ECLI:NL:RBOVE:2026:717

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11970921 \ CV EXPL 25-3612
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 18 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering jaarlijkse bijdrage 2025 en incassokosten Tuinkeur tegen vennootschap onder firma

Tuinkeur heeft op basis van een overeenkomst een jaarlijkse dienst geleverd aan de vennootschap onder firma, die de factuur voor de bijdrage over 2025 niet heeft betaald. Tuinkeur vorderde aanvankelijk betaling van bijdragen over meerdere jaren, rente en incassokosten, maar beperkte haar eis tot de bijdrage 2025, wettelijke handelsrente en incassokosten.

De gedaagden erkenden de schuld over 2025, maar betwistten de bijdragen over 2026 en 2027 en stelden dat de vennootschap onder firma sinds 1 januari 2025 niet meer bestaat. Zij konden echter niet onderbouwen dat de ontbinding gevolgen had voor de betalingsverplichting.

De kantonrechter oordeelde dat de vordering over 2025 toewijsbaar is, inclusief de wettelijke handelsrente vanaf 17 maart 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten werden eveneens aan de gedaagden opgelegd. De veroordeling werd hoofdelijk uitgesproken, waarbij iedere vennoot aansprakelijk is voor het gehele bedrag.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de factuur 2025, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan Tuinkeur.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11970921 \ CV EXPL 25-3612
Vonnis van 10 februari 2026
in de zaak van
TUINKEUR B.V.,
te Hoogeveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Tuinkeur,
advocaat: mr. H. Scheper,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[gedaagde 1],
te [vestigingsplaats],
2.
[gedaagde 2], vennoot van gedaagde sub 1,
te [woonplaats 1],
3.
[gedaagde 3], vennoot van gedaagde sub 1,
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
verschenen bij gedaagde sub 3.

1.De zaak in het kort

1.1.
Tuinkeur heeft op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst (jaarlijks) een dienst uitgevoerd voor [gedaagden]. [gedaagden] hebben de factuur voor de jaarlijkse bijdrage 2025 niet betaald. De kantonrechter veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de factuur en de bijkomende kosten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek tevens houdende vermindering van eis
2.2.
[gedaagde 1] c.s. hebben, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd op de conclusie van repliek.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.Het geschil

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Tuinkeur en [gedaagden] hebben op 5 december 2022 een overeenkomst gesloten op basis waarvan Tuinkeur een dienst verleent. Tuinkeur heeft de dienst (jaarlijks) geleverd aan [gedaagden] en heeft voor het jaar 2025 een factuur met nummer 2540259 voor een bedrag van € 2.336,29 verstuurd. [gedaagden] hebben de factuur tot op heden niet voldaan. Tuinkeur heeft [gedaagden], diverse malen herinnerd aan het openstaande bedrag en aangemaand tot betaling.
3.2.
Tuinkeur heeft bij dagvaarding aanvankelijk gevorderd om [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 7.897,04, te vermeerderen met rente en kosten. Dit gevorderde bedrag bestond uit de jaarlijkse bijdragen voor 2025 tot en met 2027, de buitengerechtelijke incassokosten van € 725,44 en de rente berekend tot en met 9 oktober 2025 van € 162,73.
3.3.
[gedaagden] hebben bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de vennootschap onder firma sinds 1 januari 2025 niet meer bestaat. Het is nu een eenmanszaak.
[gedaagden] hebben erkend dat zij de factuur van de jaarlijkse bijdrage 2025 van € 2.336,29 moeten betalen. Op 30 april 2025 hebben [gedaagden] contact opgenomen met Tuinkeur en aangegeven dat voldoening van de factuur door omstandigheden moeilijk zou gaan. [gedaagden] hebben op 4 september 2025 een betalingsregeling getroffen met de gemachtigde van Tuinkeur, maar [gedaagden] hebben op 16 oktober 2025 telefonisch medegedeeld dat zij niet konden voldoen aan de regeling. [gedaagden] betwisten de verschuldigdheid van de jaarlijkse bijdragen over 2026 en 2027. Tuinkeur heeft in haar e-mail van 30 april 2025 al bevestigd dat de samenwerking per 1 januari 2026 is beëindigd.
3.4.
Tuinkeur heeft hier bij conclusie van repliek op gereageerd. [gedaagden] hebben niet onderbouwd dat de vennootschap onder firma is uitgeschreven en zij duidt niet welke gevolgen hieraan verbonden moeten worden. Tuinkeur houdt gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de schuld. Tuinkeur vermindert wel haar eis in die zin dat zij afstand doet van het primair gevorderde, zijnde de kosten over de jaren 2025, 2026 en 2027. Tuinkeur maakt aanspraak op het subsidiair gevorderde, de vordering over de jaarlijkse bijdrage 2025, zijnde een bedrag van € 2.336,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 maart 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 350,44.
3.5.
[gedaagden] hebben hierop niet meer gereageerd.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Jaarlijkse bijdrage 2025
4.1.
Omdat [gedaagden] hebben erkend dat zij de jaarlijkse bijdrage 2025 van € 2.336,29 moeten betalen, zal de kantonrechter dit bedrag toewijzen.
De bijkomende kosten
4.2.
Tuinkeur vordert na eisvermindering de wettelijke handelsrente berekend over de hoofdsom vanaf 17 maart 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 350,44. [gedaagden] hebben hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter stelt verder vast dat Tuinkeur voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt daarnaast overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal een bedrag van € 350,44 toewijzen.
4.3.
Omdat [gedaagden] niet op tijd hebben betaald, moeten zij ook de wettelijke handelsrente betalen. De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente toewijzen over € 2.336,29 vanaf 17 maart 2025 tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten
4.4.
[gedaagden] zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Het salaris van de gemachtigde is afgestemd op de vordering zoals toewijsbaar is gebleken. De kosten aan de zijde van Tuinkeur worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,11
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.300,61.
4.5.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. De vennootschap onder firma is deze schuld aangegaan voor de gestelde ontbinding op 1 januari 2025 (artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel). De hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Tuinkeur te betalen een bedrag van € 2.336,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.336,29, met ingang van 17 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Tuinkeur te betalen een bedrag van € 350,44 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.300,61 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.