ECLI:NL:RBOVE:2026:629

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/08/325007 / HA ZA 24-461
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding wegens tekortkoming in aannemingsovereenkomst

In deze civiele zaak vordert [partij A] schadevergoeding wegens tekortkoming door [partij B] in een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden aan een woning. De rechtbank bevestigt dat sprake is van gebreken die aan [partij B] zijn toe te rekenen en dat de vordering tot herstel is omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.

De rechtbank baseert zich op een deskundigenrapport van [bedrijf 1], dat stelt dat de meest kostenefficiënte herstelwijze volledige sloop en nieuwbouw van de aanbouw is, met een schadebedrag van circa € 572.725,00. Na beoordeling van bezwaren van [partij B] en vergelijking met een partijdeskundigenrapport (BBD) wordt het schadebedrag aangepast tot € 277.140,00, verminderd met een verrekening van € 16.178,40 wegens onbetaalde facturen en wettelijke rente.

Daarnaast worden kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten worden aan [partij B] opgelegd. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In reconventie worden de vorderingen van [partij B] afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [partij B] tot betaling van ruim €260.000 schadevergoeding, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan [partij A] wegens tekortkoming in de aannemingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/325007 / HA ZA 24-461
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. F.J.M. Kobossen,
tegen

1.[partij B 1],

te [vestigingsplaats],
2.
[partij B 2],
te [woonplaats 2],
3.
[partij B 3],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B],
advocaat: mr. J. Schutrups.

1.De procedure

1.1.
Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 3 september 2025 is uitgesproken. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het deskundigenrapport van [naam], werkzaam bij [bedrijf 1], (verder:
rapport [bedrijf 1])
- het bericht van [partij A] over het deskundigenrapport
- de antwoordakte met bijlagen 1 en 2 [partij B] c.s..
- het bericht van [partij A] naar aanleiding van de producties bij de antwoordakte van [partij B] c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
Ten aanzien van de vordering onder a. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025)
2.1.
In rechtsoverweging 4.7. van het vonnis van 28 mei 2025 is al geoordeeld dat sprake is van gebreken die aan [partij B] zijn toe te rekenen, en [partij A] de vordering tot herstel heeft kunnen omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
Dat betekent dat de gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Ten aanzien van de vordering onder b. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025)
2.2.
Volgens het rapport [bedrijf 1] is de meest kostenefficiënte herstelwijze van de geconstateerde gebreken volledige sloop van de bestaande aanbouw en volledig nieuw bouwen van de aanbouw, omdat zowel de bestaande funderingsconstructie (inclusief de begane grondvloer), grote delen van de draagconstructie (inclusief de dakvloer) en diverse gevel- en wandelementen gebreken vertonen. De kosten van herstel van de gebreken wordt begroot op € 572.725,00, terwijl de kosten van sloop en vervangende nieuwbouw worden begroot op € 522.869,00, een verschil van € 49.856,00.
2.3.
[partij B] c.s. hebben bezwaren tegen het rapport [bedrijf 1].
Zij concluderen op grond daarvan dat het rapport bij de beoordeling buiten beschouwing moet worden gelaten, dan wel dat aan de kostenbegroting geen beslissende bewijskracht moet worden toegekend. Zij stellen onder verwijzing naar bijlagen 1, 2 en 3 (deze laatste bijlage zal hierna worden genoemd (“
rapport BBD”) voor, (primair) de schade vast te stellen op de geïndexeerde waarde oorspronkelijke aanneemsom, uitkomend op een bedrag van € 130.412,50 inclusief btw van de opdracht en (subsidiair) de schade te begroten op € 176.502. Door verrekening moet daarop nog een bedrag van € 16.184,82 in mindering worden gebracht.
2.4.
[partij A] heeft naar aanleiding van het rapport [bedrijf 1] geen opmerkingen.
Volgens [partij A] is het rapport BBD “van onwaarde” en dient het te worden “geëcarteerd”. [partij A] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en merkt daarnaast op dat hij zijn vorderingen en standpunten handhaaft, omdat het rapport [bedrijf 1] bijna naadloos aansluit op het rapport [bedrijf 3].
2.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben geen bezwaren gemaakt tegen de conclusie in het rapport dat de meest kostenefficiënte wijze van herstel bestaat uit sloop en vervangende nieuwbouw. Die conclusie neemt de rechtbank over. Zij zal in wat hierna volgt dus uitgaan van de daarmee samenhangende kostenbegroting.
Uitgangspunt daarbij is dat in beginsel de door de rechtbank benoemde deskundige zal worden gevolgd en niet BBD als partijdeskundige, tenzij er duidelijke gronden zijn om daarvan af te wijken. Van gronden om het rapport BBD in zijn geheel buiten beschouwing te laten (“ecarteren”) of ‘van onwaarde” te achten is, anders dan [partij A] ingang wil doen vinden, niet gebleken. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende bezwaren van [partij B] c.s. tegen het rapport [bedrijf 1].
2.6.
In de eerste plaats staat volgens [partij B] c.s. het in het rapport genoemde bedrag voor herstel niet in verhouding tot de oorspronkelijk aanneemsom van € 89.608.
2.6.1.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het rapport [bedrijf 1] buiten beschouwing te laten of om de herstelkosten te matigen. [partij B] heeft zich blijkens de aannemingsovereenkomst verplicht tot ver- en aanbouw van de woning van
[partij A], tegen genoemde vaste aanneemsom. Vastgesteld is dat [partij B] tekort geschoten is in haar verplichtingen uit deze aannemingsovereenkomst en dat
[partij A] in verband daarmee de verplichtingen van [partij B] uit deze overeenkomst heeft omgezet in een tot vervangende schadevergoeding. Aangezien de schadevergoeding in de plaats treedt van de oorspronkelijk door [partij B] te verrichten prestatie, zal het dus gaan om vergoeding van de waarde van die prestatie, en niet om de daartegenover overeengekomen tegenprestatie (de aanneemsom). Dat een en ander aanzienlijk uit elkaar loopt leidt niet tot een ander oordeel. Aangenomen kan worden dat [partij B] de door haar geoffreerde prijs zal hebben afgestemd op de wijze waarop zij meende dit werk te kunnen uitvoeren, maar gelet op de omstandigheid dat in het vonnis van 28 mei 2025 is vastgesteld dat 14 gebreken verband houden met een met het Bouwbesluit strijdige wijze van bouwen, is niet uit te sluiten dat de geoffreerde prijs niet een prijs betrof waartegen conform het Bouwbesluit kon worden gebouwd. Er bestaat geen aanleiding om die omstandigheid in het nadeel van [partij A] te laten zijn, omdat
[partij A] geen reden had om niet te mogen verwachten dat overeenkomstig het Bouwbesluit zou worden gebouwd. Anders dan [partij B] c.s. aanvoeren, behoefde de deskundige aan de omvang van de oorspronkelijk aanneemsom in verhouding tot het door hem begrote bedrag dan ook geen nadere overweging te wijden.
2.7.
In de tweede plaats wijzen [partij B] c.s. erop dat in het rapport in de kostenraming posten zijn opgenomen die geen onderdeel vormden van de oorspronkelijke opdracht. Als voorbeeld worden genoemd nieuwe PV-panelen, nieuw sanitair, nieuwe warmtepomp, nieuwe verlichtingsarmaturen, nieuwe keukeninrichting en een nieuwe ventilatie-installatie. Het gaat daarbij volgens [partij B] c.s. om een bedrag van € 74.720,00. [partij A] heeft op het punt dat [partij B] c.s. hier aan de orde stellen, niet gereageerd.
2.7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In de kostenbegroting van het rapport worden deze onderdelen en dit bedrag genoemd in de begroting van de kosten van herstel van de bestaande aanbouw, onder het kopje “
Installaties vervangen ipv terplaatsen ivm garanties”. Dit kopje is niet opgenomen in de begroting van de kosten op basis van sloop en nieuwbouw, die uitgangspunt vormt voor de begroting van de schade. Wel is in die begroting onder “B 3 7 vaste voorzieningen ” opgenomen “73 vaste keukenvoorzieningen […] € 25.000,00” en “74 vaste sanitaire voorzieningen […] € 6.000,00”.
De rechtbank ziet aanleiding om [partij B] c.s. te volgen in hun conclusie voor zover het keukenvoorzieningen en sanitaire voorzieningen betreft, zodat deze posten uit “B.3 Vaste inrichtingen en voorzieningen” op nihil zullen worden gezet, hetgeen (in combinatie met algemene uitvoeringskosten) leidt tot een vermindering van post B.3 van € 37.713,00. Het betreft regels 58 tot en met 67 uit de begroting in rechtsoverweging 2.10 van dit vonnis.Zie hierna ook rechtsoverweging 2.9.15.
2.8.
In de derde plaats wijzen [partij B] c.s. onder verwijzing naar het rapport BBD erop dat kosten zijn meegenomen die voor rekening van de opdrachtgever zouden moeten komen. Het gaat daarbij onder meer om kosten voor een architect, constructieberekeningen en installatietekeningen en -berekeningen. Ook op dit punt heeft [partij A] niet gereageerd.
2.8.1.
Aangezien [partij A] niet heeft betwist dat deze kosten niet voor rekening van de opdrachtgever dienen te komen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van het standpunt van [partij B]. Het betoog van [partij B] c.s. leidt in combinatie met het rapport van BBD (die alle bijkomende kosten onder de rubriek D 2 op nihil heeft gesteld) tot de conclusie deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft regels 87 tot en met 97 uit de begroting in rechtsoverweging 2.10.
2.9.
Verder wijkt het rapport BBD op andere punten af van het rapport [bedrijf 1].
Per regel, waarbij wordt verwezen naar de begroting in rechtsoverweging 2.10, zal de rechtbank aangeven welk rapport zij volgt en met welke reden.
2.9.1.
Regel 4 “Beproevingen en advieskosten”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post niet voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen.
De rechtbank volgt rapport [bedrijf 1] op dit punt.
2.9.2.
Regel 10 “Vloeren op grondslag in huis”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post niet voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Aangezien het om aan- en verbouw gaat, kan worden aangenomen dat ook de vloer in de woning deels door het herstel wordt geraakt. De rechtbank volgt rapport [bedrijf 1] op dit punt.
2.9.3.
Regel 18 “Isolaties leveren en aanbrengen daken”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 16 “Daken” de kosten van isolatie zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt, in samenhang met rechtsoverweging 4.6.2. van het vonnis van 28 mei 2025, dat levering en aanbrengen van isolatie (met uitzondering van bodemisolatie) buiten de aannemingsovereenkomst valt.
Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd.
2.9.4.
Regel 19 “Isolaties leveren en aanbrengen wanden”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 14 “Buitenwanden” en regel 15 “Binnenwanden” de kosten van isolatie zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt, in samenhang met rechtsoverweging 4.6.2. van het vonnis van 28 mei 2025, dat levering en aanbrengen van isolatie (met uitzondering van bodemisolatie) buiten de aannemingsovereenkomst valt. Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd.
2.9.5.
Regel 20 “Houtskeletbouw multiplex”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post in mindering zou moeten strekken op de vergoeding. De rechtbank volgt het rapport [bedrijf 1] op dit punt.
2.9.6.
Regel 25 “Hang en sluitwerk binnendeuren”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 29 “Binnenwandafwerkingen” deze kosten zijn inbegrepen. De kosten vallen blijkens de aannemingsovereenkomst echter buiten de scope van het aangenomen werk. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd.
2.9.7.
Regel 26 “Bouwkundige voorzieningen tbv installaties”. Zonder toelichting, maar deze ontbreekt, valt niet in te zien om welke reden een post onder deze naam in mindering moet worden gebracht op de te vergoeden schade.
2.9.8.
Regel 35 “Schilderwerken kozijn bi-bui”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 28 “Buitenwandafwerkingen” en regel 29 “Binnenwandafwerkingen” de kosten van schilderwerk zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt echter dat dit niet in de scope van het aangenomen werk zit (“Alle geschilderde delen worden gegrond geleverd, verder geen schilderwerkzaamheden”). Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. De rechtbank volgt het rapport BBD op dit punt.
2.9.9.
Regel 36 “Binnenwandafwerkingen”. Zonder toelichting, maar deze ontbreekt, valt niet in te zien om welke reden deze post in mindering moet worden gebracht op de te vergoeden schade, waardoor regel 29 per saldo op ongeveer nihil wordt gesteld.
2.9.10.
Regel 37 “Plafondafwerkingen Schilderwerken”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 45 “Plafondafwerkingen” de kosten van schilderwerk zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt echter dat dit niet in de scope van het aangenomen werk zit (“Alle geschilderde delen worden gegrond geleverd, verder geen schilderwerkzaamheden”). Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. De rechtbank volgt het rapport BBD op dit punt.
2.9.11.
Regel 38 “afwerkingspakketten”. Zonder toelichting, maar deze ontbreekt, valt niet in te zien om welke reden deze post in mindering moet worden gebracht op de te vergoeden schade, waardoor regel 34 per saldo op ongeveer nihil wordt gesteld.
2.9.12.
Regels 40, 41, 42. (“Bouwplaatskosten”, “Algemene kosten” en “Winst en risico”) Zonder toelichting is in het BBD rapport uitgegaan van andere percentages dan in het rapport [bedrijf 1]. De rechtbank volgt het rapport [bedrijf 1] op deze punten.
2.9.13.
Regel 43 “CAR-verzekering”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. In het rapport BBD wordt gemotiveerd dat de CAR-verzekering onder de algemene bouwplaatskosten moet worden geschaard. De rechtbank volgt BBD op dit punt.
2.9.14.
Regels 46 tot en met 56 (“Installaties”). Uit de aannemingsovereenkomst volgt niet dat levering en installatie warmte- of elektrotechnische installaties binnen de scope van het aangenomen werk viel. De rechtbank zal deze posten op nihil stellen, evenals de daaraan gerelateerde indirecte bouwkosten.
2.9.15.
Regels 58 tot en met 67 (“Vaste inrichtingen en voorzieningen”). Zie rechtsoverweging 2.7.1. De rechtbank zal deze posten op nihil stellen, evenals de daaraan gerelateerde indirecte bouwkosten.
2.9.16.
Regel 69 tot en met 77 (“Terrein”). [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Niet valt in te zien dat inrichting van de voor- en achtertuin onderdeel uitmaakte van het door [partij B] aanvaarde werk. Deze post, en de als gevolg daarvan te maken indirecte bouwkosten zullen op nihil worden gesteld.
2.9.17.
Regel 79 tot en met 84 (“Algemene uitvoeringskosten/diverse”). Deze regels zijn in het rapport [bedrijf 1] opgenomen en betreffen volgens BBD een dubbeltelling. De rechtbank volgt het rapport BBD hierin niet, omdat de bouwkosten genoemd in regel 109, de (gesaldeerde) directe bouwkosten betreft. Van een dubbeltelling is dus geen sprake.
2.9.18.
Regels 87 tot en met 97. Zie rechtsoverweging 2.8 en 2.8.1.
2.9.19.
Regel 98 (“Tijdelijke huisvesting”). Zonder toelichting is deze post niet teruggekomen in het rapport BBD. Niet valt in te zien om welke reden deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.
2.9.20.
Regel 102 (“onvoorzien”). In antwoord op vraag 3 is in het rapport [bedrijf 1] onderbouwd uitgelegd om welke reden deze post dient te worden opgenomen. Zonder uitleg is in het rapport BBD deze post niet genoemd. De rechtbank volgt het rapport [bedrijf 1] op dit punt.
2.9.21.
Regel 103 (“indexering naar prijspeil 2026”). Zonder uitleg is in het rapport BBD deze post niet overgenomen. De rechtbank volgt het rapport [bedrijf 1] op dit punt. Dat heeft wel tot gevolg dat de wettelijke rente over de schade (gevorderd vanaf 1 juli 2024), die een schadevergoeding voor vertraging in de betaling van een geldsom inhoudt, over de periode tot aan indexatie niet voor vergoeding in aanmerking komt, maar pas vanaf 1 januari 2026.
2.10.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende begroting van de vervangende schadevergoeding.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
De conclusie is dat ten titel van vervangende schadevergoeding [partij B] c.s. een bedrag van € 277.140,00 aan [partij A] verschuldigd zijn.
2.11.
[partij B] c.s. heeft bij conclusie van antwoord en bij hun antwoordakte aangevoerd dat op dit bedrag een € 16.184,82 ter verrekening in mindering moet worden gebracht. Het gaat daarbij om facturen van [partij B] die
[partij A] onbetaald heeft gelaten en die in verrekening worden gebracht. Het betreft de factuur met betrekking tot binnendeuren van 24 juni 2022 van € 3.570,00 en de slotfactuur van de aannemingsovereenkomst van 7 juli 2022 van € 10.624,75, dus per saldo € 14.194,75. Beide facturen dienen volgens [partij B] te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na factuurdatum.
In het vonnis van 28 mei 2025 heeft de rechtbank (in reconventie) al geoordeeld dat de factuur voor de deuren verschuldigd is en heeft zij [partij B] in de gelegenheid gesteld de slotfactuur van € 10.624,75 in het geding te brengen, hetgeen
[partij B] c.s. bij akte van 25 juni 2025 hebben gedaan. Uit die factuur kan worden afgeleid dat op de slottermijn de bedragen voor niet uitgevoerd voegwerk en niet uitgevoerde traprenovatie in mindering zijn gebracht. Ook deze factuur is dus verschuldigd. De facturen worden verrekend met de schadevergoeding die [partij B] aan
[partij A] verschuldigd is, aangezien aan de wettelijke vereisten voor verrekening is voldaan.
Dat betekent dat een bedrag van € 14.194,75 aan hoofdsom in mindering moet worden gebracht op de schadevergoeding. Tegen de wettelijke rente heeft [partij A] geen verweer gevoerd. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 14 dagen na de onderscheidenlijke factuurdata tot 29 januari 2025. Op die dag heeft [partij B] immers door middel van de conclusie van antwoord een verrekeningsverklaring uitgebracht, waardoor de verbintenissen tot betaling (enerzijds die van [partij B] aan [partij A] ter zake van deze schadevergoeding en anderzijds die van [partij A] aan [partij B] ter zake van deze facturen en hun rente) tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zij gegaan.
Aan wettelijke rente is ter zake van de factuur van de binnendeuren een bedrag van € 500,99 verschuldigd geraakt en ter zake van de factuur van de slottermijn een bedrag van € 1.482,66. In totaal dient op de schadevergoeding dus een bedrag van € 16.178,40 in mindering te worden gebracht. Per saldo resteert dus (€ 277.140,- minus € 16.178,40) = € 260.961,60 dat door [partij B] c.s. aan [partij A] moet worden betaald.
Ten aanzien van de vordering onder c. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025)
2.12.
[partij A] vordert een bedrag van € 40.000,00. Het gaat daarbij om kosten ter vaststelling aansprakelijkheid en van de (omvang van) de schade en kosten, kosten van advisering en kosten van tijdelijk herstel.
2.13.
[partij B] c.s. hebben per post verweer gevoerd.
2.14.
De rechtbank ziet aanleiding om de kosten van de door [partij A] aangezochte deskundigen, voor zover zij aan het aannemen van aansprakelijkheid ten grondslag zijn gelegd, door [partij B] c.s. te laten vergoeden, op grond van 6:96, lid 2 BW aangezien het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Het betreft de kosten van Borg4, [bedrijf 2] en [bedrijf 3], in totaal € 14.943,59. Van de overige kosten kan, in het licht van het gemotiveerde en per post toegelichte verweer, een deugdelijke grondslag niet worden aangenomen. [partij A] heeft niet meer op deze verweren gereageerd. Zij komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente over de wel toegewezen posten is toewijsbaar vanaf 1 juli 2024.
Ten aanzien van de vordering onder f (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025)
2.15.
[partij A] vordert dat [partij B] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,- ten titel van buitengerechtelijke incassokosten.
2.16.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
De rechtbank stelt vast dat [partij A] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is minder dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
proceskosten
2.17.
[partij B] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten (inclusief de door hem voorgeschoten kosten van de door de rechtbank genoemde deskundige) van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
135,97
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
8.755,00
(2,5 punten × € 3.502,00)
- kosten deskundige
3.630,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
15.324,97
2.18.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
2.19.
De veroordelingen in conventie in dit vonnis zullen – zoals gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat het vonnis op die punten direct kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld.
in reconventie
2.20.
Aangezien de bedragen waarvan [partij B] c.s. veroordeling tot betaling vorderen, door verrekening met hetgeen [partij A] in conventie vordert al zijn betaald, zal de rechtbank de vordering in reconventie afwijzen.
2.21.
[partij B] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot:
- salaris advocaat
307,00
(1 punten × € 614,00 × 0,5 )
Totaal
307,00

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [partij B] c.s. jegens [partij A] toerekenbaar tekort zijn gekomen in de nakoming van de overeenkomst van aanneming en dat
[partij B] c.s. voor de schade die [partij A] daardoor lijdt en geleden heeft aansprakelijk is:
3.2.
veroordeelt [partij B] c.s. tot betaling van de schade die [partij A] heeft geleden, tot een bedrag van € 260.961,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
3.3.
veroordeelt [partij B] c.s. tot vergoeding van de overige schade van € 14.943,59, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening;
3.4.
veroordeelt [partij B] c.s. tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.5.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 15.324,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend
3.6.
verklaart de beslissingen onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.8.
wijst de vordering af;
3.9.
veroordeelt [partij B] c.s. in de proceskosten, begroot op € 307,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op
4 februari 2026.