ECLI:NL:RBOVE:2026:557

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/08/326641 / HA ZA 24-489
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:54 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over erfgrens en overbouw tussen buren met benoeming deskundige Kadaster

Partijen zijn buren die een geschil hebben over de exacte ligging van de erfgrens tussen hun percelen. Partij A stelt dat de uitbouw van partij B deels op haar perceel staat, terwijl partij B betwist dat er sprake is van overbouw. Partij A vordert onder meer een verklaring voor recht dat de erfgrens loopt overeenkomstig de kadastrale grens zoals gereconstrueerd door het Kadaster in augustus 2024, en verwijdering van de overbouw. Partij B vordert op zijn beurt overdracht van het perceel waarop de overbouw staat, indien sprake is van overbouw, en diverse herstelvorderingen.

De procedure kende meerdere schriftelijke stukken, mondelinge behandeling en pogingen tot schikking die niet slaagden. De rechtbank constateert dat er verschillende grensmetingen zijn uitgevoerd door partijen, met tegenstrijdige uitkomsten. Partij B liet in juni 2024 een meting uitvoeren die geen overbouw aantoonde, terwijl het Kadaster in opdracht van partij A in augustus 2024 een meting verrichtte waaruit overbouw bleek. Een latere meting door partij B in februari 2025 bevestigde weer geen overbouw.

De rechtbank oordeelt dat het Kadaster als overheidsdienst het meest aangewezen is om de grensreconstructie uit te voeren, maar acht het noodzakelijk dat een onafhankelijke landmeter van het Kadaster, die niet bij eerdere metingen betrokken was, een nieuwe grensreconstructie verricht. Partijen krijgen de gelegenheid zich uit te laten over dit voornemen, de opdracht, de deskundige en de kosten. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na deze deskundigenrapportage.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een deskundige van het Kadaster voor een nieuwe grensreconstructie en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/326641 / HA ZA 24-489
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna genoemd: [partij A] ,
advocaat: mr. M. Struik,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna genoemd: [partij B] ,
advocaat: mr. L.B.W. Schiphorst.

1.De kern

1.1.
[partij A] is eigenaar van de woning met perceel aan de [adres 1] . [partij B] is eigenaar van de aangrenzende woning met perceel aan de [adres 2] . Tussen partijen staat ter discussie waar de erfgrens tussen (de achtertuinen van) hun percelen ligt. Volgens [partij A] staat de uitbouw van de woning van [partij B] deels op haar perceel, terwijl [partij B] meent dat de uitbouw zich volledig op zijn eigen perceel bevindt. [partij A] wil dat de rechtbank voor recht verklaart dat de erfgrens loopt overeenkomstig de kadastrale grens zoals het Kadaster die in augustus 2024 heeft gereconstrueerd. Ook wil [partij A] dat [partij B] het deel van de uitbouw dat volgens haar is overgebouwd, verwijdert. [partij B] vordert op zijn beurt op grond van artikel 5:54 BW Pro dat voor het geval sprake zou zijn van overbouw, [partij A] het gedeelte van haar perceel waarop de overbouw staat aan hem overdraagt. Daarnaast hebben partijen over en weer een aantal andere vorderingen ingesteld over verschillende zaken in of bij hun achtertuinen.
De rechtbank is van plan om een landmeter van het Kadaster als deskundige te benoemen om de kadastrale erfgrens (opnieuw) te reconstrueren. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
1.2.
Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot haar tussenbeslissing is gekomen (onder 4.). Eerst zal de rechtbank weergeven hoe de procedure is verlopen (onder 2.) en de vorderingen omschrijven die over en weer zijn ingesteld (onder 3.).

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 december 2024,
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,
  • de conclusie van antwoord in reconventie,
  • de akte overlegging producties, tevens houdende wijziging van eis van [partij A] ,
  • de akte overlegging producties, tevens houdende wijziging van eis van [partij B] ,
  • de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarbij beide partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen.
2.2.
Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen gevraagd om de zaak aan te houden ten behoeve van schikkingsoverleg. Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen verschillende keren opnieuw aangehouden. Ten slotte hebben partijen aan de rechtbank laten weten dat geen schikking is bereikt en hebben zij gevraagd om vonnis te wijzen.

3.De vorderingen

in conventie
3.1.
[partij A] vordert, na wijziging van eis:
een verklaring voor recht dat de kadastrale grens zoals het Kadaster die op 26 augustus 2024 heeft gereconstrueerd, de erfgrens vormt, en dat derhalve sprake is van overbouw;
veroordeling van [partij B] om over te gaan tot verwijdering van al hetgeen is overgebouwd, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij B] om de hemelwaterafvoer in de oorspronkelijke staat terug te brengen, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij B] om de door hem toegebrachte schade aan de erfafscheiding van [partij A] te herstellen, op straffe van een dwangsom;
en voorwaardelijk, voor het geval het beroep van [partij B] op artikel 5:54 BW Pro slaagt:
5. veroordeling van [partij B] om haar een schadeloosstelling te betalen;
6. veroordeling van [partij B] om de kosten van de notaris en het Kadaster te betalen die verband houden met het vestigen van de erfdienstbaarheid;
7. veroordeling van [partij B] om te gedogen dat [partij A] de zijmuur van de overbouw zal gebruiken en daar zaken tegenaan zal bevestigen.
3.2.
[partij B] vraagt om de vorderingen af te wijzen.
in reconventie
3.3.
[partij B] vordert, na wijziging en vermindering van eis:
te bepalen dat, indien de uitbouw deels op de grond van [partij A] staat, [partij A] dient mee te werken aan de overdracht van het gedeelte van haar perceel dat nodig is om de bestaande toestand te handhaven, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij A] om de rioolaansluiting ter hoogte van de put bij haar achtergevel te (laten) herstellen, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij A] om haar schutting op het perceel van [partij B] te verwijderen, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij A] om de dakrand van haar schuur boven het perceel van [partij B] te verwijderen, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [partij A] om mee te werken aan de oprichting van een (dichte) scheidsmuur op de erfgrens van twee meter hoog, en de helft van de kosten daarvan te betalen, op straffe van een dwangsom.
3.4.
[partij A] vraagt om de vorderingen af te wijzen.

4.De beoordeling

De rechtbank is van plan om een landmeter van het Kadaster als deskundige te benoemen voor een grensreconstructie
4.1.
De rechtbank is voornemens om een landmeter van het Kadaster als deskundige te benoemen om de volgende opdracht uit te voeren:
het reconstrueren van de kadastrale erfgrens tussen de percelen van partijen, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding];
het aanduiden van de locatie van de uitbouw van de woning van [partij B] (huisnummer [adres 2] ) en de schuur (inclusief dakrand) die hoort bij de woning van [partij A] (huisnummer [adres 1] ) ten opzichte van de kadastrale erfgrens.
4.1.1.
Het is namelijk voor een groot deel van de over en weer ingestelde vorderingen van belang om vast te stellen waar de erfgrens loopt. Tussen partijen staat de ligging van de erfgrens ter discussie. De rechtbank is nog niet in staat om te bepalen wie van hen gelijk heeft.
4.1.2.
Partijen beroepen zich op verschillende grensmetingen met afwijkende uitkomsten. Voordat [partij B] de uitbouw liet bouwen, heeft hij in juni 2024 een grensreconstructie laten uitvoeren door het bedrijf Kadasterdata. Volgens deze meting staat de uitbouw op het eigen kadastrale perceel van [partij B] , en steekt een deel van [partij A] schuur uit op het perceel van [partij B] . Daarop heeft [partij A] de erfgrens in augustus 2024 laten reconstrueren door het Kadaster. Volgens het verslag van het Kadaster staat de uitbouw van [partij B] deels op het kadastrale perceel van [partij A] . Vervolgens heeft [partij B] de erfgrens in februari 2025 opnieuw laten uitmeten, dit keer door het bedrijf [bedrijf] . Volgens die laatste meting steekt de uitbouw van [partij B] niet over op het kadastrale perceel van [partij A] en staat de schuur van [partij A] deels op het kadastrale perceel van [partij B] . De uitkomsten van de grensmetingen die [partij B] heeft laten uitvoeren door Kadasterdata en [bedrijf] , wijken dus af van de uitkomst van de grensmeting die [partij A] heeft laten uitvoeren door het Kadaster.
4.1.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is het Kadaster de meest aangewezen instantie om een grensreconstructie te laten verrichten als discussie bestaat over de loop van een kadastrale erfgrens. Het Kadaster beheert immers als overheidsdienst de openbare registers waarin de kadastrale grenzen worden bijgehouden. De afwijkende uitkomsten van de grensmetingen die zijn uitgevoerd door de bedrijven die [partij B] heeft ingeschakeld, kunnen echter niet zomaar terzijde worden geschoven. Het is niet uitgesloten dat het Kadaster een fout heeft gemaakt bij de uitvoering van de door [partij A] verstrekte opdracht. Bovendien was [partij B] niet aanwezig bij de grensmeting die [partij A] heeft laten verrichten, net zoals [partij A] niet aanwezig was bij de grensmetingen die in opdracht van [partij B] zijn uitgevoerd. De rechtbank acht het daarom nodig om de grens opnieuw te laten reconstrueren door een landmeter van het Kadaster.
4.1.4.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling al als voorlopig oordeel aan partijen laten weten dat zij het nodig acht dat een nadere grensreconstructie door het Kadaster wordt uitgevoerd. Daarbij heeft de rechtbank de mogelijkheid geopperd dat partijen, ter besparing van tijd en kosten, in onderling overleg en buiten de rechtbank om een daartoe strekkende opdracht aan het Kadaster zouden kunnen geven. Kennelijk hebben partijen van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
4.2.
De rechtbank is van plan om de heer [naam], landmeter bij het Kadaster, als deskundige te benoemen. Deze landmeter was niet betrokken bij de eerdere grensreconstructie die het Kadaster in opdracht van [partij A] heeft verricht.
4.3.
De deskundige heeft de kosten van het onderzoek begroot op € 540. Het voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek zal voor een gelijk deel bij beide partijen in rekening worden gebracht. De nadere grensreconstructie is namelijk van belang voor zowel de vorderingen van [partij A] als de vorderingen van [partij B] . De kosten van het deskundigenonderzoek zullen uiteindelijk voor rekening komen van de partij die ongelijk krijgt.
Partijen mogen zich over dit voornemen uitlaten
4.4.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen, over de voorgestelde inhoud van de opdracht, over de voorgestelde persoon van de deskundige en over de hoogte van het begrote voorschot.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
18 februari 2026voor het nemen van een akte
door beide partijenwaarin zij zich kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen, over de voorgestelde inhoud van de opdracht, over de voorgestelde persoon van de deskundige en over de hoogte van het begrote voorschot;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. (HJB)