ECLI:NL:RBOVE:2026:713

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_2549
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 134 GrondwetArt. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 4:4 AwbArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen en toekenning dwangsom tegen deken

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de deken van de Orde van advocaten Midden-Nederland op een verzoek tot aanwijzing van een advocaat. Eiser had op 4 april 2025 en opnieuw op 5 mei 2025 een verzoek ingediend. De deken heeft uiteindelijk op 15 september 2025 een besluit genomen, maar dit was te laat.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang meer heeft nu de deken alsnog heeft beslist. Wel stelt de rechtbank vast dat eiser de deken niet te vroeg in gebreke heeft gesteld met zijn ingebrekestelling van 24 juli 2025. De beslistermijn van acht weken liep in principe tot 30 juni 2025, met een opschorting van maximaal drie weken vanwege een verzoek om aanvullende informatie, waardoor de termijn uiterlijk op 21 juli 2025 eindigde.

De ingebrekestelling van 24 juli 2025 was dus niet te vroeg. De deken heeft daardoor een dwangsom van €1.442,- verschuldigd voor de periode van 5 augustus tot en met 15 september 2025. De rechtbank wijst het beroep tegen het niet tijdig beslissen af, legt de dwangsom vast en bepaalt dat de deken het griffierecht aan eiser moet vergoeden. De inhoudelijke beslissing van de deken op het verzoek wordt niet beoordeeld omdat daartegen geen beroep mogelijk is.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, maar de deken moet een dwangsom van €1.442,- betalen wegens het niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2549

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser

en
de deken van de Orde van advocaten Midden-Nederland(voorheen: de deken van de Orde van advocaten Utrecht; hierna: de deken), verweerder
(gemachtigde: mr. H.W.M. van den Heiligenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig beslissen door de deken op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. Inmiddels heeft de deken alsnog op dit verzoek beslist. Daarom heeft [eiser] geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen en is dat beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt nog wel of de deken aan [eiser] een dwangsom moet betalen wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] de deken niet te vroeg in gebreke heeft gesteld en dat de deken hem daarom een dwangsom moet betalen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Deze uitspraak gaat niet ook over de alsnog genomen beslissing op het verzoek tot het aanwijzen van een advocaat, omdat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.
1.3.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. [eiser] heeft bij de rechtbank Midden-Nederland beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de deken op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat dat hij heeft ingediend op 4 april 2025 en nogmaals op 5 mei 2025. De rechtbank Midden-Nederland heeft dit beroep doorgezonden naar de rechtbank Overijssel.
2.1.
De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. [eiser] is niet verschenen, zoals hij had aangekondigd. De gemachtigde van de deken heeft door middel van een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

De relevante feiten en omstandigheden
3. De rechtbank stelt vast dat het volgende feiten tussen partijen niet in geschil is.
3.1.
Met een besluit van 4 mei 2010 heeft de deken op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet aan [eiser] een advocaat toegewezen. Deze advocaat heeft de aanwijzing – na bestudering van de zaken – niet aanvaard en heeft de opdracht teruggegeven aan [eiser]. De advocaat is in 2016 met pensioen gegaan en van het tableau uitgeschreven.
3.2.
Met een e-mail van 4 april 2025 heeft [eiser] de deken verzocht om aanwijzing van een andere advocaat.
3.3.
In een e-mail van 15 april 2025 heeft de deken de ontvangst van het verzoek bevestigd. De deken heeft het verzoek van 4 april 2025 aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 13, eerste lid, van de Advocatenwet en heeft aan [eiser] meegedeeld dat het niet in behandeling kan worden genomen, omdat zo’n verzoek moet worden ingediend met een webformulier. De deken heeft [eiser] uitgelegd waar hij dit formulier kan vinden en heeft aangegeven dat zij het verzoek na indiening van dit formulier zal beoordelen.
3.4.
Op 5 mei 2025 heeft [eiser] de deken met gebruikmaking van het webformulier verzocht om aanwijzing van een andere advocaat, omdat de advocaat die hem eerder bijstond niet langer actief is als rechtsbijstandverlener.
3.5.
In een e-mail van 12 mei 2025 heeft de deken aan [eiser] meegedeeld dat zij het verzoek van 5 mei 2025 aanmerkt als een verzoek op grond van artikel 13, eerste lid, van de Advocatenwet. De deken heeft [eiser] verzocht om binnen drie weken aanvullende informatie te geven over het verzoek door antwoord te geven op een aantal vragen en door het indienen van een aantal stukken. De deken heeft daarbij aangegeven dat zij het verzoek pas in behandeling kan nemen, nadat zij deze informatie heeft ontvangen.
3.6.
In een e-mail van 22 mei 2025 heeft [eiser] de deken aanvullende informatie verstrekt over zijn verzoek.
3.7.
Met een e-mail van 24 juli 2025 heeft [eiser] de deken in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het verzoek van 4 april 2025 en 5 mei 2025.
3.8.
Met een besluit van 15 september 2025 heeft de deken het verzoek afgewezen.
Is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen?
4. De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. De orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland is, gelet op artikel 17, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van Pro de Grondwet. De functie van deken van de orde van advocaten in het arrondissement vindt haar grondslag in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet. Hieruit volgt dat de deken een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [1] De aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet heeft een publiekrechtelijk rechtsgevolg, omdat zo’n aanwijzing meebrengt dat de aangewezen advocaat verplicht is om zijn diensten te verlenen. Daarom moet het verzoek van [eiser] worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. [2] Dat op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de afwijzing van die aanvraag, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de Awb wel van toepassing is op de behandeling van zo’n aanvraag. Daaruit volgt dat [eiser] met toepassing van artikel 4:17 van Pro de Awb beroep kon instellen tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek. [3]
Heeft [eiser] misbruik gemaakt van zijn recht om beroep in te stellen?
5. De rechtbank heeft zich, mede gelet op een door de deken overgelegde e-mail van het Hof van Discipline van 24 september 2025 en enkele uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in zaken van [eiser] [4] , de vraag gesteld of [eiser] in deze procedure misbruik heeft gemaakt van zijn recht om beroep in te stellen. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot die conclusie te komen. Daartoe overweegt zij dat in deze beroepsprocedure sprake is van een andere situatie dan in de procedures die hebben geleid tot de e-mail van het Hof en de uitspraken de Afdeling. In dit geval is geen sprake van het tegen beter weten in maken van bezwaar of instellen van beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. Ook is geen sprake van een herhaald verzoek tot het aanwijzen van een advocaat in een kwestie, waarin de deken kort tevoren al zo’n verzoek had afgewezen. Voor zover de rechtbank bekend, gaat het om het eerste verzoek aan de deken sinds 2020. Daarbij komt dat de deken ervoor heeft gekozen om het verzoek inhoudelijk te beoordelen en dat [eiser] gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing van de deken om het verzoek (nogmaals) in te dienen door middel van een webformulier en hij ook heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende informatie.
Heeft [eiser] nog (proces)belang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek tot het aanwijzen van een advocaat niet-ontvankelijk is, omdat [eiser] geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep. Daartoe overweegt de rechtbank dat de deken inmiddels een besluit op het verzoek heeft genomen en dat niet is gebleken dat [eiser] nog een ander belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De vraag of de deken een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van het besluit, zal later in deze uitspraak aan de orde komen. [5]
Is het beroep mede gericht tegen het besluit van 14 september 2025?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op het besluit van de deken van 14 september 2025. De reden daarvoor is dat bij de rechtbank geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit van de deken tot afwijzing van een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. Tegen zo’n besluit kan op grond van artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet alleen beklag worden gedaan bij het Hof. [6]
Moet de deken [eiser] een dwangsom betalen?
8. De deken stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] de ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend en dat daarom geen dwangsom is verbeurd. Daartoe voert de deken aan dat zij [eiser] in een e-mail van 12 mei 2025 op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb heeft uitgenodigd om de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De deken is van mening dat [eiser] de in deze e-mail gevraagde informatie niet heeft gegeven. Daarom is de beslistermijn volgens de deken opgeschort tot drie weken na 12 mei 2025, oftewel tot 2 juni 2025. Vervolgens liep de beslistermijn volgens de deken tot acht weken na 2 juni 2025, oftewel tot 28 juli 2025, zodat die termijn op 24 juli 2025 nog niet was verstreken. Subsidiair stelt de deken zich op het standpunt dat geen dwangsom is verbeurd, omdat zij het verzoek van [eiser] in het geheel niet in behandeling heeft kunnen nemen doordat hij de gevraagde informatie niet heeft gegeven.
8.1.
[eiser] is van mening dat de deken hem een dwangsom moet betalen, omdat de ingebrekestelling niet te vroeg is ingediend en de deken niet binnen twee weken daarna een besluit op zijn verzoek heeft genomen. Daartoe voert hij aan dat de deken de beslistermijn ten onrechte heeft opgeschort, omdat op 4 april 2025 of 5 mei 2025 een volledige aanvraag is ingediend, althans de aanvraag op 22 mei 2025 voldoende is aangevuld. Daarnaast voert hij aan dat, ook als de beslistermijn vanaf 12 mei 2025 gedurende drie weken is opgeschort, die termijn ten tijde van de ingebrekestelling van 24 juli 2025 al was verstreken.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de deken niet te vroeg in gebreke heeft gesteld en dat de deken hem daarom een dwangsom moet betalen. Zij legt dit hierna uit.
8.2.1.
De rechtbank stelt vast dat op de website van de Orde van Advocaten Midden-Nederland staat dat voor het indienen van een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat gebruik moet worden gemaakt van een webformulier. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de deken gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4:4, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om voor het indienen van zo’n verzoek een formulier vast te stellen. [eiser] heeft het verzoek van 4 april 2025 niet ingediend door middel van dit voorgeschreven formulier. De deken heeft hem daarop gewezen in de e-mail van 15 april 2025. Ook heeft de deken [eiser] in die e-mail de gelegenheid gegeven om het verzoek alsnog door middel van dat formulier in te dienen. Daarmee heeft de deken [eiser] een herstelmogelijkheid gegeven, zoals bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. [eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door het verzoek op 5 mei 2025 nogmaals in te dienen, ditmaal met gebruikmaking van het voorgeschreven formulier. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het verzoek is ingediend op 5 mei 2025.
8.2.2.
In dit geval geldt op grond van artikel 4:13, eerste en tweede lid, van de Awb een beslistermijn van acht weken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat het verzoek is ingediend op maandag 5 mei 2025. Anders dan de deken heeft betoogd, geeft de omstandigheid dat de deken de periode tussen de ontvangst van het verzoek en het versturen van de e-mail van 12 mei 2025 nodig heeft gehad om dat verzoek te bestuderen en een reactie op te stellen, geen aanleiding voor het oordeel dat die periode geen deel uitmaakt van de beslistermijn van acht weken. Deze termijn is mede bedoeld om het bestuursorgaan de gelegenheid te geven om die handelingen te verrichten. Dit betekent dat de beslistermijn in principe liep tot en met maandag 30 juni 2025.
8.2.3.
Met de e-mail van 12 mei 2025 heeft de deken [eiser] in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De deken heeft hiermee beoogd om toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Als de deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bij het verzoek verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende waren voor de beoordeling van het verzoek, is op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb als gevolg van deze e-mail de beslistermijn opgeschort met ingang van 13 mei 2025, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In dat geval is de beslistermijn dus gedurende maximaal drie weken opgeschort geweest en liep deze termijn in het uiterste geval tot en met maandag 21 juli 2025.
8.2.4.
De deken heeft [eiser] in een e-mail van 28 juli 2025 voor de tweede maal in de gelegenheid gesteld om het verzoek aan te vullen. Nu deze e-mail is verstuurd na het verstrijken van de beslistermijn, heeft dit niet geleid tot een verdere opschorting van die termijn. [7]
8.2.5.
Hieruit volgt dat de ingebrekestelling van 24 juli 2025 hoe dan ook na afloop van de beslistermijn (en dus niet te vroeg) is ingediend. Dit geldt ook als de deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van 5 mei 2025 onvolledig was en dat dit gebrek niet is hersteld binnen de gegeven termijn van drie weken. Daarom zal de rechtbank in het midden laten of dit het geval is.
8.2.6.
Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
8.2.7.
De door de deken gestelde omstandigheid dat zij het verzoek van [eiser] niet in behandeling heeft kunnen nemen, geeft – wat daar ook van zij – geen aanleiding voor het oordeel dat geen dwangsom is verbeurd. Als de deken van oordeel was dat [eiser] met het verzoek van 5 mei 2025 en de e-mail van 22 mei 2025 onvoldoende informatie had verstrekt om een besluit op dat verzoek te kunnen nemen, had zij het verzoek binnen de beslistermijn buiten behandeling kunnen stellen of kunnen afwijzen. Ook had zij in dat geval binnen de beslistermijn opnieuw om aanvullende informatie kunnen vragen. De deken heeft dit echter niet gedaan en heeft de beslistermijn daardoor ongebruikt laten verstrijken. Ook uit de door de deken genoemde uitspraken van het Hof kan niet worden afgeleid dat in een geval als dit geen dwangsom is verbeurd. [8]
8.2.8.
De deken heeft op 15 september 2025 (en dus meer dan twee weken na de ingebrekestelling) alsnog een besluit op het verzoek genomen. Mede gelet op de inhoud van dit besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Daarom is de deken aan [eiser] een dwangsom verschuldigd. Omdat de deken in gebreke is gebleven van 5 augustus 2025 (twee weken na de ingebrekestelling) tot en met 15 september 2025 [9] , bedraagt deze dwangsom op grond van artikel 4:17, tweede en derde lid, van de Awb € 1.442,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek tot het aanwijzen van een advocaat is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De deken moet [eiser] wel een dwangsom betalen, omdat zij niet binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit op het verzoek heeft genomen. De deken moet daarom het griffierecht aan [eiser] vergoeden. De rechtbank is niet gebleken dat [eiser] proceskosten heeft gemaakt. Daarom is er geen aanleiding om de deken in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- stelt de door de deken verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat de deken het griffierecht van € 53,- aan [eiser] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Grondwet

artikel 134

1 Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
Algemene wet bestuursrecht

artikel 1:1

Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of […].

artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…]
3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…].

artikel 4:4

1 Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.
[…].

artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: […]
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
[…].

artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

artikel 4:15

1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt Pro de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, […].

artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4 Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
5 Geen dwangsom is verschuldigd indien: […]
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
[…].

artikel 6:20

Advocatenwet

artikel 13

1. De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. Ook indien de rechtzoekende naar het voorlopig oordeel van de deken in aanmerking komt voor verlening van rechtsbijstand ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wijst de deken een advocaat aan.
[…]
3 Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4 De aangewezen advocaat is verplicht zijn diensten te verlenen.
[….].

artikel 17

1. De gezamenlijke advocaten, die in Nederland zijn ingeschreven, vormen de Nederlandse orde van advocaten. Zij is gevestigd te 's-Gravenhage. Zij is een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van Pro de Grondwet.
2 De gezamenlijke advocaten die kantoor houden in een zelfde arrondissement, vormen de orde van advocaten in het arrondissement.
3 De Nederlandse orde van advocaten en de orden zijn rechtspersonen.

artikel 22

1 De orde in het arrondissement wordt bestuurd door een raad die bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden, onder wie de deken. Het aantal leden van de raad wordt nader bepaald in het huishoudelijk reglement van de orde.
[…].

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 2.5.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2853, r.o. 5.
3.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:533.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2058 en ECLI:NL:RVS:2024:2056.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474, r.o. 18.
6.Zie de uitspraken van deze rechtbank van 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:533, r.o. 4.2., en de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849, r.o. 3.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 8.1.
8.Zie de uitspraken van het Hof van Discipline van 25 september 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:181, 14 juni 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:146, en 17 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:3.
9.Zie de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 12) en het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124, r.o. 4.21.