Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Overijssel
Verweerder huurde een bedrijfshal van eiser en stelde dat de huurovereenkomst per 23 februari 2025 was geëindigd, terwijl eiser stelde dat deze nog doorliep. Eiser vorderde betaling van huurpenningen, een contractuele boete en schadevergoeding voor aanrijdingsschade en schade door reclamestickers.
De kantonrechter concludeerde dat uit de feitelijke omstandigheden bleek dat partijen uitgingen van 23 februari 2025 als einddatum van de huurovereenkomst. De vorderingen tot betaling van huur en boete werden daarom afgewezen. De schadevergoeding voor de aanrijdingsschade werd afgewezen omdat eiser onvoldoende kon aantonen wat de omvang van de schade was, mede door eerdere onherstelde schade uit 2016.
Voor de schade aan de gevel door reclamestickers werd een bedrag van €18.905,04 toegewezen, gebaseerd op herstel door overbeplating met een nieuw-voor-oud correctie. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €964,05 toegewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigde per 23 februari 2025; huurvorderingen en boete werden afgewezen, maar schadevergoeding voor gevelschade door reclamestickers en incassokosten werden toegewezen.