Eiseres werkte van 8 april 2024 tot 27 juni 2024 als au pair in Nieuw-Zeeland en keerde op 29 augustus 2024 terug naar Nederland. De SVB stelde vast dat zij gedurende deze periode verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat zij minder dan drie maanden buiten Nederland werkzaam was. Eiseres was het hier niet mee eens en stelde dat zij haar Nederlandse zorgverzekering had stopgezet op basis van informatie van een reisorganisatie, die zij onjuist achtte.
De rechtbank stelde vast dat eiseres inderdaad minder dan drie maanden buiten Nederland werkte en dat de SVB dit besluit deugdelijk had gemotiveerd. Het feit dat eiseres haar Nederlandse zorgverzekering stopzette en een wereldwijde verzekering afsloot, deed hieraan niet af. Ook het feit dat zij pas na een waarschuwing van het CAK weer een Nederlandse zorgverzekering afsloot, was voor haar eigen rekening en risico.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en verklaarde het ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter H.W.H. Oude Aarninkhof en griffier C.L.M. Celie op 13 februari 2026 te Almelo.