ECLI:NL:RBOVE:2026:559

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
12028798 \ CV EXPL 25-2260
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering onbetaald loon en specificatie door kantonrechter Almelo

De werknemer is sinds 1 november 1996 in dienst bij de werkgever als contactspecialist en heeft zich op 20 augustus 2024 ziekgemeld. De werknemer vordert betaling van het loon over januari 2026, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, vanwege stelselmatige onvolledige en niet tijdige loonbetaling door de werkgever.

De werkgever is niet verschenen bij de zitting van 3 februari 2026, waarna verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat de vordering gegrond is en wijst deze toe. Tevens wordt de werkgever veroordeeld tot het overleggen van een behoorlijke bruto/netto specificatie over november en december 2025 en over de bedragen die uit hoofde van deze procedure worden voldaan.

De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon, wettelijke verhogingen, rente en buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van het loon over januari 2026, wettelijke verhogingen, rente, incassokosten en het overleggen van loon specificaties.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 12028798 \ CV EXPL 25-2260
Vonnis in kort geding van 5 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: mr. J.C. Bender, advocaat,
tegen
[gedaagde]h.o.d.n.
[bedrijf],
wonende en zaakdoende te [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
niet verschenen noch vertegenwoordigd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
1.1.
namens [eiser] is op 5 januari 2026 de dagvaarding met producties betekend, waarbij [eiser] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [gedaagde] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.
1.2.
[eiser] heeft bij akte van 2 februari 2026 haar eis gewijzigd.
1.3.
De vordering is behandeld ter zitting van 3 februari 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Tegen de niet verschenen [gedaagde] is verstek verleend.
1.4.
[eiser] heeft haar standpunt laten toelichten door haar gemachtigde.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Samenvatting
[eiser] werkt met ingang van 1 november 1996 in loondienst bij [gedaagde] in de functie van contactspecialist. Zij heeft zich op 20 augustus 2024 ziekgemeld. [eiser] voert aan dat [gedaagde] stelselmatig het loon niet volledig dan wel niet tijdig betaalt. In deze kort geding procedure vordert [eiser] na wijziging van eis het loon over de maand januari 2026 vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter verleent tegen de niet verschenen [gedaagde] verstek en wijst de vordering van [eiser] toe.
2. De feiten
2.1.
[eiser], geboren [geboortedatum] 1968, is met ingang van 1 november 1996, in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van contactspecialist. Laatstelijk tegen een salaris van € 988,03 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. De arbeidsduur per week bedraagt 12 uur.
2.2.
[eiser] heeft zich op 20 augustus 2024 arbeidsongeschikt gemeld.
2.3.
Bij verstekvonnis van 28 oktober 2025 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo (zaaknummer 11914028) is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van bedragen terzake wettelijke verhoging, wettelijke rente en incassokosten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om:
I. aan [eiser] te betalen:
a. € 988,00 bruto aan loon over de maand januari 2026;
b. de wettelijke verhoging over het onder a genoemde bedrag te rekenen vanaf 4 februari 2026 conform artikel 7:625 BW Pro tot het moment dat volledig zal zijn betaald, dan wel het maximum van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro is bereikt;
c. de wettelijke rente over het onder a. genoemde bedrag, te rekenen vanaf 1 februari 2026 tot het moment dat volledig zal zijn betaald;
d. € 395,21 bruto aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over november 2025;
e. € 4,87 bruto aan wettelijke rente over het te laat betaalde loon over november 2025;
f. € 195,63 bruto netto aan buitengerechtelijke incassokosten, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag ter betekening van de dagvaarding;
Althans de in goede justitie te bepalen bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen momenten.
II. Aan [eiser] te overleggen:
g. een behoorlijke bruto/netto specificatie over de maanden november 2025 en december 2025, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of een deel daarvan, te rekenen vanaf drie dagen na het in deze te wijzen vonnis en met een in goede justitie te bepalen maximum;
h. een behoorlijke bruto/netto specificatie van al hetgeen [gedaagde] uit hoofde van deze procedure zal voldoen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of een deel daarvan, te rekenen vanaf drie dagen na het in deze te wijzen vonnis en met een in goede justitie te bepalen maximum.
III. Een en ander onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde van [eiser] daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en, voor zover [gedaagde] niet binnen die termijn volledig betaalt, met nakosten.
3.2.
[eiser] legt samengevat aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het salaris stelselmatig onvolledig en niet tijdig heeft betaald. De wijziging van eis komt voort uit het feit dat [gedaagde] op 31 december 2025 het loon over de maand november 2025 (tezamen met het loon van december 2025) alsnog heeft voldaan maar vervolgens weer het salaris over januari 2026 niet tijdig heeft betaald.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.
4.2.
De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en behoort daarom te worden toegewezen. Ook heeft [eiser] voldoende gesteld omtrent het spoedeisend belang bij het instellen van haar vordering.
4.3.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld (inclusief nakosten). De proceskosten worden begroot op € 157,50 wegens explootkosten, € 265,00 wegens griffierecht, € 577,00 wegens het salaris van de gemachtigde en € 144,00 wegens nakosten. In totaal € 1.143,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vandaag.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde], om aan [eiser] te betalen:
a. € 988,03 bruto aan loon over de maand januari 2026;
b. de wettelijke verhoging over het onder a. genoemde bedrag te rekenen vanaf 4 februari 2026 conform artikel 7:625 BW Pro tot het moment dat volledig zal zijn betaald;
c. de wettelijke rente over het onder a. genoemde bedrag, te rekenen vanaf 1 februari 2026 tot het moment dat volledig zal zijn betaald;
d. € 395,21 bruto aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over november 2025;
e. € 4,87 bruto aan wettelijke rente over het te laat betaalde loon over november 2025;
f. € 195,63 aan buitengerechtelijke incassokosten, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;
5.2.
veroordeelt [gedaagde], om aan [eiser] over te leggen:
g. een behoorlijke bruto/netto specificatie over de maanden november 2025 en december 2025, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of een deel daarvan, dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00;
h. een behoorlijke bruto/netto specificatie van al hetgeen [gedaagde] uit hoofde van deze procedure zal voldoen, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of een deel daarvan, dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00.
5.3.
Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.143,50, waaronder € 577,00 wegens het salaris van de gemachtigde en de nakosten tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 144,00 (0,5 punt x liquidatietarief met een maximum van € 144,00), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.
5.4.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.5.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.W. van Tol, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
(JHd(O)