ECLI:NL:RBOVE:2026:581

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11891137 \ CV EXPL 25-2829
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 238 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen verhuurder wegens beëindiging huurovereenkomst met wederzijds goedvinden

Tussen verhuurder en huurder is een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte, ingaand op 1 december 2024. De verhuurder vorderde betaling van huurachterstand, een boete, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten, stellende dat de huurder tekort was geschoten in de nakoming.

De huurder stelde dat de huurovereenkomst per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden was beëindigd, mede onderbouwd met een WhatsApp-bericht en het feit dat hij eind juni 2025 het pand had verlaten. De verhuurder had het pand op 15 augustus 2025 verkocht.

De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder de waarheidsplicht had geschonden door niet te vermelden dat het pand was verkocht en de huurovereenkomst daardoor was geëindigd. De ontbindingsvordering werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De overige vorderingen werden afgewezen omdat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd per 1 juli 2025.

De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten, waarbij de huurder een vergoeding kreeg voor reis- en verblijfkosten. Het vonnis werd gewezen door mr. J.M. Marsman en uitgesproken op 27 januari 2026.

Uitkomst: De vorderingen van de verhuurder worden afgewezen omdat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2025 is beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11891137 \ CV EXPL 25-2829
Vonnis van 27 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Wiggers Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijfsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 2 januari 2026 met productie(s) van [gedaagde]
1.2.
Op 12 januari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met [eiser] , bijgestaan door E.A.S. Wiggers en [gedaagde] , vergezeld door mevrouw [naam] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 december 2024. [eiser] vordert in deze procedure betaling van een huurachterstand tot 1 oktober 2025, een boete van drie maanden, een schadevergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [gedaagde] wil dat de vorderingen worden afgewezen omdat de huurovereenkomst per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.De feiten

3.1.
Op 30 juni 2022 heeft [eiser] als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met [huurder] als huurder met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te [woonplaats] voor de duur van vijf jaar, eindigend op 15 mei 2027.
3.2.
Op 1 december 2024 zijn [eiser] en [huurder] met [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] per 1 december 2024 de huurovereenkomst en de daarbij behorende rechten en verplichtingen overneemt van [huurder] . Partijen hebben hiervoor een overeenkomt tot indeplaatsstelling gesloten. De maandelijkse huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.034,30 inclusief btw en was bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.3.
Op 1 juni 2025 heeft [eiser] een Whatsapp bericht gestuurd aan [gedaagde] . Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..)Dag [gedaagde] , ik kan je (weer) niet bereiken. Je hebt de huur van juni niet voldaan. Weer te laat dus. Wat mij betreft mag je zsm vertrekken uit mijn pand. Gr [eiser] . (..)
3.4.
[gedaagde] heeft de huur t/m juni 2025 betaald.
3.5.
Eind juni 2025 is [gedaagde] uit het pand vertrokken.
3.6.
Op 15 augustus 2025 heeft [eiser] de bedrijfsruimte verkocht.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.102,90 aan achterstallige huur;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 900,00 ter zake een boete;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 12.411,60 aan schadevergoeding
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 525,29 aan buitengerechtelijke kosten
De huurovereenkomst tussen partijen ontbindt
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten
4.2.
[eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen op grond van de huurovereenkomst door in gebreke te blijven met de volledige betaling van de huurpenningen. Er is volgens [eiser] tot en met september 2025 een huurachterstand van € 3.102,90 ontstaan. Op grond van artikel 23.2 van de algemene voorwaarden verbeurt [gedaagde] een boete van € 300,00 per maand voor elke maand dat de huur niet op de vervaldag is voldaan. Aangezien er een huurachterstand is van drie maanden is [gedaagde] [eiser] een contractuele boete verschuldigd van € 900,00. De huurachterstand vormt een zodanige ernstige tekortkoming in de nakoming dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. [eiser] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en een schadevergoeding vanwege het niet uitdienen van de contractueel overeengekomen huurtermijn.
4.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert het volgende aan. De huurovereenkomst tussen partijen is met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juli 2025. Daarnaast heeft [eiser] het pand op 15 augustus 2025 verkocht. [gedaagde] is daarom niets verschuldigd aan [eiser] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Schending waarheidsplicht
5.1.
Artikel 21 Rv Pro bepaalt dat partijen verplicht zijn om de feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze bepaling dient het zwaarwegende maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, maar strekt ook ter bescherming van het processuele belang van de wederpartij.
5.2.
In de dagvaarding van 16 september 2025 vordert [eiser] niet alleen betaling van huurachterstand t/m september 2025, maar ook een boete en een schadevergoeding vanwege het niet voortzetten van de huurovereenkomst tot 15 mei 2027. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [eiser] op 15 augustus 2025 de bedrijfsruimte heeft verkocht en overgedragen aan een derde. Uit deze gang van zaken volgt dat [eiser] in de dagvaarding de kantonrechter op het punt van voor de beslissing relevant zijnde feiten in strijd met de waarheid heeft voorgelicht. [eiser] had in de dagvaarding moeten vermelden dat de bedrijfsruimte en daarmee de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] per 15 augustus 2025 door verkoop is geëindigd of is overgegaan op een andere partij. Dit geldt te meer omdat het informatie betreft die cruciaal is voor de te nemen beslissing. [eiser] vordert onder meer een forse schadevergoeding vanwege het niet voortzetten van de huurovereenkomst tot 15 mei 2027, terwijl hij ten tijde van de dagvaarding al wist dat het pand op 15 augustus 2025 is overgedragen aan een andere partij en [eiser] dus helemaal geen recht meer had op die gelden. Dit betekent dat een groot deel van de vorderingen van [eiser] alleen hierom al dienen te worden afgewezen. De kantonrechter stelt dan ook dat vast dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden. De kantonrechter kan op grond van artikel 21 Rv Pro hier de gevolgrekkingen aan verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter zal dat hieronder nader bespreken.
Ontbinding
5.3.
[eiser] heeft bij dagvaarding ontbinding van de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij desgevraagd gemeld dat de bedrijfsruimte op 15 augustus 2025 is verkocht en overgedragen aan een andere partij. Deze vordering wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen.
De geldvorderingen
5.4.
De overige vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op zijn stelling dat de huurovereenkomst tussen partijen na 1 juli 2025 is blijven doorlopen. [gedaagde] voert echter als verweer dat op die datum de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Hij heeft deze stelling onderbouwd door te wijzen op het Whatsapp bericht van [eiser] van 1 juni 2025 waarin hij schrijft dat [gedaagde] zo spoedig mogelijk mag vertrekken. Verder heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat [eiser] op 27 juni 2025 persoonlijk is langs geweest om te kijken hoever hij was met de ontruiming en heeft [gedaagde] eind juni het pand verlaten. [eiser] had er ook belang bij dat [gedaagde] spoedig zou vertrekken. Het pand is/ was immers verkocht en de levering heeft op 15 augustus 2025 plaatsgevonden. [gedaagde] voert dan ook aan dat [eiser] heeft verzocht om te vertrekken en dat hij daar mee heeft ingestemd.
5.5.
[eiser] betwist deze beëindiging met wederzijds goedvinden. Hij stelt dat hij slechts een aanbod heeft gedaan om te onderhandelen over de beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden, maar dat [gedaagde] hier niet op is ingegaan.
5.6.
De kantonrechter overweegt dat het handelen van [eiser] na 1 juli 2025 niet strookt met zijn stelling dat de huurovereenkomst is blijven voortduren. In de dagvaarding stelt [eiser] dat [gedaagde] het gehuurde op 7 juli 2025 heeft verlaten. [eiser] heeft echter niet danwel onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij op 27 juni 2025 is langs geweest om te kijken hoever [gedaagde] was met de ontruiming. Verder heeft [eiser] de bedrijfsruimte kort daarna verkocht en overgedragen aan en derde. [eiser] heeft daarbij niet uitgelegd of hij de bedrijfsruimte in verhuurde staat heeft verkocht. Wanneer [eiser] de koopovereenkomst met de kopende partij heeft gesloten stelt hij ook niet. Dat de koopovereenkomst voor 1 juli 2025 al was getekend weerspreekt [eiser] hiermee niet. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat hij contact heeft gehad met de nieuwe eigenaar en dat deze zich niet op het standpunt stelt dat er nog sprake is van een huurovereenkomst. [eiser] heeft niet onderbouwd dat de koop met behoud van huur is gesloten en uit de feiten volgt dat evenmin. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de bedrijfsruimte in onverhuurde staat is verkocht, dat [eiser] er belang bij had dat [gedaagde] zo snel mogelijk uit het gehuurde vertrok, en de huurovereenkomst daarom met wederzijds goedvinden per 1 juli 2025 is geëindigd. De kantonrechter neemt hierbij mee dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden en acht daarom meer waarde aan de juistheid van het onderbouwde standpunt van [gedaagde] .
5.7.
Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter de stellingen van [eiser] onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
5.8.
[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde] zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, komt hij op grond van artikel 238 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanmerking voor een bedrag voor reis- en verblijfkosten en noodzakelijke verletkosten. De kantonrechter begroot die kosten, gebaseerd op de aanwezigheid bij de rolzitting en de mondelinge behandeling, op € 100,-.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.