ECLI:NL:RBOVE:2026:657

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11809192 \ CV EXPL 25-1275
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst en schadevergoeding voor gevelreclame en aanrijdingsschade

Verweerder huurde een bedrijfshal van eiser en stelde dat de huurovereenkomst per 23 februari 2025 was geëindigd, terwijl eiser stelde dat deze nog doorliep. Eiser vorderde betaling van huurpenningen, een contractuele boete en schadevergoeding voor aanrijdingsschade en schade door reclamestickers.

De kantonrechter concludeerde dat uit de feitelijke omstandigheden bleek dat partijen uitgingen van 23 februari 2025 als einddatum van de huurovereenkomst. De vorderingen tot betaling van huur en boete werden daarom afgewezen. De schadevergoeding voor de aanrijdingsschade werd afgewezen omdat eiser onvoldoende kon aantonen wat de omvang van de schade was, mede door eerdere onherstelde schade uit 2016.

Voor de schade aan de gevel door reclamestickers werd een bedrag van €18.905,04 toegewezen, gebaseerd op herstel door overbeplating met een nieuw-voor-oud correctie. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €964,05 toegewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De huurovereenkomst eindigde per 23 februari 2025; huurvorderingen en boete werden afgewezen, maar schadevergoeding voor gevelschade door reclamestickers en incassokosten werden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11809192 \ CV EXPL 25-1275
Vonnis van 10 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Visser,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.G. Oolderink-Olthof.

1.De zaak in het kort

1.1.
[verweerder] heeft een bedrijfshal van [eiser] gehuurd. Volgens [eiser] loopt de huurovereenkomst nog door. Hij vordert betaling van de huurpenningen en de contractuele boete. Daarnaast vordert [eiser] vergoeding van schade aan de pui van het bedrijfspand die is veroorzaakt door een aanrijding van een medewerker van [verweerder] en vergoeding van schade aan de buitengevel van het bedrijfspand die is veroorzaakt door reclamestickers van [verweerder] . [verweerder] voert verweer. Zij voert aan dat de huurovereenkomst per 23 februari 2025 is geëindigd en betwist dat zij de huurpenningen en boete moet betalen. Zij erkent dat haar medewerker tegen de pui is aangereden en dat haar reclamestickers zichtbare sporen hebben achtergelaten, maar betwist de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.
1.2.
De kantonrechter oordeelt dat uit de feitelijke omstandigheden moet worden afgeleid dat beide partijen uitgingen van 23 februari 2025 als einddatum van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst is dan ook geëindigd. De vorderingen tot betaling van de huurpenningen en contractuele boete worden daarom afgewezen. De gevorderde schadevergoeding voor de pui wordt afgewezen omdat de kantonrechter niet kan vaststellen wat de omvang van de schade is die is veroorzaakt door de medewerker van [verweerder] . Dezelfde pui is in 2016 namelijk ook al beschadigd door een aanrijding door een derde en destijds niet hersteld. [eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit de aard en omvang van die eerdere schade kan worden vastgesteld. Voor de schade door de reclamestickers wordt een bedrag van € 18.905,04 aan schadevergoeding toegewezen. Daarbij is uitgegaan van herstel door het aanbrengen van nieuwe beplating over de bestaande panelen en is een nieuw-voor-oud correctie toegepast.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende producties van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [eiser]
- de spreekaantekeningen van [verweerder] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Sinds 1 augustus 2003 huurt [verweerder] de bedrijfshal aan de [adres] in [woonplaats] van [eiser] . De gehuurde bedrijfshal is onderdeel van een groter bedrijfspand. Partijen hebben een schriftelijke huurovereenkomst opgesteld.
3.2.
In artikel 1 van Pro de huurovereenkomst staat:
[afbeelding]
3.3.
In artikel5 lid 8 van Pro de huurovereenkomst staat dat bij beëindiging van de huur de huurder het gehuurde voor zijn rekening in de oorspronkelijke staat zal terugbrengen, tenzij partijen iets anders overeenkomen.
3.4.
In artikel 6 lid 2 van Pro de huurovereenkomst staat dat huurder zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder niet bevoegd is om naam- en/of reclameaanduidingen aan het gehuurde aan te brengen.
3.5.
In artikel 7 lid 6 van Pro de huurovereenkomst staat dat verhuurder op zijn kosten reparatiewerkzaamheden aan buitengevels laat plaatsvinden voor zover hij deze werkzaamheden nodig acht, tenzij de herstellingen noodzakelijk zijn geworden door toedoen of nalaten van de huurder, in welk geval de kosten op huurder zullen worden verhaald.
3.6.
In artikel 9 lid 1 van Pro de huurovereenkomst staat dat huurder verplicht is om bij beëindiging van de huur en/of het verlaten van het gehuurde de sleutels aan verhuurder ter hand te stellen.
3.7.
In 2015 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Op 30 april 2015 heeft [verweerder] per brief aan [eiser] geschreven dat zij de huurovereenkomst wil omzetten naar een variabel huurcontract met een opzegtermijn van twee maanden. Zij heeft [eiser] gevraagd deze wijziging van de huurovereenkomst te bevestigen door de brief te ondertekenen en retour te zenden. De brief is niet door [eiser] ondertekend en teruggestuurd. [verweerder] heeft het zo gelaten.
3.8.
Kort na het aangaan van de huurovereenkomst heeft [verweerder] reclamestickers aangebracht op drie zijden van de buitengevel van het bedrijfspand. Hiervoor had [verweerder] geen toestemming van [eiser] . Partijen hebben het destijds zo gelaten.
3.9.
In 2016 is een derde tegen de pui van het bedrijfspand aangereden waarbij schade is toegebracht. De opstalverzekering van [eiser] heeft daarvoor een bedrag aan [eiser] uitgekeerd. [eiser] heeft de schade niet hersteld.
3.10.
Op 23 februari 2024 heeft [verweerder] per e-mail het volgende naar [eiser] gestuurd:
“Het ziet er naar uit dat we binnen kort naar een andere locatie gaan tijdstip nog niet helemaal bekend maar als het door gaat zal dit 1 juni of 1 juli worden.
Zoals in 2015 is afgesproken hebben we een opzeg termijn van 2 maanden.
Je gaf al aan dat de stickers er af moesten (…)”
3.11.
Op 4 maart 2024 heeft [eiser] per e-mail het volgende gereageerd:
“Bij deze begrijp ik dat je de huur opzegt.
De huur opzeg termijn die je voorgesteld hebt in 2015 heb ik geen getekend akkoord opgegeven.
Volgens het huurcontract is het huur opzeg termijn van 1 jaar. ( per 23-2-2025)
Voordat opgeleverd wordt, zullen de stickers van het pand verwijdert zijn zonder zichtbare sporen (afdruk).
(…)”
3.12.
Op 19 maart 2024 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden over het einde van de huur en de staat waarin de bedrijfshal moest worden opgeleverd. Daarbij waren [eiser] en zijn broer ( [naam 1] ) en de heer [naam 2] aanwezig.
3.13.
In november 2024 heeft [verweerder] de reclamestickers op de buitengevel van het bedrijfspand verwijderd. Er zijn zichtbare afdrukken achtergebleven.
3.14.
Op 26 november 2024 heeft [eiser] per e-mail het volgende naar [verweerder] gestuurd:
“Ik heb tot nu toe nog geen schriftelijke opzegging gehad met een duidelijke einddatum.
Daarbij verwacht ik dat het geheel schoon en in originele staat wordt opgeleverd.
Waarbij de reclame en afdruk op de panelen in zijn geheel niet meer zichtbaar is (zie contract).
Hier is al meerdere malen al over gesproken zoals begin van het contract en in 2015 en in maart 2024.
Bij niet nakomen van bovenstaande zal automatisch de bestaande huurcontract doorlopen totdat het gerealiseerd is.”
3.15.
In januari 2025 is [eiser] bij [verweerder] in de bedrijfshal geweest. Er is toen gesproken over de staat van het pand voor de oplevering.
3.16.
Op 8 januari 2025 heeft Panelfix op verzoek van [verweerder] een offerte opgesteld voor het overspuiten van de gevelpanelen van het bedrijfspand voor € 17.787,00 inclusief btw.
3.17.
Op 11 februari 2025 heeft [verweerder] aan [eiser] medegedeeld dat één van haar werknemers tegen dezelfde pui is aangereden waar in 2016 ook schade aan is toegebracht.
3.18.
Rond februari 2025 heeft [eiser] de sleutel van de bedrijfshal bij [verweerder] opgehaald.
3.19.
Op 11 juni 2025 heeft [naam 3] op verzoek van [eiser] een offerte opgesteld voor montage van beplating over de bestaande panelen van het bedrijfspand voor € 41.642,15 inclusief btw.
3.20.
Op 22 juli 2025 heeft VSB op verzoek van [verweerder] een offerte opgesteld voor montage van beplating over de bestaande panelen van het bedrijfspand voor € 27.900 exclusief btw (oftewel € 33.759,00 inclusief btw).
3.21.
Op 19 december 2025 heeft [naam 3] op verzoek van [eiser] een adviesrapport opgesteld naar aanleiding van de coatingschade aan de panelen van het bedrijfspand.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verweerder] tot betaling van:
I. de huurpenningen van € 10.873,25 (5 x € 2.174,65) voor de maanden maart tot en met juli 2025, te vermeerderen met de contractuele rente,
II. de contractuele boete van € 2.500,00 (5 x € 500,00) voor de maanden maart tot en met juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente,
III. de aanrijdingsschade van € 13.031,70, te vermeerderen met de wettelijke rente,
IV. de schade aan de panelen door naam- of reclameaanduidingen van € 41.642,15, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.397,80, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI. de huurpenningen van € 2.174,00 per maand vanaf 1 augustus 2025 tot en met juli 2026, te vermeerderen met de contractuele rente en de contractuele boete voor zover niet of niet tijdig wordt betaald,
VII. de proceskosten.
4.2.
[verweerder] voert verweer. [verweerder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Einddatum van de huurovereenkomst
5.1.
[eiser] stelt dat huurovereenkomst nog doorloopt, omdat deze niet tegen 23 februari 2025 kon worden opgezegd. Volgens hem is de huurovereenkomst vanaf augustus 2011 telkens met drie jaar verlengd en kan opzegging, met inachtneming van de opzegtermijn van een jaar, daarom pas plaatsvinden tegen 1 augustus 2026. [eiser] stelt dat uit zijn e-mail van 4 maart 2024 niet kan worden afgeleid dat hij akkoord is gegaan met tussentijdse opzegging van de huurovereenkomst tegen 23 februari 2025. Daarvan zou alleen sprake zijn geweest als [verweerder] de reclamestickers zou hebben verwijderd zonder zichtbare sporen. Dit herstel was een voorwaarde waaraan [verweerder] moest voldoen voordat [eiser] akkoord zou gaan met beëindiging van de huurovereenkomst per 23 februari 2025. Aan deze voorwaarde is niet voldaan.
5.2.
[verweerder] voert aan dat de huurovereenkomst op 23 februari 2025 is geëindigd. Volgens haar mocht zij uit de e-mail van 4 maart 2024 afleiden dat [eiser] ook uitging van deze einddatum. Daarnaast is de bedrijfshal in januari 2025 geïnspecteerd en heeft [eiser] de sleutel van het pand in februari 2025 opgehaald.
5.3.
Aangezien [verweerder] in deze procedure geen beroep doet op de opzeggingstermijn van twee maanden, zal de kantonrechter de vraag of deze kortere opzegtermijn wel of niet is overeengekomen, buiten beschouwing laten.
5.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de huurovereenkomst per 23 februari 2025 is geëindigd. De kantonrechter oordeelt van wel op grond van het volgende. [verweerder] voert aan dat zij de overeenkomst tegen 23 februari 2025 heeft opgezegd. Dat is een bevrijdend verweer waarvan [verweerder] de bewijslast draagt. [verweerder] heeft voldoende aangetoond dat zij de overeenkomst tegen die datum heeft opgezegd. Hoewel zij de opzegging tegen 23 februari 2025 niet (duidelijk) op schrift heeft gesteld, moet uit de feitelijke omstandigheden worden afgeleid dat beide partijen uitgingen van 23 februari 2025 als einddatum. Nadat partijen hebben gemaild over de einddatum – waarbij [eiser] heeft medegedeeld te begrijpen dat [verweerder] de huur opzegt en dit op grond van de opzegtermijn per 23 februari 2025 is – heeft namelijk een gesprek plaatsgevonden op 19 maart 2024, gevolgd door een inspectie van het pand en het ophalen van de sleutels door [eiser] rond 23 februari 2025.
5.5.
Dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] alleen akkoord zou gaan met deze einddatum als [verweerder] op die datum de reclamestickers zonder zichtbare sporen zou hebben verwijderd, heeft [eiser] niet aangetoond. [eiser] verwijst weliswaar naar een gespreksverslag dat hij zou hebben gemaakt en direct ná 19 maart 2024 naar [verweerder] zou hebben verstuurd, maar de ontvangst en inhoud daarvan is door [verweerder] betwist. Gelet op deze betwisting kan niet worden geoordeeld dat partijen een voorwaarde voor de einddatum van 23 februari 2025 zijn overeengekomen.
5.6.
Dit betekent dat de huurovereenkomst op 23 februari 2025 is geëindigd en de huurvorderingen moeten worden afgewezen, net als de gevorderde boete en rente over de huur.
Aanrijdingsschade
5.7.
Tussen partijen staat vast dat een medewerker van [verweerder] in februari 2025 tegen de pui van het bedrijfspand is aangereden. [eiser] stelt dat de schade als gevolg van deze aanrijding € 13.031,70 bedraagt en heeft dit onderbouwd met twee facturen (één voor het herstel van het metselwerk en één voor het herstel van de afwerkprofielen, de panelen, de lekdorpels en het kozijn). Weliswaar is de eerdere schade die in 2016 door een derde is aangericht, niet hersteld, maar volgens [eiser] is deze schade verwaarloosbaar in verhouding tot de (tweede) schade die hier in het geding is. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij voor de eerdere schade een vergoeding van € 4.000,00 heeft ontvangen en dat deze alsnog van de vordering mag worden afgetrokken. [eiser] was bereid om de schade af te wikkelen via zijn opstalverzekering, maar omdat [verweerder] geen informatie heeft verstrekt over de personalia van de betreffende werknemer en het kenteken van het voertuig, is dat niet (meer) mogelijk.
5.8.
[verweerder] voert aan dat de omvang van de schade niet kan worden vastgesteld, zolang niet duidelijk is wat de omvang van de schade in 2016 was. Door de eerdere aanrijding zijn barsten in de stenen van de pui ontstaan. De pui kan verzet zijn waardoor de constructie is aangetast en dat kan van invloed zijn geweest op het ontstaan van de nieuwe schade. Volgens [verweerder] moet [eiser] de schade – net als in 2016 – bij zijn opstalverzekeraar melden, die vervolgens contact kan opnemen met de verzekeraar van [verweerder] .
5.9.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] op grond van artikel 7 lid 6 van Pro de huurovereenkomst de kosten voor herstel van de buitengevel op [verweerder] kan verhalen, voor zover dit herstel noodzakelijk is geworden door toedoen van [verweerder] . De omvang van de schade die is veroorzaakt door de werknemer van [verweerder] kan echter niet worden vastgesteld op grond van de stukken die [eiser] heeft overgelegd. [eiser] heeft namelijk geen stukken in het geding gebracht waaruit de aard en omvang van de schade uit 2016 kan worden vastgesteld. [eiser] heeft die schade niet hersteld. Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat daarom niet kan worden vastgesteld wat de staat van de pui was voorafgaand aan de tweede aanrijding. [eiser] heeft desgevraagd bij de mondelinge behandeling vermeld dat de uitkering van de schade in 2016 zo’n € 4.000,00 bedroeg, maar daarvan zijn geen gegevens overgelegd, zodat de staat van de pui en de aard en de omvang van de schade ook daar niet uit kan worden afgeleid. Aangezien [eiser] de schade van de tweede aanrijding van de pui onvoldoende heeft onderbouwd, zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.
Gevelschade door reclameaanduidingen
5.10.
Op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de huurovereenkomst was [verweerder] niet bevoegd om reclameaanduidingen aan het gehuurde aan te brengen zonder schriftelijke toestemming van [eiser] . Tussen partijen staat vast dat [verweerder] reclamestickers op de buitengevel van het bedrijfspand heeft aangebracht, terwijl hij daar geen schriftelijke toestemming voor had. Tussen partijen staat ook vast dat de reclamestickers zichtbare sporen hebben achtergelaten. Op grond van artikel 7 lid 6 van Pro de huurovereenkomst kan [eiser] de kosten voor het herstel van de buitengevel dan ook op [verweerder] verhalen.
5.11.
[eiser] stelt dat de schade aan de gevelpanelen het beste kan worden hersteld op de wijze zoals [naam 3] voorstelt, namelijk door een nieuwe plaat over de bestaande panelen te monteren. Dit geldt dan voor alle panelen van het gehuurde deel van het bedrijfspand. Dat de huidige gevelpanelen na twintig jaar aan vervanging toe zouden zijn, wordt betwist. De panelen hebben volgens [eiser] een minimale levensduur van vijftig jaar.
5.12.
[verweerder] voert aan dat de zichtbare sporen kunnen worden verwijderd door de panelen over te spuiten. Uit de door [verweerder] opgevraagde offerte blijkt dat dit veel goedkoper is. Daarnaast heeft [verweerder] een offerte overgelegd waaruit blijkt dat de door [eiser] voorgestelde herstelwijze, overbeplaten, goedkoper kan. Daarbij voert [verweerder] aan dat de buitengevel ruim twintig jaar oud is, dat de gevelpanelen een bepaalde levensduur hebben en dat [eiser] met een volledig nieuwe beplating ongerechtvaardigd zou worden verrijkt.
5.13.
Beide partijen hebben de mogelijkheid geopperd om een deskundige te benoemen. De kantonrechter zal daar niet toe overgaan, aangezien beide partijen rapportages in het geding hebben gebracht die een goed beeld geven van de schade, de mogelijkheden van herstel en de voor- en nadelen daarvan. De kantonrechter acht zich daarmee voldoende geïnformeerd.
5.14.
De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeuring worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Ook kan de rechter rekening houden met eventueel voordeel dat vergoeding van schade oplevert, voor zover dat redelijk is. Zo staat het in de wet.
5.15.
De kantonrechter gaat voor de wijze waarop de schade aan de gevelpanelen moet worden hersteld uit van de door [naam 3] geadviseerde wijze van herstel, te weten overbeplaten. Hoewel uit de overgelegde rapportages niet blijkt dat herstel door overspuiten onmogelijk is, volgt uit het rapport van [naam 3] dat het overspuiten met metallic lak het risico van wolkeffect en glansverschillen meebrengt. Daarnaast heeft [eiser] er terecht op gewezen dat uit de offerte van Panelfix blijkt dat overgespoten platen om de zoveel jaar opnieuw moeten worden behandeld, hetgeen extra werkzaamheden en kosten voor hem meebrengt, terwijl dit bij de huidige panelen niet nodig is.
5.16.
Van het overbeplaten van de panelen zijn twee offertes in het geding gebracht, met een aanzienlijk prijsverschil.
De gemachtigde van [eiser] heeft betoogd dat [eiser] voorkeur heeft voor de door hem ingebrachte offerte uit te voeren door [naam 3] , omdat het herstel dan in dezelfde hand is als het bedrijf dat de beplating destijds heeft geleverd. Voor zover hij daarmee de oorspronkelijke panelen van het bedrijfspand bedoelt, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde bedrijf. [eiser] heeft desgevraagd verklaard dat de panelen destijds door (een onderaannemer van) zijn aannemer [naam 4] zijn geleverd. [eiser] heeft niet onderbouwd dat dat [naam 3] was. Nu de door VSB geoffreerde prijs aanzienlijk lager is en [eiser] deze offerte niet gemotiveerd heeft betwist, zal de kantonrechter van deze offerte uitgaan.
5.17.
De kantonrechter overweegt dat de overbeplating een langere levensduur met zich meebrengt dan de resterende levensduur van de huidige panelen, reden waarom een nieuw-voor-oud correctie op de door [verweerder] te betalen schadevergoeding gerechtvaardigd is. [eiser] heeft gesteld dat van een levensduur van 50 jaar van de panelen mag worden uitgegaan. [verweerder] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist, zodat van deze levensduur zal worden uitgegaan. De panelen zijn in 2002 of 2003 aangebracht. Bij een levensduur van 50 jaar hadden de panelen in 2025 dus theoretisch nog een resterende levensduur van (ongeveer) 28 jaar. Het bedrag in de offerte van VSB wordt daarom verminderd met 44% (22/50 x 100), zodat een bedrag van € 18.905,04 (€ 33.759,00 x 56%) resteert. Dit is het bedrag dat [verweerder] in verband met de schade aan de panelen aan [eiser] moet betalen.
Rente
5.18.
De gevorderde rente over de toegewezen hoofdsom is op artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) gegrond en niet weersproken en zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.19.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Over de toegewezen hoofdsom zal een bedrag van € 964,05 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, in overeenstemming met het in het Besluit bepaalde tarief. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
Proceskosten
5.20.
Omdat beide partijen gedeeltelijk (on)gelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 18.905,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf 3 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 964,05 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 18 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.