ECLI:NL:RBOVE:2026:635

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11806427 \ CV EXPL 25-1254
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:53 BWArt. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 6:237 lid 1 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging koopovereenkomst wegens dwaling bij aankoop tweedehandsauto met beginnende slijtage distributieketting

De kantonrechter van de Rechtbank Overijssel behandelde een verzetprocedure waarin de koper van een tweedehandsauto de koopovereenkomst wilde vernietigen wegens verborgen gebreken aan de distributieketting. De koper stelde dat de distributieketting en tandwielen beginnende slijtage vertoonden, wat risico's voor de verkeersveiligheid met zich meebracht. De verkoper betwistte dat er sprake was van non-conformiteit en stelde dat slijtage bij een auto van deze leeftijd en prijs te verwachten was.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat de beginnende slijtage de verkeersveiligheid direct in gevaar bracht, zodat de primaire grondslag van non-conformiteit niet kon worden toegewezen. Wel werd geoordeeld dat sprake was van dwaling, omdat de koper niet hoefde te verwachten dat de distributieketting zo snel vervangen moest worden en de verkoper als professioneel handelaar een mededelingsplicht had om dit te melden.

De koopovereenkomst werd vernietigd met terugwerkende kracht, waardoor de koper recht had op terugbetaling van de koopprijs. Daarnaast werd de verkoper veroordeeld tot vergoeding van verzekeringspremies en wegenbelasting over een beperkte periode, maar niet tot vergoeding van kosten openbaar vervoer. De verkoper werd tevens veroordeeld tot het ophalen van de auto en medewerking aan de tenaamstelling. De proceskosten werden aan de verkoper opgelegd.

Uitkomst: De koopovereenkomst wordt vernietigd wegens dwaling en de verkoper wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs en vergoeding van verzekerings- en wegenbelastingskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11806427 \ CV EXPL 25-1254
Vonnis in verzet van 3 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
oorspronkelijk eisende partij,
gedaagde in deze verzetprocedure,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. M.E. Kikkert.
tegen
PIEK CAPITAL B.V.,
te Wierden,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eiseres in deze verzetprocedure,
hierna te noemen: Piek,
gemachtigde: de heer D.J.H. Dijkstra, werkzaam bij nl.legal LLP.

1.De zaak in het kort

1.1.
De kantonrechter heeft [partij A] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld (nader) bewijs te leveren van zijn stellingen dat sprake is van een kapotte distributieketting, dat vervanging daarvan noodzakelijk is en dat vervanging daarvan met hoge kosten gepaard gaat. De kantonrechter stelt op basis van de akte van [partij A] en de antwoordakte van Piek vast dat sprake is van beginnende slijtage aan de distributieketting en/of de tandwielen en dat daar potentiële risico’s aanzitten.
De kantonrechter oordeelt dat, in het licht van de gemotiveerde betwisting door Piek, niet kan worden vastgesteld dat de gestelde gebreken non-conformiteit opleveren.
Dit betekent dat de vorderingen van [partij A] niet kunnen worden toegewezen op de primaire grondslag dat sprake is van non-conformiteit.
De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van [partij A] wel kunnen worden toegewezen op de subsidiaire grondslag dat sprake is van dwaling. De kantonrechter vernietigt de koopovereenkomst tussen partijen en veroordeelt Piek tot terugbetaling van de koopprijs aan [partij A] en het ophalen van de auto. Piek moet daarnaast een deel van de door [partij A] betaalde verzekeringspremies en wegenbelasting betalen. De kosten van vervangend vervoer worden, als onvoldoende onderbouwd, afgewezen.
Piek wordt, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.

2.De procedure

2.1.
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 oktober 2025;
- de akte van [partij A] met productie;
- de antwoordakte van Piek met productie.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De kantonrechter heeft [partij A] bij tussenvonnis van 21 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld (nader) bewijs te leveren van zijn stellingen dat sprake is van een kapotte distributieketting, dat vervanging daarvan noodzakelijk is en dat vervanging daarvan met hoge kosten gepaard gaat.
3.2.
[partij A] heeft een akte overgelegd, met als bijlage een diagnoserapport dat is opgemaakt door [naam 1] , werkzaam bij [bedrijf] . In dit rapport staat:
‘[…]
Uit de analyse blijkt dat de uitlaatnokkenas afwijkt in timing ten opzichte van de krukas. Dit is duidelijk zichtbaar in de bijgevoegde scopebeelden, waarbij afbeelding 1 de foutieve meting toont en afbeelding 2 dient als referentiebeeld met correcte timing.
Het oliepeil is gecontroleerd en in orde bevonden.De gemeten afwijking duidt op beginnende slijtage van de distributieketting en/of tandwielen(onderstreping door de kantonrechter).
Als vervolgadvies wordt geadviseerd de distributieketting te demonteren, de nokkenaslagerkap 1 uit te bouwen en te controleren op het bekende oliedichtingsprobleem. Vervolgens dienen de ketting en tandwielen te worden vervangen, waarbij wordt aangeraden de motor te voorzien van verse olie.[…]’
3.3.
[partij A] voert bij akte ter toelichting aan dat de distributieketting zorgt voor de timing tussen onder meer de krukas, nokkenassen, kleppen en de verbranding. Als de timing verder verslechtert, kan de auto hierdoor ernstige motorschade oplopen of kan de auto stilvallen tijdens het rijden, aldus [partij A] . Ook zijn er volgens [partij A] aanwijzingen voor olielekkage bij de nokkenaslagerkap, waardoor deze risico’s worden vergroot. [partij A] stelt dat een auto die onverwachts kan uitvallen of waarvan de motor intern kan vastlopen niet veilig is voor verkeersdeelname, terwijl dat voor normaal gebruik van de auto noodzakelijk is, en dat hij verwachtte en ook mocht verwachten dat hij een betrouwbare, veilige auto kocht.
3.4.
Piek heeft een antwoordakte met productie overgelegd.
Piek bestrijdt dat op basis van voornoemd diagnoserapport kan worden vastgesteld dat de auto een mechanisch gebrek heeft en dat [partij A] daardoor met de auto niet veilig aan het verkeer kan deelnemen.
Piek beroept zich erop dat in het diagnoserapport wordt gesproken over ‘beginnende slijtage van de distributieketting en/of tandwielen’. Van een bewegend onderdeel in een tweedehandsauto van dit bouwjaar en voor deze aankoopprijs mag volgens Piek beginnende slijtage op vervangingsonderdelen worden verwacht en dit levert volgens haar geen non-conformiteit op.
3.5.
De kantonrechter zal hierna allereerst beoordelen in hoeverre de door [partij A] gestelde gebreken aan de distributieketting en/of tandwielen kunnen worden vastgesteld, en zo ja, of deze gebreken non-conformiteit opleveren en of [partij A] de koopovereenkomst als gevolg daarvan gerechtvaardigd heeft kunnen ontbinden.
3.6.
Uit de door partijen in hun aktes ingenomen stellingen valt op te maken dat tussen hen niet in geschil is dat sprake is van beginnende slijtage van de distributieketting en/of tandwielen. Ook heeft Piek niet bestreden dat daarvan bij aankoop van de auto al sprake was.
3.7.
Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vraag in hoeverre dit non-conformiteit oplevert.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat het gebrek aan een normaal gebruik van de auto, te weten een veilige verkeersdeelname, in de weg staat en dat hij dat gebrek niet hoefde te verwachten.
Volgens Piek is dat allebei niet het geval. Zij voert aan dat [partij A] gewoon met de auto kan rijden. Verder mocht [partij A] volgens haar, gezien de leeftijd van de auto, de kilometerstand en de hoogte van de koopsom, geen ongestoord gebruik van de auto verwachten en moest hij rekening houden met slijtage en kosten van normaal onderhoud.
Daarnaast beroept Piek zich erop dat [partij A] een schadeauto heeft gekocht, zonder garantie.
Er is geen sprake van non-conformiteit
3.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] , gelet op de betwisting door Piek, onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat hij vanwege het (beginnend) gebrek aan de distributieketting niet veilig aan het verkeer kan deelnemen.
[partij A] voert bij akte aan dat een versleten distributieketting
kanleiden tot het onverwachts uitvallen van de auto of het intern vastlopen van de motor, maar heeft niet onderbouwd waarom beginnende slijtage aan de distributieketting een direct gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren.
De kantonrechter oordeelt dat daarmee onvoldoende is komen vast te staan dat de beginnende slijtage aan de distributieketting en/of tandwielen aan een veilige verkeersdeelname in de weg staat.
3.9.
Waar het gaat om de stelling van [partij A] dat hij niet hoefde te verwachten dat de distributieketting en/of de tandwielen binnen dit tijdsverloop aan vervanging toe was/waren, overweegt en oordeelt de kantonrechter als volgt.
3.10.
Als uitgangspunt geldt dat de koper er bij de koop van een tweedehandsauto rekening mee moet houden dat deze bij normaal gebruik aan slijtage onderhevig is en dat in het algemeen geldt dat de kans op gebreken groter wordt naarmate de auto ouder is en meer kilometers heeft gereden.
Vaststaat dat [partij A] een auto heeft gekocht die op het moment van koop ruim zestien jaar oud was, met een stand van 244.567 kilometer op de teller en met een koopprijs van € 1.500,00. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] , gelet op deze omstandigheden, gebruikelijke slijtage aan de auto mocht verwachten, mits de auto geschikt was om normaal mee te rijden op de openbare weg.
[partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er vlak na de aankoop al een rood motorlampje ging branden, dat hij toen met de auto naar [naam 2] is gegaan en dat [naam 2] tegen hem heeft gezegd dat hij de auto moest laten staan omdat hij daarmee niet meer kon rijden. Volgens [partij A] is hij daarna alleen nog van de autogarage naar zijn huis gereden en heeft de auto sindsdien stilgestaan.
Piek heeft ter zitting desgevraagd aangevoerd dat het volgens haar niet klopt dat [partij A] niet met de auto kon rijden vanwege het lampje dat ging branden. Volgens Piek kan het lampje niet rood, maar hooguit oranje/geel zijn gaan branden en is het branden van het motorlampje slechts een signaal dat onderhoud moet plaatsvinden. Zij heeft in dat verband betoogd dat je met een gebrekkige distributieketting gewoon kunt doorrijden. [partij A] heeft die stelling van Piek als zodanig niet weersproken.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] , gelet op gemotiveerde betwisting door Piek, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij de gestelde gebreken op grond van de overeenkomst niet behoefde te verwachten. De kantonrechter leidt uit de stellingen van [partij A] af dat hij niet meer met de auto heeft gereden nadat de gestelde gebreken zich hebben openbaard, maar dat hij nog wel met de auto
konrijden.
3.11.
Dat sprake is van non-conformiteit is, gezien het voorgaande, onvoldoende komen vast te staan.
3.12.
De kantonrechter komt tot de slotsom dat de vorderingen van [partij A] niet kunnen worden toegewezen op de primaire grondslag dat sprake is van non-conformiteit en dat het verzet in zoverre gegrond is.
De kantonrechter zal hierna beoordelen of de vorderingen van [partij A] toewijsbaar zijn op de subsidiaire grondslag dat sprake is van dwaling.
3.13.
[partij A] stelt zich subsidiair op het standpunt dat hij de auto niet zou hebben gekocht als hij zou hebben geweten dat de distributieketting en/of tandwielen gebrekkig was/waren. Hij heeft zich in dat verband onder meer beroepen op de hoogte van de herstelkosten, in relatie tot de koopprijs. Volgens hem heeft hij tijdens de proefrit niet gemerkt dat er iets mis was met de auto en heeft Piek hem ook niet verteld dat sprake was van gebreken.
Piek bestrijdt - samengevat weergegeven - dat sprake is van dwaling.
Zij bestrijdt ook de hoogte van de herstelkosten.
Er is wel sprake van dwaling
3.14.
De kantonrechter stelt voorop dat de koper die zich beroept op dwaling – anders dan bij een beroep op non-conformiteit – niet stelt dat sprake is van een discrepantie tussen de overeenkomst en de uitvoering daarvan, maar stelt dat hij niet gebonden wil zijn aan de overeenkomst omdat hij deze is aangegaan zonder een juiste voorstelling van zaken. [1]
3.15.
Voor een geslaagd beroep op dwaling is noodzakelijk dat sprake is van een gebrek dat al bestond bij het aangaan van de overeenkomst.
Vaststaat dat sprake is van beginnende slijtage aan de distributieketting en/of de tandwielen en dat daar potentiële risico’s aanzitten. Verder heeft de kantonrechter hiervoor al vastgesteld dat daarvan al sprake was ten tijde van koop (zie overweging 3.6).
3.16.
Aan [partij A] is geadviseerd om de distributieketting en de tandwielen te laten vervangen. In de door [partij A] overgelegde offerte worden de herstelkosten begroot op
€ 1.440,07. Piek heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat de herstelkosten volgens haar lager zijn dan door [partij A] is gesteld en zullen uitkomen op ongeveer € 895,00. De kantonrechter overweegt dat, ook in het geval van dat bedrag wordt uitgegaan, de herstelkosten meer dan de helft van de koopsom bedragen.
3.17.
De kantonrechter overweegt dat [partij A] aan een auto van deze leeftijd en met een kilometerstand als de onderhavige enige slijtage mag verwachten, maar [partij A] had de slijtage aan de distributieketting en/of de tandwielen en de in verband daarmee te maken herstelkosten, naar het oordeel van de kantonrechter niet dusdanig kort (één week) na aankoop van de auto hoeven verwachten.
3.18.
De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van Piek, als professioneel handelaar, lag om [partij A] erop te wijzen dat de distributieketting op korte termijn vervangen zou moeten worden. De kantonrechter acht in dat verband van belang dat de koopsom van de auto € 1.500,00 was, terwijl de herstelkosten volgens eigen opgave van Piek € 895,00 (en volgens [partij A] nog meer) bedragen.
Dat Piek, zoals zij heeft aangevoerd, niet over een eigen werkplaats beschikt en de auto’s die zij doorverkoopt alleen optisch nakijkt en niet aan een technische keuring onderwerpt, ligt naar het oordeel van de kantonrechter in de risicosfeer van Piek. Dat kan zij aan een consument, die in goed vertrouwen een auto koopt bij een professioneel handelend verkoper, niet tegenwerpen.
Ook als het zo zou zijn dat [partij A] wist dat hij een schadeauto kocht, hetgeen door [partij A] uitdrukkelijk is bestreden, bevrijdt dat Piek nog niet van haar mededelingsplicht.
In dat verband overweegt de kantonrechter dat Piek ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat slijtage aan de distributieketting bij een auto van deze leeftijd onder normaal onderhoud valt en dat een dergelijke slijtage over het algemeen geen verband houdt met het al dan niet hebben van een schadeverleden.
De garantiebepaling
3.19.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Piek dat [partij A] wist dat hij een schadeauto kocht en dat er geen garantie op zat.
Ook in het geval dat vast zou komen te staan dat partijen dit zijn overeengekomen (wat door [partij A] wordt betwist), geldt dat Piek geen beroep kan doen op deze bepaling in de overeenkomst (zie overweging 2.9. van het tussenvonnis) omdat het beding oneerlijk is.
De kantonrechter oordeelt dat deze bepaling er feitelijk op neerkomt dat Piek de door haar ingekochte auto’s ongezien en zonder garantie kan doorverkopen aan de consument-koper, en dat alle (risico’s van) eventuele gebreken, bijkomede kosten en onderhoud bij voorbaat op de consument-koper worden afgewenteld. Een dergelijke clausule is naar het oordeel van de kantonrechter niet alleen zeer algemeen geformuleerd zonder een concrete vermelding van gebreken, maar is in wezen ook een exoneratieclausule waarin Piek aansprakelijkheid voor verborgen gebreken uitsluit (artikel 6:237 lid Pro 1, onder b en f, BW).
De tussenconclusie
3.20.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] voldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat hij bij het aangaan van de koopovereenkomst is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, zodat de koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling.
Voor zover de koopovereenkomst bij brief van 17 januari 2025 niet al (subsidiair) is vernietigd door [partij A] , zal de kantonrechter - zoals subsidiair gevorderd - de koopovereenkomst alsnog vernietigen.
Terugbetaling van de koopsom
3.21.
De kantonrechter overweegt dat aan vernietiging van de koopovereenkomst op grond van artikel 3:53 BW Pro terugwerkende kracht toekomt. Dat betekent dat de koopovereenkomst wordt geacht nooit te hebben bestaan.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat [partij A] de koopsom zonder rechtsgrond en daarmee onverschuldigd heeft betaald. Nu Piek geen verweer heeft gevoerd tegen de (hoogte van de) gevorderde terugbetaling van de koopprijs, zal de kantonrechter dit deel van de vordering toewijzen. De kantonrechter zal daarbij bepalen dat Piek de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro pas is verschuldigd na afloop van de in de ingebrekestelling van 17 januari 2025 genoemde termijn (veertien dagen na 17 januari 2025). Voor toewijzing van de wettelijke rente is immers vereist dat Piek in verzuim is.
Het ophalen van de auto en de wijziging van de tenaamstelling/vrijwaring
3.22.
De vernietiging van de koopovereenkomst heeft ook tot gevolg dat de eigendomsoverdracht van de auto wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden, waardoor de auto juridisch gezien eigendom van Piek is gebleven. De tenaamstelling van de auto dient daarom (weer) te worden gewijzigd, onder vrijwaring van [partij A] .
De kantonrechter zal de vordering van [partij A] om Piek te veroordelen om de auto bij hem op te halen, mee te werken aan de overschrijving van het kenteken van de auto en het vrijwaringsbewijs over te leggen aan [partij A] , als niet weersproken toewijzen. De in dat verband gevorderde dwangsom zal ook worden toegewezen, met dien verstande dat deze wordt beperkt tot een bedrag van € 100,00 per dag(deel), met een maximum van € 2.000,00.
De gestelde schadevergoeding
3.23.
[partij A] maakt, na wijziging van eis ter terechtzitting, aanspraak op vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit:
de door hem aan de Raad voor de Rechtsbijstand betaalde eigen bijdrage van € 741,00;
de door hem over de periode van oktober 2024 tot en met mei 2025 betaalde verzekeringspremies van € 28,60 per maand en de door hem over de periode van oktober 2024 tot en met mei 2025 betaalde wegenbelasting van € 65,00 per maand;
de door hem in de periode van oktober 2024 tot 1 juli 2025 gemaakte kosten voor openbaar vervoer, die hij berekent op een bedrag van gemiddeld € 151,23 per week.
3.24.
[partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd naar voren gebracht dat hij, in geval van vernietiging van de koopovereenkomst op grond van dwaling, vergoeding van de door hem geleden schade vordert op grond van onrechtmatige daad dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid.
3.25.
Piek bestrijdt dat zij gehouden is tot vergoeding van de door [partij A] gestelde schade.
3.26.
De kantonrechter beoordeelt de gestelde schadeposten hierna achtereenvolgend en zij stelt bij die beoordeling voorop dat een geslaagd beroep op dwaling er niet zonder meer toe leidt dat Piek jegens [partij A] schadeplichtig is. Daarvoor dient een specifieke rechtsgrond aanwezig te zijn. [2] Op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv Pro) ligt het op de weg van [partij A] om feiten en omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting door Piek ook te bewijzen, waaruit blijkt dat het gestelde onrechtmatige handelen door Piek aan haar kan worden toegerekend en dit handelen heeft geleid tot de door [partij A] gestelde schade.
3.27.
Zoals hiervoor in overweging 3.18 is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat op Piek een mededelingsplicht rustte, in die zin dat zij [partij A] erop had moeten wijzen dat de distributieketting op korte termijn vervangen zou moeten worden. Vaststaat dat Piek dat heeft nagelaten.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet meedelen in de gegeven omstandigheden, waarbij Piek de auto zonder enige technische inspectie heeft doorverkocht, een onrechtmatige daad jegens [partij A] oplevert en dat Piek de schade dient te vergoeden die [partij A] als gevolg daarvan heeft geleden.
a.
de eigen bijdrage van de Raad van de Rechtspraak
3.28.
De kantonrechter overweegt dat de gevorderde eigen bijdrage aan de Raad van de Rechtspraak kosten zijn die (deels) worden ondervangen door een eventuele proceskosten-veroordeling. Bovendien geldt dat een toewijzing van deze kosten feitelijk zou neerkomen op een werkelijke proceskostenveroordeling, waarvoor naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen grond is. De kantonrechter wijst dit onderdeel van de vordering daarom af.
b.
de verzekeringspremies en de wegenbelasting
3.29.
Piek stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet als schade toewijsbaar zijn, omdat [partij A] de op hem rustende schadebeperkingsplicht heeft geschonden.
Volgens Piek had [partij A] de auto eerder kunnen schorsen, zodat deze kosten hadden kunnen worden voorkomen dan wel beperkt.
3.30.
De kantonrechter overweegt dat het gestelde gebrek begin november 2024 al aan het licht is gekomen en volgens [partij A] heeft hij vanaf dat moment niet meer in de auto gereden.
Vaststaat dat [partij A] de auto in mei 2025 heeft laten schorsen. [partij A] heeft bij de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij de auto niet eerder heeft laten schorsen, omdat hij de auto bij zijn woning aan de openbare weg had staan en de auto daarom niet kon/mocht schorsen. Volgens [partij A] heeft hij de auto in mei 2025 geschorst, omdat hij toen een andere stallingsplek had gevonden op een afgesloten terrein.
De kantonrechter volgt Piek in haar standpunt dat [partij A] de op hem rustende schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Zij overweegt in dat verband dat niet van [partij A] mocht worden verwacht dat hij de auto meteen zou laten schorsen, maar dat hij daarmee ook geen zes maanden had mogen wachten. De kosten liepen immers al die maanden door, terwijl [partij A] geen gebruik meer maakte van de auto en dat ook niet meer van plan was. Hij wilde immers dat Piek de auto zou terugnemen.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de gevorderde verzekeringspremies en wegenbelasting toewijzen over de periode van 1 november 2024 tot 1 februari 2025.
De kantonrechter gaat hierbij uit van 1 november 2024 als ingangsdatum en niet van 1 oktober 2024, omdat de kosten per maand worden gevorderd en [partij A] de auto pas op 29 oktober 2024 heeft gekocht.
c.
de kosten voor het openbaar vervoer
3.31.
Piek heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze kosten.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] , gezien dat verweer, onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de kosten voor het openbaar vervoer als schade heeft geleden.
[partij A] heeft ter zitting desgevraagd gezegd dat deze kosten € 151,00 per week bedroegen en hij heeft afschriften van een deel van de gestelde kosten overgelegd, maar [partij A] heeft nagelaten om bijvoorbeeld een overzicht te overleggen van de door hem gemaakte kosten voor het openbaar vervoer. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
De vordering van Piek met betrekking tot niet betaalde bedragen
3.32.
Piek vordert in de verzetdagvaarding, naast vernietiging van het verstekvonnis en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [partij A] , (terug)betaling door [partij A] van nog niet bekende betaalde bedragen. Nu Piek tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat zij dit deel van haar vordering intrekt, komt de kantonrechter niet meer aan de beoordeling daarvan toe.
Het standpunt van Piek dat [partij A] onvoldoende procesbelang heeft
3.33.
Piek stelt zich subsidiair op het standpunt dat [partij A] onvoldoende procesbelang heeft (artikel 3:303 BW Pro). Piek voert in dit kader aan dat zij zich in mei 2025 bereid heeft verklaard om de vordering van [partij A] te voldoen, in die zin dat zij toen heeft aangeboden om de koopsom en de buitengerechtelijke incassokosten te betalen, zonder erkenning van aansprakelijkheid.
3.34.
[partij A] heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat het voorstel van Piek slechts betrekking had op de terugbetaling van de koopprijs en het ophalen van de auto bij [partij A] . [partij A] stelt echter daarnaast schade te hebben geleden die Piek niet wilde vergoeden, waardoor hij zich toch genoodzaakt heeft gezien om tot dagvaarding over te gaan.
3.35.
De kantonrechter volgt Piek niet in haar (subsidiaire) standpunt dat [partij A] onvoldoende belang had om een procedure tegen haar te starten en dat zijn vorderingen reeds daarom moeten worden afgewezen. [partij A] wilde immers ook de door hem voor de auto gemaakte kosten als schade vergoed hebben en vaststaat dat Piek niet bereid was om deze te vergoeden.
Piek wordt in de proceskosten veroordeeld
3.36.
Voor zover de kantonrechter mocht oordelen dat Piek de auto moet terugnemen, dat [partij A] recht heeft op terugbetaling van de koopprijs, maar niet op schadevergoeding, voert Piek aan dat [partij A] in dat geval moet worden veroordeeld in de proceskosten dan wel dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd, nu deze kosten volgens Piek dan nodeloos zijn gemaakt.
3.37.
De kantonrechter volgt Piek niet in haar standpunt.
Allereerst heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat Piek wel (een deel van de) de door [partij A] geleden schade moet vergoeden, zodat niet is voldaan aan de door Piek aan haar verweer gekoppelde voorwaarde. Bovendien is Piek grotendeels in het ongelijk gesteld.
Daarom moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) in de verstekprocedure en in de verzetprocedure betalen. Omdat [partij A] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Piek niet worden veroordeeld tot betaling van de exploot- en betekeningskosten.
De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
Totaal
427,50

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart het verzet gegrond;
4.2.
vernietigt het door de kantonrechter op 1 juli 2025 onder zaaknummer 11748585 CV EXPL 25-1067 gewezen verstekvonnis, en opnieuw rechtdoende:
4.3.
vernietigt de koopovereenkomst tussen [partij A] en Piek;
4.4.
veroordeelt Piek tot betaling aan [partij A] van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
4.5.
veroordeelt Piek om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de auto bij [partij A] op te halen en mee te werken aan overschrijving van het kenteken van de auto (op naam van Piek) alsmede het vrijwaringsbewijs aan [partij A] te overleggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat Piek niet aan deze veroordelingen voldoet, met een maximum van € 2.000,00;
4.6.
veroordeelt Piek tot betaling aan [partij A] van € 28,60 per maand aan verzekeringspremie auto over de periode van 1 november 2024 tot 1 februari 2025;
4.7.
veroordeelt Piek tot betaling aan [partij A] van € 65,00 per maand aan wegenbelasting over de periode van 1 november 2024 tot 1 februari 2025;
4.8.
veroordeelt Piek in de proceskosten van € 427,50, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
4.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Smit en op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. U. van Houten.

Voetnoten

2.HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3765.