Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Overijssel
Tussen verhuurder en huurder is een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte, ingaand op 1 december 2024. De verhuurder vorderde betaling van huurachterstand, een boete, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten, stellende dat de huurder tekort was geschoten in de nakoming.
De huurder stelde dat de huurovereenkomst per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden was beëindigd, mede onderbouwd met een WhatsApp-bericht en het feit dat hij eind juni 2025 het pand had verlaten. De verhuurder had het pand op 15 augustus 2025 verkocht.
De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder de waarheidsplicht had geschonden door niet te vermelden dat het pand was verkocht en de huurovereenkomst daardoor was geëindigd. De ontbindingsvordering werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De overige vorderingen werden afgewezen omdat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd per 1 juli 2025.
De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten, waarbij de huurder een vergoeding kreeg voor reis- en verblijfkosten. Het vonnis werd gewezen door mr. J.M. Marsman en uitgesproken op 27 januari 2026.
Uitkomst: De vorderingen van de verhuurder worden afgewezen omdat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2025 is beëindigd.