ECLI:NL:RBOVE:2026:718
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verplichting tot psychiatrisch geschiktheidsonderzoek en betalingsverplichting rijbewijshouder
De zaak betreft het beroep van een rijbewijshouder tegen het CBR, dat haar verplichtte mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek naar haar geschiktheid om motorrijtuigen te besturen en de kosten daarvan te betalen. Dit volgde op een alcoholcontrole waarbij een te hoog ademalcoholgehalte werd vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat het CBR terecht de verplichting tot het onderzoek oplegde, maar dat de gebruikte wettelijke grondslag onjuist was vermeld, waardoor het besluit niet deugdelijk gemotiveerd is. Daarom wordt het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd omdat het onderzoek ook met de juiste grondslag opgelegd zou zijn.
Daarnaast stelde de eiseres dat zij de onderzoekskosten al had betaald, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk vanwege gebrek aan bewijs en verklaringen van de psychiater en diens medewerkster. Het beroep tegen de betalingsverplichting wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst het beroep op betalingsonmacht toe, waardoor de eiseres geen griffierecht hoeft te betalen. De ongeldigverklaring van het rijbewijs werd uit coulance herroepen, maar de eiseres moet alsnog meewerken aan een nieuw onderzoek en de kosten daarvan betalen om haar rijbewijs te behouden.
De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van het CBR om een psychiatrisch onderzoek op te leggen bij vermoeden van ongeschiktheid door rijden onder invloed, en benadrukt het belang van correcte motivering en bewijsvoering in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het besluit tot het psychiatrisch onderzoek wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de verplichting tot het onderzoek en de betalingsverplichting blijven in stand.