ECLI:NL:RBOVE:2026:561

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
11809386 \ CV EXPL 25-2062
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens langdurige huurachterstand zonder bijzondere omstandigheden

De huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde, betreffende een woning in een woonplaats, is ontbonden wegens een huurachterstand van ruim drie maanden. Gedaagde erkende een achterstand van €3.795,00, waarvan een deel was betaald, maar bleef een restant van €2.659,57 verschuldigd. Ondanks een moeilijke periode en een gedeeltelijke aflossing, heeft gedaagde onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden ontbinding zouden rechtvaardigen.

Eiser vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning, betaling van de huurachterstand met wettelijke rente, een gebruiksvergoeding vanaf ontbinding tot ontruiming, en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde verscheen niet bij de mondelinge behandeling en betwistte de achterstand niet.

De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 6:265 BW Pro ontbinding gerechtvaardigd is bij tekortkoming in nakoming, hier de huurachterstand. De door gedaagde aangevoerde bijzondere omstandigheden waren onvoldoende om ontbinding te voorkomen. De gevorderde incassokosten werden deels toegewezen, exclusief btw, en de gebruiksvergoeding werd toegewezen vanaf ontbinding tot ontruiming. Gedaagde werd veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, gebruiksvergoeding en ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11809386 \ CV EXPL 25-2062
Vonnis van 6 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: H.G. Zeiger, werkzaam bij Bouma Zeiger Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025. [eiser] verscheen samen met zijn gemachtigde, H.G. Zeiger. [gedaagde] is niet verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

De kantonrechter ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst omdat [gedaagde] een huurachterstand van ruim drie maanden heeft laten ontstaan en onvoldoende is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de ontbinding van de huurovereenkomst niet zou rechtvaardigen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verhuurt met ingang van 1 april 2023 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 759,00
per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Aanvankelijk huurde [gedaagde] samen met [medebewoner] de woning, maar vanaf 31 augustus 2024 huurt [gedaagde] de woning alleen.

4.Het geschil

De vordering
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand met wettelijke rente en tot betaling van een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs vanaf het moment van ontbinding van de huurovereenkomst tot het moment dat [gedaagde] de woning verlaat. Bij dit alles vordert [eiser] de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Er is inmiddels sprake van een huurachterstand van vijf maanden. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
Het verweer
4.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. [gedaagde] heeft een zwaar jaar gehad en is bezig met het aflossen van de huurachterstand. [gedaagde] heeft al een deel van de huurachterstand afgelost en wil de resterende achterstand in vier of vijf maanden afbetalen.

5.De beoordeling

Er is sprake van een huurachterstand
5.1.
[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord erkend dat er een huurachterstand is die tot en met de dag van dagvaarding berekend is op een bedrag van € 3.795,00. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat [gedaagde] inderdaad de dag voor de rolzitting waarop [gedaagde] mondeling voor antwoord heeft geconcludeerd, een bedrag van € 2.170,63 heeft betaald bij de gemachtigde. Hierna hebben wel betalingen plaatsgevonden, maar zijn niet alle openvallen huurtermijnen volledig betaald. De huurachterstand op het moment van de mondelinge behandeling bedraagt nog € 2.659,57. [gedaagde] is niet bij de mondelinge behandeling verschenen en heeft vorenstaande dus ook niet betwist. De kantonrechter zal de gevorderde betaling van de huurachterstand van € 2.659,57, zijnde de verschuldigde huurtermijnen tot en met december 2025, dan ook toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente.
De vordering tot ontbinding en ontruiming wordt toegewezen
5.2.
De volgende vraag is of de ontbinding en ontruiming toewijsbaar zijn. Op grond van artikel 6:265 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan een huurovereenkomst worden ontbonden indien een partij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen. Hiervoor is al gebleken dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting uit de huurovereenkomst niet is nagekomen en er momenteel sprake is van een huurachterstand van ruim drie maanden. In beginsel is de vordering van [eiser] op grond van de hoofdregel van artikel 6:265 lid 1 BW Pro toewijsbaar. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat hij een beroep doet op de ‘tenzij-clausule’ en aanvoert dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft beslist (HR 28 september 2018, ECLI:HR:NL:2018:1810) dat de afweging die plaatsvindt bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, niet slechts plaatsvindt aan de hand van de in artikel 6:265 lid 1 BW Pro genoemde gezichtspunten, maar dat alle overige omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de ontbinding van de huurovereenkomst niet zouden rechtvaardigen. Het feit dat [gedaagde] de maandelijkse huur niet kon betalen wegens een moeilijke periode, is onvoldoende. Daarbij is van belang dat [gedaagde] onvoldoende heeft laten zien dat hij de huurachterstand wil aflossen, ondanks dat hij tijdens de rolzitting heeft meegedeeld dat het weer beter gaat. Nadat [gedaagde] werd gedagvaard, heeft hij de maandelijkse huurtermijnen meerdere keren te laat betaald. [gedaagde] is ook niet bij de mondelinge behandeling verschenen om te kijken naar de mogelijkheden tot het treffen van een betalingsregeling. Er is aldus niet gebleken dat [gedaagde] stappen heeft genomen of wil nemen om zijn financiële situatie te verbeteren.
5.4.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen binnen twee weken na betekening van dit vonnis.
De incassokosten
5.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat hiervoor niet is aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 518,61 worden toegewezen.
De gebruiksvergoeding
5.6.
[eiser] wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 759,00, te rekenen vanaf heden tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
De proceskosten
5.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
Totaal
1.080,14

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [woonplaats] , met veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde met al de zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voor zover deze laatste het eigendom van [eiser] niet zijn, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, in behoorlijke staat op te leveren en ter algehele beschikking van [eiser] te stellen;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.659,57, met wettelijke rente vanaf de vervaldag van de openstaande huurtermijnen tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen, vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag der ontruiming, een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs van € 759,00 voor elke maand, of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft met de ontruiming van het gehuurde;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 518,61 aan buitengerechtelijke kosten;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.080,14, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.