gebreke.

De huurder stelde dat zijn financiële situatie is verbeterd en dat hij de achterstand kan inlopen, mede vanwege een stabiel inkomen vanaf januari 2026. Hij wenst in de woning te blijven vanwege zijn minderjarige kinderen die om het weekend bij hem verblijven. De kantonrechter oordeelt echter dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen, mede omdat de achterstand na dagvaarding is toegenomen en eerdere afspraken niet zijn nagekomen.

De kantonrechter weegt ook de belangen van de minderjarige kinderen, maar stelt dat deze niet bij de huurder wonen en dat de ouders verantwoordelijk zijn voor het beperken van nadelige gevolgen. De ontbinding wordt toegewezen, met een termijn van veertien dagen voor ontruiming. Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

De vordering tot vergoeding van incassokosten wordt getoetst aan het consumentenrecht en toegewezen omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door de kantonrechter R.F. van Aalst op 3 februari 2026.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens een huurachterstand van vijf maanden, met veroordeling tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, gebruiksvergoeding, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12009982 \ CV EXPL 25-4042
Vonnis van 3 februari 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING RENTREE,
te Deventer,
eisende partij,
hierna te noemen: Rentree,
gemachtigde: BJK Gerechtsdeurwaarders Incassospecialisten,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak betreft een huurgeschil tussen woningcorporatie Rentree en huurder [gedaagde]. Door het niet (volledig) betalen van de huur is een aanzienlijke huurachterstand ontstaan. Ondanks aanmaningen en het aanbod van schuldhulpverlening bleven de betalingsproblemen bestaan. [gedaagde] stelde dat zijn financiële situatie inmiddels is verbeterd en dat hij de achterstand kan inlopen, maar de kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand te groot is. De huurovereenkomst wordt daarom ontbonden en [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en bijkomende kosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Rentree verhuurt met ingang van 17 juli 2024 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 740,45 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Rentree heeft [gedaagde] meermaals aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Rentree heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Rentree heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Rentree vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.730,62 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Rentree legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Rentree de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat hij door persoonlijke omstandigheden in de huidige situatie is terechtgekomen. Na zijn scheiding is hij in Deventer gaan wonen en is hij als freelancer gaan werken. Aanvankelijk verliep dit goed, maar op enig moment bleven nieuwe opdrachten uit, waardoor financiële problemen zijn ontstaan. Vanaf januari 2026 beschikt [gedaagde] over een vaste opdrachtgever, dit levert een stabiel inkomen op. Met dit inkomen hoopt hij de ontstane huurachterstand te kunnen inlopen. [gedaagde] wil graag in de huurwoning blijven wonen, mede vanwege zijn minderjarige kinderen van vijf en negen jaar oud, die om het weekend bij hem verblijven. Daarnaast heeft hij met terugwerkende kracht huursubsidie aangevraagd en verwacht hij zijn financiële problemen binnen afzienbare tijd zelf te kunnen oplossen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Rentree heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.2.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.3.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 3 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels 5 maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
4.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij vanaf januari 2026 over een stabiel inkomen beschikt en daarmee in staat is de huurachterstand in te lopen. Rentree stelt daartegenover dat met [gedaagde] reeds meerdere afspraken zijn gemaakt die telkens niet zijn nagekomen. Bovendien is de huurachterstand na het uitbrengen van de dagvaarding verder opgelopen. Rentree heeft daarom weinig vertrouwen in een goede afloop en handhaaft haar vordering.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat, ondanks de goede voornemens van [gedaagde] om de achterstand in te lossen, sprake is van een aanzienlijke huurachterstand die de vordering tot ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat, berekend tot en met januari 2026, sprake is van een huurachterstand van € 3.730,62. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Maar dat speelt hier niet, omdat de kinderen van [gedaagde] niet bij hem wonen.
4.8.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.9.
Rentree wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 740,45, te rekenen vanaf de maand februaru 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Ambtshalve toetsing
4.10.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.11.
Rentree vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Rentree heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 649,88 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rentree worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
Totaal
1.254,45
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Rentree zijn, en de sleutels af te geven aan Rentree,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Rentree:
- € 3.730,62 aan achterstallige huur tot en met januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 740,45 per maand vanaf februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Rentree te betalen een bedrag van € 498,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.254,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026. (jb)

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)