Uitspraak
1.[partij A1] ,
2.
[partij A2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [partij A] ;
- de pleitnota van [partij B] .
3.De feiten
“Ik moet helaas me kat wegdoen. Wegens ruimte gebrek en me zoontjes allergie (…) [omschrijving] 1 jaar. € 0,00”.
4.Het geschil
- afgifte van de kater, op straffe van een dwangsom, en
- vergoeding van de proceskosten.
- betaling van € 12.171,43 aan verzorgingskosten tot aan de mondelinge behandeling,
- betaling van € 100,00 per week aan verzorgingskosten zolang de kater bij haar verblijft,
- betaling van € 2.610,00, te vermeerderen met € 90,00 per maand zolang de kater bij haar verblijft,
- betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen,
- vergoeding van de proceskosten.
5.De beoordeling
Ikmoet helaasme katwegdoen”, dat de kater bij haar is gebleven nadat zij en [partij A2] uit elkaar zijn gegaan, dat zij als enige contact met [partij B] heeft gehad over (de overdracht van) de kater en dat [partij A1] een gemachtigde heeft ingeschakeld die in eerste instantie alleen namens haar is opgetreden en [partij B] heeft gesommeerd om de kater aan [partij A1] terug te geven. De kantonrechter kan dan ook niet tot het oordeel komen dat [partij A2] mede-eigenaar van de kater was. Dat [partij A1] steeds met [partij A2] heeft overlegd of zij de kater wel of niet (tijdelijk) zou overdragen aan een ander, maakt dat niet anders.