ECLI:NL:RBOVE:2026:585

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11918629 \ CV EXPL 25-3006
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:96 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en betaling huurachterstand toegewezen

De verhuurder, Stichting WBO Wonen, vordert ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van een huurachterstand van €2.385,70 tot en met december 2025. De huurder erkent de achterstand maar verzet zich tegen ontbinding vanwege persoonlijke en financiële omstandigheden en een lopende aanvraag bij de Stadsbank Oost Nederland voor budgetbeheer.

Tijdens de mondelinge behandeling is de procedure aangehouden om een betalingsregeling te onderzoeken, maar de huurder toonde onvoldoende medewerking en er zijn geen concrete stappen gezet. De kantonrechter oordeelt dat de omvang van de huurachterstand en herhaalde wanprestatie, waaronder een eerdere veroordeling in 2022, ontbinding rechtvaardigen.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding over de periode tussen ontbinding en ontruiming. De ontruiming moet binnen 14 dagen na betekening plaatsvinden. De huurder draagt tevens de proceskosten van €1.040,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten en ontruiming binnen 14 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11918629 \ CV EXPL 25-3006
Vonnis van 27 januari 2026
in de zaak van
STICHTING WBO WONEN,
te Oldenzaal,
eisende partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de huurder,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 september 2025,
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 14 oktober 2025;
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 oktober 2025. Namens de verhuurder is verschenen, mevrouw [naam], werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis. Ook de huurder is verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken de procedure aan te houden om de huurder c.q. de Stadsbank Oost Nederland de gelegenheid te bieden om het budgetbeheer op starten en de mogelijkheden voor een betalingsregeling te beoordelen.
1.4.
Bij akte (tevens vermeerdering en vermindering van eis) van 9 december 2025 heeft de verhuurder laten weten dat partijen nog geen akkoord hebben kunnen bereiken over een aflossingsregeling omdat de huurder niet over inkomen beschikt. Bij het UWV is een uitkering aangevraagd, maar de toekenning hiervan valt of staat samen met de medewerking van de huurder. Tot dusver is gebleken dat deze medewerking bij vlagen ontbreekt. Als gevolg hiervan zijn inmiddels twee maanden verstreken zonder dat er concrete stappen zijn gezet c.q. konden gezet worden, aldus de verhuurder. De verhuurder vraagt dan ook vonnis te wijzen in deze procedure. De huurder heeft niet (meer) gereageerd.
1.5.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De huurder huurt van de verhuurder het woonhuis gelegen aan de [adres] te [woonplaats] tegen een huurprijs van op dit moment € 595,95 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.

3.Het geschil

3.1.
De verhuurder vordert kort gezegd ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Aan deze vordering legt de verhuurder ten grondslag dat de huurder zijn betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
De huurder heeft de (huur)achterstand niet betwist. De huurder is het echter niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. De huurder voert aan dat hij vanwege financiële en persoonlijke omstandigheden niet in staat is (geweest) de achterstallige huur te voldoen. Volgens de huurder heeft hij zich inmiddels bij de Stadsbank Oost Nederland aangemeld voor een budgetbeheerrekening en zou er een plan van aanpak worden opgesteld voor zijn schulden. De huurder wil graag een regeling treffen.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden

4.1.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
De huurachterstand
4.2.
Bij haar akte van 9 december 2025 heeft de verhuurder de huurachterstand geactualiseerd. Volgens de verhuurder is er sprake van een huurachterstand van € 2.385,70, berekend tot en met december 2025. Omdat de huurder niet heeft betwist dat hij de huurachterstand moet betalen, zal de huurachterstand van € 2.385,70, worden toegewezen.
De bijkomende kosten.
4.3.
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld.
4.4.
De verhuurder heeft een bedrag van € 216,34 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De verhuurder heeft hiervoor aan de huurder aanmaningen gestuurd op 8 juli en 4 augustus 2025. Een deel van de gevorderde BTW zal worden afgewezen, omdat hiervoor in de aanmaning van
8 juli 2025 niet is aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 BW Pro. Dat betekent dat aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen een bedrag van € 197,55 (inclusief € 18,77 BTW).
De ontbinding en ontruiming.
4.5.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand, waarvan in deze zaak sprake is, van zodanige omvang is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De door huurder genoemde financiële en persoonlijke omstandigheden leveren geen overmacht op en ontslaan huurder niet van de verplichting om de huur op tijd te voldoen. De huurder heeft hulp gezocht bij de Stadsbank Oost en dat is goed. Onvoldoende is echter gesteld en gebleken dat betaling van toekomstige huur nu voldoende is gewaarborgd. De achterstand is verder opgelopen en er is nog geen betalingsvoorstel gedaan. Daarnaast weegt mee dat sprake is van herhaalde wanprestatie. Ook bij vonnis van 18 oktober 2022 is de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen, rente en kosten. Ook is in dat vonnis de ontbinding en ontruiming uitgesproken. Nu is wederom sprake van een achterstand van meer dan drie maanden. De gevorderde ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen. De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.
4.7.
De verhuurder vordert betaling van de achterstallige huur tot de datum van de ontbinding en daarnaast betaling van een vergoeding gelijk aan de huurprijs over de periode gelegen tussen de datum van de ontbinding en de ontruiming. Nu op dit punt geen verweer is gevoerd, zal de vordering als zodanig worden toegewezen.
De proceskosten.
4.8.
De huurder zal als de verliezende partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van verhuurder worden begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 385,00
- salaris gemachtigde € 408,00 (2 punt x tarief € 204,00)
- nakosten
€ 102,00
Totaal € 1.040,45.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde gelegen aan de [adres] te [adres] [woonplaats] ;
5.2.
veroordeelt de huurder om het perceel, met al wie en al wat zich daarin vanwege hem bevindt binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels en geheel ter vrije beschikking van de verhuurder te stellen, met aanzegging dat, indien de huurder daarmee in gebreke mochten blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd en de huurder met alle zich daarop en daarin bevindende personen en niet aan de verhuurder toebehorende roerende zaken uit genoemd perceel te doen brengen naar de openbare straat;
5.3.
veroordeelt de huurder om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de verhuurder:
€ 2.385,70 aan opeisbaar geworden en onbetaald gelaten huurtermijnen berekend tot en met de december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.787,85 vanaf 8 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
€ 4,51 aan wettelijke rente, berekend tot 8 september 2025;
€ 197,55 (incl. € 18,77 BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten;
een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs, zoals deze zonder ontbinding van de huurovereenkomst zou hebben gegolden voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 1 januari 2026 en de daadwerkelijke ontruiming,
5.4.
veroordeelt de huurder in de proceskosten van € 1.040,45, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien de huurder niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. (ak)