ECLI:NL:RBOVE:2026:644

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/08/343131 / KG ZA 25-318
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over taxatie en verkoop van onroerend goed na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden en hebben een geschil over de vermogensrechtelijke afwikkeling, met name over de echtelijke woning en onroerend goed in Turkije.

De rechtbank verwijst naar een eerdere beschikking waarin afspraken zijn gemaakt over verkoop en taxatie, maar constateert dat partijen niet goed samenwerken. De voorzieningenrechter wijst vorderingen van de vrouw af die niet in lijn zijn met de eerdere beschikking en oordeelt dat de man moet meewerken aan een onafhankelijke taxatie via de Kamer van Makelaars in Turkije.

Daarnaast wordt de vrouw veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de echtelijke woning in Nederland. Beide partijen krijgen een dwangsom opgelegd bij niet-nakoming. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk worden gesteld. De rechtbank verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt partijen tot medewerking aan taxatie en verkoop met dwangsommen en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/343131 / KG ZA 25-318
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
mevrouw
[partij A],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. I. Mercanoglu,
tegen
de heer
[partij B],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding, betekend op 14 januari 2026, met 28 producties,
- de producties 29 tot en met 31 van [partij A] , ingediend op 29 december 2025,
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie, met 20 producties, ingediend op 22 januari 2026,
- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [partij A] , tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen door mr. Mercanoglu,
- de pleitnota van [partij B] , tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen door mr. Bovenmars-Wilmink.

2.De feiten

2.1.
[partij A] en [partij B] zijn met elkaar getrouwd op [datum 1] 1989 in [plaats 1] (Turkije). Het huwelijk tussen hen is geëindigd door een echtscheiding, die is ingeschreven in de openbare registers van de burgerlijke stand op [datum 2] 2024.
2.2.
In de vermogensrechtelijke afwikkeling van de scheiding is tussen partijen een geschil ontstaan. In de kern bestaat uit het geschil uit drie elementen: (i) de echtelijke woning in [plaats 2] ; (ii) een appartementencomplex met winkelpand in [plaats 3] (Turkije) en (iii) een appartement in [plaats 4] (Turkije).
2.3.
Tussen partijen is eerder geprocedeerd over de afwikkeling van de scheiding. Dit heeft geleid tot een beschikking van de rechtbank Overijssel van 24 juli 2024 (hierna: ‘de Beschikking’). In het dictum van de Beschikking is onder 8.9.1. het volgende overwogen:
“bepaalt dat
de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2]wordt verkocht, waarbij het volgende heeft te gelden:
- binnen twee weken na deze beschikking wordt door partijen gezamenlijk aan [makelaar 1] te [plaats 2] , opdracht gegeven tot verkoop van de woning;
- partijen bepalen in overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs die hem/haar goeddunkt;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen. De makelaar heeft dan het laatste woord en neemt een voor partijen bindende beslissing;
- beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken, waaronder in het bijzonder de toelating in de woning voor bezichtiging van potentiële kopers, het ondertekenen van de aan de orde zijnde koopovereenkomst en aan de notariële levering van de woning;
- machtigt de man, voor zover de vrouw haar medewerking aan een van vorenstaande verplichtingen weigert, de woning aan de [adres] te [plaats 2] in verkoop te geven en alles te doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is voor deze verkoop, met inachtneming van de door de makelaar geadviseerde verkoopprijs met als uitgangspunt een verkoop binnen drie maanden en bepaalt daarbij dat deze beschikking in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw;
- bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [plaats 2] , na aftrek van de hypothecaire schuld en verkoopkosten, bij helfte wordt verdeeld; (onderstrepingen in origineel, voorzieningenrechter)
2.4.
In het dictum van de Beschikking is onder 8.9.2. het volgende overwogen:
“bepaalt dat de man binnen twee weken na heden drie erkende Turkse taxateurs aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week één uitkiest die vervolgens bindend de waarde van
het appartement in [plaats 4] (Turkije)van de man vaststelt, waarbij het volgende heeft te gelden:
- bepaalt dat de kosten van deze taxateur door partijen gezamenlijk worden gedragen;” (onderstrepingen in origineel, voorzieningenrechter)
2.5.
Tegen de Beschikking is door beide partijen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Die procedure in hoger beroep loopt op dit moment nog. De in rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 van dit vonnis geciteerde oordelen uit de Beschikking vormen geen onderdeel van de rechtsstrijd tussen partijen in de procedure in hoger beroep.
2.6.
Bij brief van 8 augustus 2024 schrijft de advocaat van [partij B] het volgende aan de advocaat van [partij A] :
“En onder voorwaarde dat uw cliënte het beslag dat zij op de woning te [plaats 4] heeft laten leggen, opheft.
Wat betreft deze woning, stelt cliënt een van de makelaars voor waarvan u bijgaand de gegevens aantreft. Ik verneem graag van u waar de voorkeur van uw cliënte vanuit gaat, zodat partijen de makelaar gelijktijdig kunnen berichten.”
2.7.
Bij e-mail van 25 september 2025 schrijft de advocaat van [partij A] het volgende aan de advocaat van [partij B] :
“Daarnaast heeft de rechtbank in de beschikking bepaald dat de woning in [plaats 4] ( [plaats 1] ) moet worden getaxeerd en de waarde verrekend. De man had hiervoor twee weken de tijd gekregen, maar die termijn is inmiddels verstreken.
Nu de man tot op heden niets heeft ondernomen met betrekking tot de taxatie, lijkt het mij verstandig dat deze door hetzelfde bureau wordt uitgevoerd als dat door mr. Özdemir zal worden aangewezen. Op die manier kan in ieder geval geen discussie ontstaan over de keuze van de taxateur voor de woning in [plaats 4] .”
2.8.
Bij e-mail van 5 november 2025 schrijft de advocaat van [partij A] het volgende aan de advocaat van [partij B] :
“Op mijn mail van 16 oktober 2025 hebt u niet gereageerd. Cliënte wenst niet langer te wachten. Blijkbaar is de man niet bereid mee te werken. Cliënte biedt de man hierbij de gelegenheid om een keuze te maken uit de volgende drie makelaars.”
2.9.
Bij e-mail van 5 november 2025 schrijft de advocaat van [partij B] het volgende aan de advocaat van [partij A] :
“Naar aanleiding van uw onderstaande e-mail bericht ik u dat cliënt absoluut wel wil meewerken. Wij hebben direct nadat de Rechtbank beschikking had gewezen al drie makelaars voorgesteld, waarop wij geen reactie hebben ontvangen. Ook onlangs hebben wij drie makelaars voorgesteld.
(…)
Tijdens mijn vakantie heeft cliënt wederom drie makelaars gezocht. De gegevens hiervan treft u bijgaand aan.”
2.10.
Bij e-mail van 5 november 2025 schrijft de advocaat van [partij A] het volgende aan de advocaat van [partij B] :
“De door u gecertificeerde makelaars zijn niet landelijk dekkend en bovendien niet gecertificeerd. Cliënt kan hiermee dan ook niet akkoord gaan. De makelaar die door bemiddeling van mr. Özdemir is gevonden, is wat mij betreft wel akkoord. U kunt er tevens voor kiezen om uit de drie eerder voorgestelde makelaars een keuze te maken.”
2.11.
Bij e-mail van 6 november 2025 schrijft de advocaat van [partij B] het volgende aan de advocaat van [partij A] :
“Cliënt gaat ermee akkoord dat de door intermediair gevonden makelaar de taxatie uitvoert.”
2.12.
Bij brief van 10 november 2025 schrijft de advocaat van [partij B] het volgende aan makelaarskantoor [makelaar 2] in [plaats 1] (Turkije):
“Het verzoek aan u is om na het doen van een kostenopgave een reële taxatie te maken van de onderhandse vrije verkoopwaarde per 8 augustus 2022. Deze taxatie zal voor beide partijen bindend zijn.”
2.13.
Bij e-mail van 4 december 2025 schrijft de advocaat van [partij A] het volgende aan de advocaat van [partij B] :
“Via een mobiel telefoonnummer van [makelaar 2] heb ik een bericht ontvangen met daarin een IBAN-nummer, vergezeld van de mededeling dat de taxatiekosten 31.200 Turkse Lira bedragen. Het bedrag zou moeten worden overgemaakt ten namen van [naam] op rekeningnummer:
(…)
Het lijkt mij verstandig dat de man zo spoedig mogelijk telefonisch contact opneemt met [makelaar 2] om hierover duidelijkheid te verkrijgen en afspraken te maken. Indien hij de taxatiekosten direct voldoet, kan zijn aandeel in deze kosten in mindering worden gebracht op de vergoeding die hij nog aan de vrouw verschuldigd zal zijn.”
2.14.
Bij e-mail van 15 december 2025 schrijft de advocaat van [partij B] het volgende aan de advocaat van [partij A] :
“Inmiddels heeft cliënt contact gehad met de Kamer van Makelaars in [plaats 1] . Van daaruit kan een (gecertificeerd) makelaar opdracht worden gegeven voor taxatie van het appartement te [plaats 4] . Uit bijgaande correspondentie blijkt dat cliënt het eigendomsbewijs inmiddels heeft toegestuurd en ook het bankrekeningnummer doorgekregen heeft. De kosten voor taxatie bedragen 10.000 TL, door partijen gezamenlijk te dragen (ieder de helft).”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert – samengevat – het volgende:
  • i) een bevel tot medewerking aan de uitvoering van de taxatie van het appartement in [plaats 4] door makelaarskantoor [makelaar 2] , op straffe van een dwangsom;
  • ii) een bevel tot het geven van een schriftelijke bevestiging dat de taxatie kan worden uitgevoerd door [makelaar 2] , op straffe van een dwangsom;
  • iii) een bevel om over te gaan tot verrekening/verdeling van de taxatie-uitkomst van het appartement in [plaats 4] , op straffe een dwangsom;
  • iv) een verkoopverbod ten aanzien van de echtelijke woning in [plaats 2] , tot het moment dat de onder (iii) genoemde verrekening is voltooid, op straffe van een dwangsom;
  • v) een veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
3.2.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie, met een veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert – samengevat – het volgende:
  • i) [partij A] te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning in [plaats 2] , waarbij ten aanzien van de tussenstappen van het proces dat moeten leiden tot verkoop en (uiteindelijk) levering van de woning, dwangsomveroordelingen worden gevorderd;
  • ii) in het geval dat in conventie een verkoopverbod wordt uitgesproken: een veroordeling van [partij A] om medewerking te verlenen aan de taxatie van de woning in [plaats 2] , op straffe van een dwangsom;
  • iii) opheffing van het beslag dat [partij A] heeft gelegd op het appartement in [plaats 4] , op straffe van een dwangsom.
3.5.
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, met een veroordeling van [partij B] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om vorderingen in kort geding. Dergelijke vorderingen kunnen worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Deze toets wordt door de voorzieningenrechter aangelegd bij elke ingestelde vordering. Het gaat bij een (toewijzende) uitspraak in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel, die wordt uitgevaardigd in de schaduw van een eventuele bodemprocedure.
4.2.
In dit kort geding is sprake van een situatie waarin door partijen (zowel in conventie als in reconventie) vorderingen zijn ingesteld die betrekking hebben op een discussie waarin eerder al door een rechter in een bodemprocedure uitspraak is gedaan. Verwezen wordt naar de citaten uit de Beschikking, opgenomen in de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 van dit vonnis.
4.3.
Indien een voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, moet de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis afstemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of het oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor een uitzondering op dit beginsel, indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. [1]
4.4.
Bij de beoordeling van de vorderingen in dit kort geding is, zowel in conventie als in reconventie, de maatstaf omschreven in rechtsoverweging 4.3 van dit vonnis uitgangspunt.
in conventie
4.5.
De voorzieningenrechter constateert dat partijen hebben verzuimd om deugdelijk uitvoering te geven aan de Beschikking op het punt van de taxatie van het appartement in [plaats 4] . Volgens de Beschikking zou [partij B] binnen twee weken na datum Beschikking drie erkende Turkse taxateurs aan [partij A] noemen, waarvan [partij A] er binnen één week één zou uitkiezen. Die gekozen taxateur zou vervolgens bindend de waarde van het appartement in [plaats 4] vaststellen, waarbij de kosten van de taxateur door partijen gezamenlijk zouden worden gedragen.
4.6.
[partij B] heeft op 8 augustus 2024, dus binnen de in de Beschikking genoemde termijn, drie Turkse taxateurs voorgesteld aan [partij A] . Door [partij A] is hier niet op gereageerd. [partij A] heeft geen verklaring gegeven waarom hier niet op is gereageerd. [partij B] heeft – na het uitblijven van een reactie van [partij A] – niet gerappelleerd en ook geen verdere actie ondernomen. Pas op 25 september 2025 – dus meer dan 13 maanden later – is er tussen partijen weer contact geweest over de taxatie van het appartement in [plaats 4] .
4.7.
De vordering van [partij A] in dit kort geding is om [partij B] te veroordelen om medewerking te verlenen aan een taxatie door een makelaar van kantoor [makelaar 2] . [partij A] vordert tevens dat [partij B] de uitvoering van een taxatie door [makelaar 2] schiftelijk moet bevestigen. Deze vorderingen van [partij A] zijn niet in lijn met de Beschikking, en moeten in beginsel alleen al daarom worden afgewezen.
4.8.
[partij A] heeft ook niet toegelicht waarom [partij B] zou moeten instemmen met een taxatie door [makelaar 2] , zeker in het licht van haar eigen eerdere niet-reageren op door [partij B] voorgedragen taxateurs.
4.9.
Het standpunt van [partij A] is nu dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een taxatie door een makelaar van kantoor [makelaar 2] . Dat standpunt wordt door [partij B] betwist. Volgens [partij B] heeft hij een voorbehoud gemaakt voor de prijs en is hij nooit onvoorwaardelijk akkoord gegaan met een opdrachtverlening aan kantoor [makelaar 2] .
4.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het standpunt van [partij A] onjuist. [partij B] was op enig moment weliswaar akkoord met het inschakelen van kantoor [makelaar 2] , maar in de brief van 10 november 2025 van zijn advocaat aan kantoor [makelaar 2] wordt ook om een kostenopgave gevraagd. Dat laat ruimte om nog af te zien van een opdrachtverlening aan kantoor [makelaar 2] , mocht de kostenopgave tegenvallen. Het is niet voorstelbaar dat partijen bereid waren om opdracht te verlenen aan [makelaar 2] ongeacht de kosten.
4.11.
Afgezien daarvan kan de voorzieningenrechter zich indenken dat de handelwijze van kantoor [makelaar 2] na 10 november 2025 bij [partij B] weinig vertrouwen heeft gewekt ten aanzien van een onpartijdige en onafhankelijke taxatie. Kantoor [makelaar 2] heeft immers op 4 december 2025 louter contact gezocht met de advocaat van [partij A] en niet ook tegelijkertijd met de advocaat van [partij B] . Voor een onafhankelijke en onpartijdige taxateur is dat niet een goed begin, zeker omdat de vertrouwensrelatie tussen [partij A] en [partij B] toch al niet overhoudt en [makelaar 2] in de brief van 10 november 2025 door de advocaat van [partij B] was geïnformeerd over het belang van transparantie in het traject.
4.12.
De conclusie is dat de vorderingen van [partij A] die zijn gericht op het uitvoeren van een taxatie door kantoor [makelaar 2] , worden afgewezen. Dit betreft de vorderingen sub A tot en met D uit het petitum.
4.13.
De voorzieningenrechter constateert echter ook dat partijen het er wel over eens zijn dát het appartement in [plaats 4] moet worden getaxeerd. Uit de periode die is verstreken sinds 24 juli 2024, de datum waarop de Beschikking is gewezen, is gebleken dat partijen niet goed in staat zijn om volgens de lijnen van de Beschikking te komen tot de benoeming van een taxateur voor het appartement in [plaats 4] .
4.14.
Binnen de kaders van het geschil zoals dat door partijen aan de voorzieningenrechter is voorgelegd, heeft de voorzieningenrechter een ruime bevoegdheid om een voorziening te treffen die hem, gelet op de belangen van partijen, goeddunkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn beide partijen gebaat bij voortgang van het taxatietraject van het appartement is [plaats 4] . Het is in het belang van beide partijen dat de waarde van het appartement in [plaats 4] wordt bepaald, zodat de waarde daarvan kan worden meegenomen in de afwikkeling van de vermogensverdeling na de scheiding. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorziening bij voorraad te treffen op dit punt, versterkt met een dwangsom.
4.15.
De vordering tot medewerking aan de taxatie is ingesteld door [partij A] . De voorzieningenrechter zal [partij B] daarom veroordelen om medewerking te verlenen aan de taxatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een onafhankelijke en onpartijdige taxatie het beste gewaarborgd indien voor de taxatie de Kamer van Makelaars in [plaats 1] wordt ingeschakeld ( [bedrijf] ). Die organisatie kan een individuele makelaar/taxateur aanwijzen die de taxatie kan verzorgen, per peildatum van 6 augustus 2022. De taxatie is bindend voor partijen. De kosten van de Kamer van Makelaars worden door partijen ieder voor de helft gedragen.
4.16.
Bij de keuze voor de Kamer van Makelaars in [plaats 1] , weegt de voorzieningenrechter het volgende mee. De Kamer van Makelaars is voorgesteld door [partij B] (conclusie van antwoord, randnummer 22). [partij A] heeft hier afwijzend op gereageerd, maar louter op basis van het standpunt dat partijen al overeenstemming hadden over een andere taxateur, te weten [makelaar 2] . Dat standpunt van [partij A] is echter onjuist. [2] Van de zijde van [partij A] zijn geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen de Kamer van Makelaars in [plaats 1] . Tot slot acht de voorzieningenrechter van belang dat ook in de Beschikking het initiatief om te komen tot een taxateur bij [partij B] is gelegd.
4.17.
Aan de veroordeling tot medewerking van [partij B] wordt door de voorzieningenrechter een dwangsom gekoppeld, die dient als prikkel tot nakoming. De hoogte van de dwangsom is € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 25.000,-.
4.18.
De gevorderde termijn van 14 dagen wordt door de voorzieningenrechter verlengd naar 45 dagen, mede omdat de feitelijke activiteiten in Turkije moeten plaatsvinden en partijen op dit punt mede afhankelijk van de snelheid waarmee de Kamer voor Makelaars in [plaats 1] tot de aanwijzing van een individuele taxateur komt.
Verrekening/verdeling
4.19.
De vordering sub E van [partij A] heeft als inzet om te komen tot een financiële uitkering (door [partij B] aan [partij A] ) naar aanleiding van de taxatie van het appartement in [plaats 4] .
4.20.
Deze vordering wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. Met deze vordering miskent [partij A] dat het appartement in [plaats 4] slechts één van de huwelijksvermogensbestanddelen is waarover partijen twisten. De bodemprocedure tussen partijen daarover loopt op dit moment nog in hoger beroep. Totdat in die bodemprocedure (onherroepelijke) oordelen zijn gegeven over de huwelijksvermogensbestanddelen waarover partijen twisten, is tussen hen niet duidelijk wat zij over en weer van elkaar te vorderen hebben ten aanzien daarvan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het weinig zinvol om louter op basis van de waarde van het appartement in [plaats 4] een partij te verplichten tot het doen van een financiële uitkering, dan wel tot het doen een verrekening. Van de zijde van [partij A] is bovendien onvoldoende duidelijk gemaakt waarom, mede in het licht van de lopende bodemprocedure in hoger beroep, op dit punt een onmiddellijk voorziening bij voorraad vereist is.
Verkoopverbod
4.21.
Het door [partij A] gevorderde verkoopverbod van de echtelijke woning in [plaats 2] staat haaks op de Beschikking, waarin juist is geoordeeld dat de echtelijke woning in [plaats 2] wel moet worden verkocht. De vordering sub G en de daarop voortbordurende vordering sub H worden daarom afgewezen.
in reconventie
Verkoop echtelijke woning [plaats 2]
4.22.
[partij B] vordert in reconventie medewerking door [partij A] aan de verkoop van de echtelijke woning in [plaats 2] . Deze vordering is door [partij B] in 10 stappen opgeknipt (petitum sub I tot en met X), waarbij voor iedere tussentijdse stap een dwangsomveroordeling wordt gevorderd.
4.23.
De stelling van [partij B] is dat [partij A] – die op dit moment in de woning verblijft – weigerachtig is om mee te werken aan de verkoop van de woning, onder meer door de ingeschakelde makelaar geen toegang te verschaffen tot de woning, waardoor de makelaar niet kan starten met het verkooptraject.
4.24.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Beschikking op dit punt duidelijk. De echtelijke woning in [plaats 2] moet worden verkocht. [partij A] heeft de verplichting om daaraan mee te werken. Mocht [partij A] geen medewerking verlenen, dan is [partij B] door de rechter in de Beschikking gemachtigd om het verkooptraject ter hand te nemen en te voltooien buiten medewerking van [partij A] om.
4.25.
Het is in het belang van beide partijen dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning in [plaats 2] zo hoog mogelijk is, omdat deze tussen hen bij helft moet worden verdeeld. In het verlengde daarvan hebben partijen ook een belang om de verkoop op een zo regulier mogelijke wijze te laten verlopen, met behulp van een makelaar, zonder dat één van de partijen dwarsligt.
4.26.
Net als bij de taxatie van het appartement in [plaats 4] , geldt ook hier dat partijen gebaat zijn bij voortgang van het traject dat moet leiden tot de verkoop van de echtelijke woning in [plaats 2] .
4.27.
De voorzieningenrechter zal [partij A] veroordelen om medewerking te verlenen aan de verplichtingen zoals opgenomen in het citaat uit de Beschikking in randnummer 2.3 van dit vonnis. Aan deze hoofdveroordeling wordt een dwangsomveroordeling gekoppeld, die dient als prikkel tot nakoming. De hoogte van de dwangsom is gelijk aan de hoogte van de dwangsom die in conventie wordt opgelegd.
4.28.
De gevorderde termijn van één week wordt door de voorzieningenrechter verlengd naar 14 dagen.
4.29.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de medewerking aan de verkoopverplichting van [partij A] in 10 stappen op te knippen en daar 10 keer een dwangsomveroordeling aan te koppelen. Uit het partijdebat in dit kort geding is de voorzieningenrechter niet gebleken dat [partij B] zich tot op heden heel veel inspanningen heeft getroost om de start van het verkooptraject daadwerkelijk af te dwingen op basis van het oordeel in de Beschikking. Gelet daarop heeft [partij B] onvoldoende toegelicht waarom een zo gedetailleerde hoofdveroordeling en verregaande dwangsomveroordeling als door hem gevorderd in de rede ligt, laat staan dat het zo spoedeisend is dat op dit punt een onmiddellijke voorziening bij voorraad moet worden uitgesproken.
4.30.
[partij B] heeft in reconventie geen uitvoerbaar bij voorraad-verklaring gevorderd. De voorzieningenrechter doet dit ambtshalve alsnog (artikel 258 Rv Pro), gelet op de aard van de voorziening en de aard van een procedure in kort geding.
Medewerking aan taxatie
4.31.
De vordering onder XII van het petitum is door [partij B] ingesteld onder de voorwaarde dat (i) geen voorziening ten aanzien van de verkoop van de woning in [plaats 2] wordt getroffen en/of het (ii) het in conventie gevorderde verkoopverbod wordt toegewezen. Aan zowel voorwaarde (i) als (ii) is niet voldaan. Gelet daarop hoeft deze vordering niet te worden behandeld.
Opheffing beslag
4.32.
[partij B] vordert onder XIII van het petitum opheffing van het beslag op het appartement in [plaats 4] . Deze vordering wordt afgewezen. Het gaat hier over een beslag dat kennelijk ligt op een onroerende zaak in Turkije. Het beslag is, naar de voorzieningenrechter aanneemt, gelegd onder de regels van Turks recht. De voorzieningenrechter acht zich gelet daarop niet bevoegd om op dit punt een voorziening te treffen. Dit nog afgezien van het punt dat [partij B] nauwelijks feitelijke informatie heeft gegeven over het beslag, anders dan dat het beslag er ligt.
Proceskosten in conventie en in reconventie
4.33.
Omdat beide partijen zowel in conventie als in reconventie over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat geldt zowel voor de proceskostenveroordeling in conventie als in reconventie.
4.34.
[partij A] heeft een veroordeling van [partij B] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Deze vordering grondt [partij A] op het standpunt dat [partij B] misbruik maakt van procesrecht, doordat hij een kennelijk kansloze procedure voert en willens en wetens blijft procederen zonder redelijk procesdoel.
4.35.
Het standpunt van [partij A] wordt door de voorzieningenrechter verworpen. Het standpunt van [partij A] is alleen al onjuist omdat het standpunt van [partij B] zowel in conventie als in reconventie deels wordt gehonoreerd. Dat verdraagt zich niet met het voeren van een kennelijk kansloze procedure. De vordering sub I van [partij A] wordt afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om, binnen 45 dagen na betekening van dit vonnis, volledige medewerking te verlenen aan de uitvoering van de taxatie van het appartement in [plaats 4] door een taxateur die is aangewezen door de Kamer van Makelaars in [plaats 1] ( [bedrijf] ), teneinde de waarde daarvan bindend vast te stellen, waaronder in ieder geval begrepen: (i) het tijdig verstrekken van de voor de taxatie noodzakelijke gegevens en documenten, en (ii) het faciliteren van toegang tot het appartement,
5.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.3.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst af het anders of meer gevorderde,
5.5.
verklaart de beslissingen onder 5.1 en 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.6.
veroordeelt [partij A] om, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, volledige medewerking te verlenen aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit het citaat opgenomen in rechtsoverweging 2.3 van dit vonnis,
5.7.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.8.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.10.
verklaart de beslissingen onder 5.6 en 5.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

2.Zie de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.11 van dit vonnis.