ECLI:NL:RBOVE:2026:706

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11894715 \ RR FORM 25-27
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding wegens verwijdering en vervanging van schutting zonder volledige toestemming

Eiser en gedaagde zijn buren met aangrenzende tuinen gescheiden door een schutting die eiser had geplaatst, inclusief gaas om dieren binnen te houden. Gedaagde verwijderde in juni 2023 de schutting en plaatste een nieuwe zonder gaas. Eiser vordert vergoeding van €2.317,15 voor herstel van de situatie.

Gedaagde stelt dat de oude schutting scheef en deels verrot was en dat hij uitging van toestemming van eiser, waarbij hij de kosten volledig heeft gedragen omdat eiser niet meebetaalde. De kantonrechter stelt vast dat de oude schutting eigendom was van eiser en dat geen overeenstemming bestond over volledige vervanging.

Hoewel gedaagde onrechtmatig handelde door zonder toestemming de schutting te verwijderen, heeft eiser geen schade geleden aan de schutting zelf, omdat de nieuwe schutting van betere kwaliteit is. Wel is sprake van schade door het ontbreken van het gaas, waarvoor gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van de helft van de kosten voor nieuw gaas, €287,38 inclusief btw. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde moet €287,38 inclusief btw aan eiser betalen voor het ontbreken van gaas; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11894715 \ RR FORM 25-27
Vonnis van 9 februari 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
verschenen in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- het filmpje dat [eiser] na de mondelinge behandeling heeft gestuurd.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn buren en huren beide een woning met tuin. Tussen hun tuinen stond een schutting die aan de bovenzijde was verhoogd met gaas. Die schutting is door [eiser] geplaatst. In juni 2023 heeft [gedaagde] heeft deze schutting verwijderd en een nieuwe schutting – zonder gaas – geplaatst.
2.2.
[eiser] vindt dat de nieuwe schutting van mindere kwaliteit is dan de schutting die [gedaagde] heeft geplaatst. Bovendien zat er op de oude schutting gaas om haar dieren in de tuin te houden. Dat gaas heeft [gedaagde] niet (terug)geplaatst. [eiser] wil dat de situatie weer wordt hersteld zoals het was. Zij heeft een offerte overgelegd, waaruit volgt dat het plaatsen van een nieuwe schutting met gaas € 2.317,15 kost. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 2.317,15.
2.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de oude schutting scheef stond en deels verrot was. Hij ging ervan uit dat [eiser] akkoord was met het plaatsen van een nieuwe schutting. Nu zij niet heeft meebetaald, heeft hij de nieuwe schutting in zijn geheel betaald.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] heeft ten eerste gesteld dat er sprake van was toestemming van [eiser] om een nieuwe schutting te plaatsen. Hij heeft, gelet op de moeizame verhouding met [eiser], zijn vrienden gevraagd om naar [eiser] toe te gaan en haar om toestemming voor het plaatsen van een nieuwe schutting te vragen. Zijn vrienden hebben aan [eiser] gevraagd of de schutting mocht worden vervangen en vervolgens aan [gedaagde] doorgegeven dat [eiser] daarmee akkoord was. Zijn voorstel was om de kosten met [eiser] te delen, maar hij weet niet of zijn vrienden dat aan [eiser] hebben voorgelegd.
3.2.
[eiser] voert aan dat de vrienden van [gedaagde] inderdaad bij haar aan de deur zijn geweest om toestemming te vragen. Zij heeft hen gezegd dat [gedaagde] de schotten tussen de schuttingpalen mocht vervangen, maar niet het raamwerk van de schutting (de schuttingpalen) zelf. Of [eiser] daaraan wilde meebetalen, hebben de vrienden van [gedaagde] niet gevraagd. Als zijn vrienden dat wel zouden hebben gevraagd, had [eiser] dat geweigerd in verband met haar financiële situatie, aldus [eiser].
3.3.
De kantonrechter stelt vast dat de oude schutting eigendom was van [eiser]. Zij heeft de schutting geplaatst en er kan vanuit worden gegaan dat geen sprake is van eigendomsverkrijging van de woningstichting door natrekking, omdat de schutting zonder beschadiging uit de grond kon worden gehaald en dus niet aard- en nagelvast met de grond was verbonden.
3.4.
Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat er tussen partijen geen overeenstemming bestond over het plaatsen van een nieuwe schutting. [gedaagde] heeft een aanbod gedaan om de schutting te vervangen (en wilde de kosten delen), maar [eiser] is niet akkoord gegaan met het aanbod om de hele schutting te vervangen, en heeft het tegenvoorstel gedaan om alleen de platen van de schutting te vervangen. [gedaagde] heeft namelijk niet weersproken dat [eiser] dat tegenaanbod heeft gedaan en dat zij het dus niet eens was met vervanging van de hele schutting. De kantonrechter moet daar dus van uitgaan.
3.5.
Kennelijk is [gedaagde] abusievelijk wel uitgegaan van de toestemming van [eiser]. In beginsel heeft hij, door de schutting van [eiser] zonder haar toestemming toch te verwijderen, onrechtmatig gehandeld jegens [eiser], waardoor hij de schade die [eiser] daardoor heeft geleden, moet vergoeden (artikel 6:162 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). De kantonrechter is echter van oordeel dat [eiser] geen schade heeft geleden door het verwijderen en vervangen van de schutting. [eiser] heeft niet weersproken dat de oude schutting om sommige plekken rot was en dat de schutting scheef stond. Ook uit het door [eiser] overgelegde filmpje van de oude schutting blijkt dat de schutting (erg) scheef stond. Daarnaast heeft [gedaagde] op dezelfde plek een nieuwe schutting geplaatst. Gelet op de foto’s van de nieuwe schutting die de kantonrechter ter zitting heeft gezien, is de kantonrechter van oordeel dat de nieuwe schutting van betere kwaliteit is dan de schutting die er stond. In zoverre heeft [gedaagde] de eventueel door [eiser] geleden schade dan ook al vergoed.
3.6.
Wat betreft het gaas dat [eiser] op de oorspronkelijke schutting had aangebracht, overweegt de kantonrechter als volgt. Door geen gaas op de nieuwe schutting aan te brengen, heeft [gedaagde] de situatie nog niet in de oorspronkelijke staat hersteld. Hij is daarom verplicht om de schade die [eiser] lijdt doordat er geen gaas meer op haar schutting zit, te vergoeden.
3.7.
Uit de offerte volgt dat het plaatsen van gaas € 475,00 exclusief btw kost. Wanneer er nieuw gaas op de schutting wordt geplaatst, levert dat voor [eiser] echter voordeel op: zij gaat er dan in haar vermogenspositie op vooruit, omdat zij dan een schutting met geheel nieuw gaas heeft in plaats van een oude schutting met oud gaas. De kantonrechter zal daarom op grond van artikel 6:100 BW Pro een verrekening van het voordeel toepassen.
De kantonrechter zal de schade met toepassing van deze voordeelsverrekening begroten op de helft van het bedrag dat het kost om het gaas aan de schutting toe te voegen. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld om een bedrag van € 237,50 exclusief btw / € 287,38 inclusief btw aan [eiser] te betalen.
3.8.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 287,38 inclusief btw aan [eiser] te betalen;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.(SB)