ECLI:NL:RBOVE:2026:556

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
11769569 \ CV EXPL 25-1969
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:267 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst en hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor niet-betaalde leasetermijnen en teruggave auto

Partij A 1 sloot een financial leaseovereenkomst met VPFS voor een Land Rover. Partij A 1 betaalde sinds eind 2023 niet meer, en gaf de auto ondanks verzoeken niet terug. VPFS vorderde ontbinding van de leaseovereenkomst en hoofdelijke veroordeling van partij A 1 en bestuurder partij A 2 tot teruggave van de auto en betaling van het restant van de lening met rente en incassokosten.

De kantonrechter oordeelde dat de algemene voorwaarden van VPFS van toepassing zijn en dat partij A 1 tekortschiet in haar betalingsverplichtingen. De leaseovereenkomst wordt ontbonden en partij A 1 moet de auto binnen drie dagen na betekening teruggeven, onder dreiging van een dwangsom van €500 per dag tot maximaal €20.000.

Verder wordt partij A 1 veroordeeld tot betaling van €64.115,37 restant lening, €2.094,63 rente tot 12 juni 2025, contractuele rente vanaf 13 juni 2025, en €1.713,55 aan incassokosten. Bestuurder partij A 2 wordt persoonlijk aansprakelijk gehouden wegens ernstig verwijtbaar handelen en hoofdelijk veroordeeld tot dezelfde verplichtingen. Tegenvorderingen van partij A 1 en A 2 worden afgewezen. Proceskosten worden aan hen opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De leaseovereenkomst wordt ontbonden en partij A 1 en bestuurder partij A 2 worden hoofdelijk veroordeeld tot teruggave van de auto en betaling van het restant van de lening met rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11769569 \ CV EXPL 25-1969
Vonnis van 3 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
handelend onder de naam DutchFinance,
uit Amersfoort,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: VPFS,
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman, Jongejan & Wisseborn,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij A 1] B.V.,
handelend onder de naam [bedrijf 1],
uit [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [partij A 1],
2.
[partij A 2],
uit [woonplaats],
hierna te noemen: [partij A 2],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
procederend zonder gemachtigde.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Voor de financiering van een auto heeft [partij A 1] een leaseovereenkomst met VPFS gesloten. [partij A 2] is bestuurder van [partij A 1]. [partij A 1] heeft eind 2023 de eerste leasetermijnen onbetaald gelaten en sinds februari 2024 helemaal geen leasetermijnen meer betaald en ondanks verzoeken van VPFS, de auto niet teruggegeven. Volgens VPFS valt [partij A 2] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt te maken zodat hij, naast [partij A 1], aansprakelijk is. In deze procedure vordert VPFS ontbinding van de leaseovereenkomst en hoofdelijke veroordeling van [partij A 1] en [partij A 2] tot teruggave van de auto en betaling van het restant van de lening met rente en incassokosten. De kantonrechter wijst de vorderingen van VPFS grotendeels toe en legt hierna uit waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties van 16 juni 2025;
  • de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie;
  • de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier worden bewaard;
  • de op de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van [partij A 1] en [partij A 2].
2.2.
Ten slotte is na aanhouding bepaald dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen.

3.De feiten

3.1.
[partij A 1] heeft een Land Rover Range Rover Velar 3.0 V6 AWD R-D HSF met kenteken [kenteken] uit 2018 (hierna: de Land Rover) van een autogarage geleverd gekregen.
3.2.
Voor de financiering van de Land Rover heeft [partij A 1] op 7 september 2023 een financial leaseovereenkomst gesloten met VPFS (hierna: de leaseovereenkomst).
3.3.
[partij A 2] is bestuurder van [partij A 1] en heeft de leaseovereenkomst namens haar getekend.
3.4.
In de leaseovereenkomst staat:

Kredietnemer:
a.
Met dit krediet heeft u een motorrijtuig gefinancierd. Dit motorrijtuig heeft Leverancier aan u geleverd. Dit motorrijtuig is juridisch eigendom van Kredietgever. Zodra u aan al uw betalingsverplichtingen heeft voldaan,
gaat de juridisch eigendom van het motorrijtuig over van Kredietgever op u en wordt u de juridisch eigenaar van het motorrijtuig.
[…]
c.
Tijdens de looptijd van dit contract betaalt u aan Kredietgever:
Aankoopprijs € 60.745,00
Aanbetaling € 10.000,00
[…]
Kredietbedrag € 50.745,00
Kredietvergoeding € 17.305,20 +
Totaal te betalen € 68.050,20
d.
Dit contract heeft een looptijd van 60 maanden[…].
U betaalt maandelijks
€ 884,17. In de laatste maand betaalt u ook de overeengekomen slottermijn van € 15.000,00. Uw laatste maandtermijn is in totaal dus € 15.884,14.
e. U betaalt een nominale rente van 9.990%. Omgerekend een debetrentevoet van 10,46% op jaarbasis.[…]”
3.5.
In de ‘Algemene Voorwaarden Financial Lease’ bij de leaseovereenkomst (hierna: de algemene voorwaarden) staat:
3. Wie is waarvoor verantwoordelijk?
3.1. […]
[…]
vertoont het motorrijtuig (verborgen) gebreken, bezit het motorijtuig
niet de eigenschappen die u (redelijkerwijs) mocht verwachten, of heeft u om wat voor reden dan ook niet het volledige genot van het motorijtuig? Dan zijn wij daarvoor niet aansprakelijk en kunt u alleen de leverancier aansprakelijk stellen. In zo’n situatie blijft uw betaalplicht aan ons gewoon gelden.”
[…]

4.Hoe en hoeveel betaalt u?

[…]
4.4.
Het betaalschema dat is opgenomen in uw contract is dwingend en u mag daar niet van afwijken. Dit betekent dat u bij niet-volledige of niet-tijdige betaling direct in verzuim bent zonder dat daarvoor eerst nog een ingebrekestelling nodig is. U bent dan aan ons een achterstandsrente verschuldigd over het openstaande bedrag. Deze achterstandsrente is gelijk aan de debetrentevoet in uw contract. De achterstandsrente wordt gerekend vanaf de datum waarop u had moeten betalen tot de datum waarop uw betaling alsnog door ons is ontvangen.
4.5.
Moeten wij incassokosten maken, dan zijn die voor uw rekening. Die kosten zijn minimaal 15% van het openstaande bedrag, met een minimum van € 40 exclusief btw.
[…].

5.Onmiddellijke opeisbaarheid en inname van het motorrijtuig

5.1.
In bepaalde situaties hebben wij het recht om alle betalingen die u op grond van uw contract nog moet betalen in één keer en per direct bij u op te eisen. In die situaties mogen wij het contract bovendien meteen ontbinden zonder dat daarvoor eerst nog een ingebrekestelling nodig is. Bij zo’n ontbinding blijft ons recht op vergoeding van achterstandsrente, kosten en schade volledig in stand. De situaties waarvoor dit geldt zijn onder meer:
a) U heeft twee maanden (of langer) niet betaald, ook niet na een schriftelijk aanmaning. Of u houdt zich niet aan de afspraken uit uw contract of deze Algemene Voorwaarden.
[…]
5.2.
Als wij gebruik maken van onze rechten uit artikel 5.1. dan levert u het motorijtuig binnen 24 uur in.[…].”
3.6.
Per brief van 12 december 2023 heeft VPFS [partij A 1] verzocht de op dat moment openstaande leasetermijnen van november en december (inclusief achterstandsrente) binnen drie dagen te betalen. VPFS heeft in dezelfde brief meegedeeld dat zij, bij niet tijdige betaling, kan overgaan tot het nemen van rechtsmaatregelen, het volledige saldo met achterstandsrente dan geheel en in één keer opeisbaar is en zij de Land Rover zal moeten innemen.
3.7.
Omdat [partij A 1] niet betaalde, heeft VPFS haar per brief van 5 juni 2024 in gebreke gesteld en verzocht de totaal nog openstaande lening (inclusief achterstandsrente) te betalen. In dezelfde brief heeft VPFS meegedeeld dat zij, bij niet tijdige betaling, de leaseovereenkomst zal ontbinden en de Land Rover moet worden ingeleverd. Verder heeft VPFS meegedeeld dat bij het uitblijven van betaling en het niet retourneren van de Land Rover, aangifte zal worden gedaan van verduistering.
3.8.
Omdat [partij A 1] niet heeft betaald en de Land Rover niet heeft teruggebracht, heeft VPFS het onderzoeks- en recherchebureau [bedrijf 2] ingeschakeld voor het traceren en innemen van de Land Rover.
3.9.
Omdat het [bedrijf 2] niet is gelukt de Land Rover te traceren, heeft zij op 18 december 2024 namens VPFS aangifte gedaan van verduistering.
3.10.
Per brief van 27 februari 2025 heeft (de gemachtigde van) VPFS [partij A 1] verzocht de openstaande lease met achterstandsrente, buitengerechtelijke incassokosten en daarover de btw als ook de rente te betalen en de Land Rover in te leveren.
3.11.
Per brief van 20 mei 2025 heeft (de gemachtigde van) VPFS [partij A 2] aangeschreven, persoonlijk aansprakelijk gesteld en verzocht het op dat moment door [partij A 1] verschuldigde bedrag te betalen.

4.Het geschil

4.1.
VPFS vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat de leaseovereenkomst wordt ontbonden dan wel voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomst is ontbonden. Verder vordert VPFS dat [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot het afgeven van de Land Rover met een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 25.000,00 als daarmee in gebreke wordt gebleven. VPFS vordert ook betaling van € 77.846,95 en de contractuele rente van 10,46% over de hoofdsom van € 64.115,37 vanaf 13 juni 2025 met aftrek van de opbrengst van de Land Rover als deze wordt ingeleverd en verkocht.
4.2.
Aan haar vorderingen tegen [partij A 1] legt VPFS ten grondslag dat [partij A 1] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomst door de leasetermijnen niet te betalen en de Land Rover niet terug te geven. Met een beroep op de algemene voorwaarden stelt VPFS dat zij bevoegd is de leaseovereenkomst te ontbinden en het restant van de lening (inclusief rente en kosten) als ook de Land Rover op te eisen.
4.3.
Aan haar vorderingen tegen [partij A 2] legt VPFS ten grondslag dat hem als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat hij de tekortkomingen van VPFS heeft bewerkstelligd althans heeft toegelaten en omdat hij weigert de Land Rover af te geven, zodat hij inbreuk maakt op het eigendomsrecht van VPFS. Daarom is [partij A 2] volgens VPFS in privé aansprakelijk voor de schade van VPFS.
4.4.
[partij A 1] erkent dat zij de achterstallige leasetermijnen moet betalen, maar is het niet eens met de opbouw van de vordering zoals die door VPFS is ingesteld. [partij A 1] neemt ook de stelling in dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld. Verder stelt zij tegenvorderingen in (eis in reconventie) waarbij zij vordert dat VPFS de aangifte intrekt, er een afkoopregeling wordt gesloten, excuses wordt gemaakt en haar schade wordt vergoed.
4.5.
[partij A 2] betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de schade van VPFS.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, verder ingegaan.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

De vorderingen van VPFS tegen [partij A 1]
De algemene voorwaarden zijn van toepassing
5.1.
VPFS baseert haar vorderingen grotendeels op de algemene voorwaarden. De kantonrechter zal daarom allereerst een oordeel geven over het meest verstrekkende verweer van [partij A 1], namelijk dat VPFS de algemene voorwaarden niet ter hand heeft gesteld.
5.2.
De kantonrechter stelt vast dat de leaseovereenkomst is ondertekend door ([partij A 2] namens) [partij A 1]. In de leaseovereenkomst staat:

Alle partijen gaan akkoord met het volgende:
a.
Op dit contract zijn de algemene voorwaarden Financial Lease van toepassing. Door ondertekening van dit contract erkennen alle partijen dat zij deze algemene voorwaarden bij het sluiten aan dit contract hebben ontvangen.
5.3.
VPFS heeft onweersproken aangevoerd dat zij met de in overweging 5.2. geciteerde bepaling de algemene voorwaarden op de leaseovereenkomst van toepassing heeft verklaard en dat [partij A 1] door ondertekening van de leaseovereenkomst met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft ingestemd. De algemene voorwaarden zijn daarmee op de overeenkomst van toepassing. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A 1] echter betwist dat zij de algemene voorwaarden heeft ontvangen.
5.4.
Nog los van het feit dat [partij A 1] geen beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden heeft gedaan, is deze algemene betwisting van ontvangst daarvan in dit geval onvoldoende. VPFS heeft ter onderbouwing van de terhandstelling toegelicht dat de algemene voorwaarden zijn verstrekt zowel bij de aanvraag als bij het aanbod van VPFS om een overeenkomst aan te gaan. Vervolgens heeft [partij A 1] met de ondertekening van de leaseovereenkomst voor de ontvangst van die algemene voorwaarden getekend. [partij A 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling in algemene zin betwist dat zij de algemene voorwaarden heeft ontvangen. De ontkenning van de ontvangst heeft [partij A 1] vervolgens niet nader toegelicht. De enkele stelling dat de algemene bepalingen niet zijn geparafeerd, is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat de algemene voorwaarden door VPFS aan [partij A 1] ter hand zijn gesteld. VPFS kan zich daarmee ook op de bepalingen uit de algemene voorwaarden beroepen.
Ontbinding leaseovereenkomst
5.5.
Ter onderbouwing van haar vordering tot ontbinding van de leaseovereenkomst dan wel haar vordering om voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomst is ontbonden, beroept VPFS zich op artikel 5.1. sub a van de algemene voorwaarden. Op grond daarvan kan zij een leaseovereenkomst ontbinden als de kredietnemer een betalingsachterstand heeft laten ontstaan van ten minste twee maanden. VPFS voert aan dat [partij A 1] sinds eind 2023 betalingstermijnen onbetaald heeft gelaten en sinds februari 2024 helemaal niet meer heeft betaald. Er is daarmee een betalingsachterstand van twintig maanden, zodat van de bevoegdheid tot ontbinding gebruik kan worden gemaakt, aldus VPFS.
5.6.
[partij A 1] heeft niet weersproken dat zij sinds februari 2024 niets meer aan VPFS heeft betaald, volgens [partij A 1] omdat de Land Rover tussen september 2023 en begin 2024 voor 60% van de tijd in verband met gebreken in de werkplaats van de garage stond. Er zou door de garage een andere auto worden geleverd, maar daarvoor moest eerst de leaseovereenkomst worden aangepast. Op de verzoeken dat te doen, zou VPFS niet hebben gereageerd. [partij A 1] miskent daarmee dat ook in het geval dat zij niet het volledige genot heeft van de Land Rover, haar betalingsverplichting op grond van artikel 3.3. van de algemene voorwaarden in stand blijft. [partij A 1] is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomst.
5.7.
Er bestaat dus grond voor ontbinding van de overeenkomst, omdat [partij A 1] in ieder geval sinds 2024 niet meer heeft betaald. Alhoewel VPFS de ontbinding van de leaseovereenkomst in haar brief van 5 juni 2024 heeft aangekondigd, heeft zij niet gesteld en het is de kantonrechter ook niet gebleken dat zij de leaseovereenkomst al buitengerechtelijk heeft ontbonden. Daarom zal de kantonrechter daartoe overgaan en voor recht verklaren dat de leaseovereenkomst is ontbonden (artikel 6:267 lid 2 BW Pro).
De teruggave van de Land Rover
5.8.
VPFS vordert afgifte van de Land Rover omdat [partij A 1] niet betaalt en de Land Rover niet teruggeeft, terwijl het [bedrijf 2] niet is gelukt de Land Rover te vinden en in te nemen.
5.9.
[partij A 1] heeft uitgelegd dat zij de Land Rover niet retourneert omdat zij vreest dat deze door VPFS op een veiling voor een te lage waarde zal worden verkocht waardoor een hogere restschuld overblijft. Tegen die achtergrond meent [partij A 1] dat het beter is als zij de Land Rover zelf verkoopt. Zij heeft verder toegelicht dat zij onlangs nog bij VPFS naar oplossing heeft gevraagd en daarbij ook waar de Land Rover ingeleverd zou kunnen worden, maar daarop zou VPFS niet hebben gereageerd.
5.10.
De argumenten van [partij A 1] om de auto niet aan VPFS terug te geven, treffen geen doel. [partij A 1] moet aan haar contractuele verplichtingen voldoen. Dat betekent op grond van artikel 5.2. van de algemene voorwaarden dat als er niet wordt betaald en VPFS daarop aanspraak maakt, de Land Rover binnen 24 uur moet worden teruggegeven. VPFS heeft onderbouwd gesteld dat zij [partij A 1] sinds 5 juni 2024, al dan niet via [bedrijf 2], meermaals heeft verzocht de Land Rover te retourneren. Omdat [partij A 1] daaraan tot nu toe geen gehoor heeft gegeven, zal de kantonrechter de vordering van VPFS tot afgifte van de Land Rover toewijzen.
Dwangsom
5.11.
Omdat [partij A 1] tot nu toe weigert de Land Rover terug te geven, acht de kantonrechter een dwangsom op zijn plaats. De vordering van VPFS van € 500,00 aan dwangsom per dag zal in zoverre worden toegewezen, dat de kantonrechter de dwangsom zal maximeren tot € 20.000,00. Tussen partijen staat vast dat vanwege de aangifte en het ontbreken van een verzekering op dit moment niet in de Land Rover gereden mag worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft VPFS toegelicht dat [partij A 1] de Land Rover kan afgeven aan VPFS die voor vervoer kan zorgdragen of anders zelf voor vervoer door een sleepbedrijf zorg kan laten dragen. In verband daarmee zal de kantonrechter [partij A 1] een termijn geven van drie dagen na betekening van het vonnis om de Land Rover terug te brengen of af te geven. Als de Land Rover dan nog niet is afgegeven, zal de dwangsom beginnen te lopen.
Betaling
5.12.
VPFS heeft een totaalbedrag van € 77.846,95 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit het restant van de lening van € 64.115,37, de buitengerechtelijke incassokosten van € 9.617,31, de btw daarover van € 2.019,64 en € 2.094,63 aan rente berekend tot en met 12 juni 2025. VPFS vordert bovendien de contractuele rente van 10,46% per jaar over het restant van de lening vanaf 13 juni 2025. De kantonrechter zal deze posten hieronder afzonderlijk beoordelen.
Het restant van de lening en de rente
5.13.
Zoals hiervoor is uiteengezet, heeft [partij A 1] niet betwist dat zij sinds februari 2024 niets meer aan VPFS heeft betaald. VPFS heeft als gevolg daarvan een beroep gedaan op van artikel 5.1. sub a van de algemene voorwaarden en aangevoerd dat zij gerechtigd is het restant van de lening in één keer op te eisen. [partij A 1] erkent dat zij het restant moet betalen, maar zij is het niet eens met de opbouw van de vordering. Volgens [partij A 1] heeft zij in totaal negen leasetermijnen betaald en niet vijf, zoals VPFS stelt.
5.14.
De kantonrechter volgt [partij A 1] daarin niet. VPFS heeft namelijk een betalingsoverzicht overgelegd. Daaruit volgt dat [partij A 1] sinds het aangaan van de leaseovereenkomst in september 2023 vijf leasetermijnen heeft betaald. Daartegenover stelt [partij A 1] enkel dat het er negen waren. Zonder onderbouwing, bijvoorbeeld door het overleggen van betalingsbewijzen, is dat tegenover de gemotiveerde stelling van VPFS onvoldoende. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [partij A 1] vijf leasetermijnen heeft betaald en dus dat de berekening van VPFS van het restant van de lening klopt. De kantonrechter zal dan ook het bedrag van € 64.115,37 toewijzen.
5.15.
[partij A 1] heeft tijdens de mondeling behandeling erkend dat zij de kosten moet betalen die op basis van de leaseovereenkomst verschuldigd zijn als gevolg van haar betalingsachterstand. Op grond van de leaseovereenkomst is [partij A 1] 10,46% per jaar over de hoofdsom aan rente verschuldigd. VPFS heeft deze rente tot en met 12 juni 2025 berekend op € 2.094,63. Die berekening heeft [partij A 1] niet betwist zodat de kantonrechter het gevorderde bedrag zal toewijzen. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van de contractuele rente vanaf 13 juni 2025, die door [partij A 1] ook niet is betwist, eveneens toewijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.16.
VPFS heeft betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 9.617,31 (15% van de hoofdsom) en € 2.019,64 aan btw (21% over de incassokosten) gevorderd. [partij A 1] betwist dat zij de incassokosten verschuldigd is. Zij betoogt dat de incassokosten onrechtmatig zouden zijn mede vanwege de inschakeling van [bedrijf 2]. Zij wil niet voor de kosten van [bedrijf 2] betalen.
5.17.
Dit betoog van [partij A 1] slaagt niet. Dat de incassokosten onrechtmatig zijn, heeft [partij A 1] niet feitelijk onderbouwd, zodat de kantonrechter al om die reden aan dit argument voorbij gaat.
5.18.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt VPFS dat zij haar gemachtigde voor diens werkzaamheden 15% over de te vorderen som moet betalen en dat dit forfaitaire tarief gebruikelijk is en gewoonlijk aan opdrachtgevers in zaken zoals deze in rekening wordt gebracht. Om die reden is het volgens VPFS redelijk om dit tarief van [partij A 1] te vorderen. Zij wijst er ook op dat het tarief van 15% van de hoofdsom exclusief btw in artikel 4.5. van de algemene voorwaarden is overeengekomen.
5.19.
De vordering van VPFS moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het ‘Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten’ (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast VPFS voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. VPFS heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
5.20.
Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding, oordeelt de kantonrechter als volgt.
De gevorderde € 9.617,31 is hoger dan het bedrag van € 1.416,15 dat volgens de staffel en het tarief zoals bepaald in het Besluit hoort bij € 64.115,37 in hoofdsom. VPFS heeft weliswaar gesteld dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden een hoger bedrag rechtvaardigen dan het in het Besluit bepaalde tarief, maar heeft dit niet van een concrete onderbouwing voorzien. Dat had, gelet op de betwisting en de hoogte van het gevorderde bedrag ten opzichte van het wettelijke tarief, wel op haar weg gelegen. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag afwijzen en conform de staffel € 1.713,55 inclusief btw toewijzen.
Conclusie
5.21.
De conclusie is dat [partij A 1] zal worden veroordeeld om € 64.115,37 (met aftrek van de opbrengst van de Land Rover als deze wordt ingeleverd en vervolgens door VPFS is verkocht) plus € 2.094,63 aan rente te betalen, aldus in totaal € 66.210,00.
Ook zal [partij A 1] worden veroordeeld om buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.713, 55 en de contractuele rente van 10,46% over € 64.115,37 vanaf 13 juni 2025 te betalen.
De vorderingen tegen [partij A 2]
5.22.
Met betrekking tot de stelling van VPFS dat [partij A 2] als bestuurder van [partij A 1] in privé aansprakelijk is voor haar schade, stelt de kantonrechter het volgende voorop.
5.23.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of als zij een onrechtmatige daad pleegt, geldt als uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan naast de vennootschap ook de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn. Daarvoor is vereist dat de bestuurder van de benadeling van de schuldeiser persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er gelden voor het aannemen van de bestuurdersaansprakelijkheid dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Die hoge drempel voor de aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap wordt gerechtvaardigd doordat er in de eerste plaats sprake is van handelingen van de vennootschap en om te voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.
5.24.
Of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken en dus of hij aansprakelijk is, hangt af van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een bestuurder onder meer persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat zijn handelen tot gevolg zou hebben dat de vennootschap niet nakomt en geen verhaal zou bieden voor de daardoor opgetreden schade. Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. [1]
5.25.
Gelet op het voorgaande, is de eerste vraag of [partij A 1] verhaal biedt voor de schade van VPFS. VPFS stelt dat [partij A 2] feitelijk is gestopt met het besturen van [partij A 1] en uit een verhaalsonderzoek blijkt dat [partij A 1] geen activiteiten meer verricht. VPFS vreest dat zij met een onbetaalde en waarschijnlijk onverhaalbare vordering achterblijft als [partij A 2] niet ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade. [partij A 2] betwist dat [partij A 1] geen verhaal biedt, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling tijdens de mondelinge behandeling dat er vanuit de beheersmaatschappij werkzaamheden worden verricht door de verkoop van op maat gemaakte gordijnen, is zonder nadere onderbouwing gelet op de gemotiveerde stellingen van VPFS onvoldoende om aan te nemen dat VPFS de vorderingen op [partij A 1] kan verhalen. Daarbij komt dat ook op grond van de overige omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat [partij A 1] verhaal biedt. Zij heeft immers sinds februari 2024 ook tussentijds geen enkele betaling gedaan. Ook de twee betalingsregelingen van 24 juni 2024 en 13 september 2024 is zij niet nagekomen. De conclusie is dat niet kan worden aangenomen dat [partij A 1] op dit moment (voldoende) verhaal biedt. Dat betekent dat de kantonrechter toekomt aan de toets of [partij A 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.26.
Ter onderbouwing van de stelling dat [partij A 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij als gevolg daarvan aansprakelijk kan worden gehouden voor haar schade, heeft VPFS erop gewezen dat [partij A 2] de leaseovereenkomst namens [partij A 1] heeft getekend en willens en wetens heeft veroorzaakt dat [partij A 1] in strijd handelt met haar contractuele verplichtingen door de auto niet terug te geven.
5.27.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [partij A 2] als bestuurder van [partij A 1] aansprakelijk is en motiveert dat oordeel als volgt. [partij A 2] heeft de overeenkomst namens [partij A 1] getekend. [partij A 2] was van de verplichtingen uit die overeenkomst op de hoogte, althans, daarvan hij had op de hoogte moeten zijn. Meer specifiek betekent dit dat [partij A 2] wist dan wel had moeten weten dat als [partij A 1] een betalingsachterstand laat ontstaan van meer dan twee maanden, VPFS op grond van de algemene voorwaarden het recht toekomt om de overeenkomst te ontbinden en de Land Rover op te eisen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A 2] nog aangevoerd dat hij persoonlijk pas in mei 2024 door VPFS op de hoogte is gesteld van de betalingsachterstand van [partij A 1]. Of dat (te) laat is, kan in het midden worden gelaten, want [partij A 2] had in ieder geval vanaf dat moment voor betaling moeten zorgen, dan wel op het eerste verzoek daartoe de auto moeten teruggeven. Dat [partij A 2] dit niet heeft gedaan, kan hem worden aangerekend. VPFS heeft onderbouwd gesteld dat zij [partij A 1] sinds 5 juni 2024 en [partij A 2] in ieder geval sinds augustus 2024 herhaaldelijk heeft verzocht om de Land Rover te retourneren. Ook nadat VPFS [bedrijf 2] heeft ingeschakeld en [bedrijf 2] [partij A 2] bij e-mails van 12 november 2024 en 29 november 2024 heeft gewaarschuwd over haar voornemen tot het doen van aangifte als de Land Rover niet zou worden ingeleverd, heeft [partij A 2] de Land Rover niet ingeleverd. Dit ondanks het feit dat de Land Rover bij hem in de loods staat en [bedrijf 2] heeft voorgesteld de Land Rover op het adres van [partij A 2] in te nemen ter voorkoming van een aangifte. Sterker nog, [partij A 2] weigert dat te doen, met hetzelfde argument als [partij A 1] heeft aangevoerd: de vrees dat de Land Rover voor een te laag bedrag zal worden verkocht en [partij A 1] achterblijft met een hogere restschuld. Daarmee gaat [partij A 2] eraan voorbij dat de Land Rover, doordat [partij A 1] niet aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, eigendom is gebleven van VPFS en zij gelet op artikel 5.2. van de algemene voorwaarden het recht heeft om de Land Rover op te eisen en te bepalen hoe de Land Rover wordt verkocht. Desondanks blijft [partij A 2] de teruggave frustreren, terwijl de Land Rover in waarde daalt.
5.28.
Met inachtneming van al deze omstandigheden, is de conclusie gerechtvaardigd dat [partij A 2] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken van de tekortkomingen van [partij A 1] jegens VPFS. Dit leidt tot het oordeel dat [partij A 2] naast [partij A 1] aansprakelijkheid is voor de schade die VPFS lijdt. Het verweer van [partij A 2] dat hij zelf niet als medecontractant op de leaseovereenkomst staat, doet aan dit oordeel over de buitencontractuele aansprakelijkheid niet af. De hoogte van de schade waarvoor [partij A 2] aansprakelijk is, is gelijk aan het positieve contractsbelang en dit komt overeen met de schade die [partij A 1] aan VPFS moet vergoeden en is uiteengezet in overweging 5.21. Hoofdelijke veroordeling daarvan is op zijn plaats en zal worden toegewezen. Dat betekent dat VPFS zowel [partij A 1] als [partij A 2] kan dwingen te betalen. Als de één (een gedeelte) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De hoofdelijke veroordeling tot afgifte van de Land Rover
5.29.
Ter onderbouwing van de vordering om [partij A 2] hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van de Land Rover, stelt VPFS dat het voertuig feitelijk door [partij A 2] wordt gebruikt en door hem verborgen wordt gehouden. Alhoewel [partij A 2] heeft toegelicht dat de Land Rover bij hem in de loods staat en de Land Rover dus niet (meer) verborgen wordt gehouden, is hiervoor gebleken dat hij weigert het voertuig aan VPFS terug te geven. Daarmee maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van VPFS, terwijl hij de afgiftehandeling zal moeten verricht. Dat maakt dat ook deze gevorderde veroordeling hoofdelijk zal worden toegewezen evenals de gevorderde dwangsom.
De tegenvorderingen van [partij A 1] en [partij A 2]
5.30.
[partij A 1] en [partij A 2] hebben allereest een tegenvordering ingesteld tot het terugtrekken van de aangifte zodat de Land Rover weer kan worden gebruikt. Daarnaast hebben [partij A 1] en [partij A 2] een vergoeding gevorderd voor de schade die is geleden doordat [bedrijf 2] is ingeschakeld en voor de kosten van het rijklaar maken van de Land Rover omdat deze sinds 18 december 2024 stilstaat. Deze tegenvorderingen wijst de kantonrechter af. Er wordt geen juridische grondslag aangevoerd waarop de vorderingen zijn gebaseerd en de schade wordt niet onderbouwd. Verder volgt uit de beoordeling die hiervoor is gegeven, dat het niet aan VPFS te wijten is dat VPFS [bedrijf 2] heeft moeten inschakelen en uiteindelijk ook aangifte van verduistering van de Land Rover heeft gedaan, maar dat dit het gevolg is van de omstandigheid dat [partij A 1] en [partij A 2] niet meewerkten aan afgifte van de auto. Dat [partij A 2] in een andere zaak een procedure tegen [bedrijf 2] bij het Kifid en de AFM heeft lopen, staat hier los van en leidt niet tot een ander oordeel. De overige tegenvorderingen zoals de vorderingen tot het sluiten van een afkoopregeling en excuses worden ook afgewezen. Gelet op het voorgaande bestaat daarvoor ook geen grond.
De proceskosten in conventie
5.31.
[partij A 1] en [partij A 2] zullen in conventie in het ongelijk worden gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten die zien op dit deel van de procedure van VPFS betalen. De proceskosten zijn de kosten die VPFS heeft gemaakt om deze procedure te voeren. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die VPFS maakt om [partij A 1] en [partij A 2] ertoe te brengen aan de veroordelingen in dit vonnis te voldoen. De proceskosten van VPFS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.732,00
(2 punten × € 866,00)
- nakosten
144,00
(+ de kosten van betekening zoals vermeld in beslissing)
Totaal
3.486,71
5.32.
Zoals hiervoor vermeld, vallen onder de proceskosten ook de nakosten. Dat betekent dat als [partij A 1] en [partij A 2] niet binnen veertien dagen na dit vonnis aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna is betekend, zij ook de kosten van betekening aan VPFS moeten betalen.
Proceskosten in reconventie
5.33.
Omdat de tegenvorderingen van [partij A 1] en [partij A 2] worden afgewezen, moeten [partij A 1] en [partij A 2] de proceskosten betalen die zien op dit deel van de procedure. De tegenvorderingen vloeien voort uit het verweer van [partij A 1] en [partij A 2] in conventie. Daarom wordt het bedrag voor de berekening van het salaris van de gemachtigde gehalveerd. De proceskosten van VPFS voor dit deel van de procedure worden daarmee begroot op (1/2 × € 1.732,00 =) € 866,00.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.34.
De veroordelingen zullen, zoals VPFS heeft gevorderd en waarop geen verweer is gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als [partij A 1] en/of [partij A 2] niet aan de veroordelingen voldoet, ook als hoger beroep tegen dit vonnis zou worden ingesteld (artikel 233 Rv Pro).

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
ontbindt de leaseovereenkomst;
6.2.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot afgifte aan VPFS, na betekening van dit vonnis, van de Land Rover Range Rover Velar 3.0 V6 AWD R-D HSF met kenteken: [kenteken], met sleutels, kentekenbewijzen en alles wat op grond van de leaseovereenkomst deel uitmaakt van de Land Rover;
6.3.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 20.000,00 voor elke dag dat [partij A 1] en [partij A 2] met de afgifte van de Land Rover in gebreke blijven, met dien verstande dat de dwangsom eerst verschuldigd is wanneer drie dagen zijn verstreken na betekening van dit vonnis;
6.4.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot betaling van € 66.210,00 en van de rente van 10,46% per jaar over € 64.115,37 vanaf 13 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling, onder aftrek van de opbrengst van de Land Rover bij verkoop tegen opbod op een publieke veiling en ten overstaan van een openbaar ambtenaar, als de Land Rover wordt ingeleverd;
6.5.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk om € 1.713,55 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aan VPFS te betalen;
6.6.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van € 3.486,71, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A 1] en [partij A 2] niet binnen die veertien dagen betaalt en het vonnis vervolgens is betekend;
in reconventie
6.7.
veroordeelt [partij A 1] en [partij A 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van € 866,00;
in conventie en in reconventie
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:AZ:0758.