ECLI:NL:RBOVE:2026:718

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_1292 en ak_25_3343
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 130 Wvw 1994Art. 131 Wvw 1994Art. 132 Wvw 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verplichting tot psychiatrisch geschiktheidsonderzoek en betalingsverplichting rijbewijshouder

De zaak betreft het beroep van een rijbewijshouder tegen het CBR, dat haar verplichtte mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek naar haar geschiktheid om motorrijtuigen te besturen en de kosten daarvan te betalen. Dit volgde op een alcoholcontrole waarbij een te hoog ademalcoholgehalte werd vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat het CBR terecht de verplichting tot het onderzoek oplegde, maar dat de gebruikte wettelijke grondslag onjuist was vermeld, waardoor het besluit niet deugdelijk gemotiveerd is. Daarom wordt het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd omdat het onderzoek ook met de juiste grondslag opgelegd zou zijn.

Daarnaast stelde de eiseres dat zij de onderzoekskosten al had betaald, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk vanwege gebrek aan bewijs en verklaringen van de psychiater en diens medewerkster. Het beroep tegen de betalingsverplichting wordt daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wijst het beroep op betalingsonmacht toe, waardoor de eiseres geen griffierecht hoeft te betalen. De ongeldigverklaring van het rijbewijs werd uit coulance herroepen, maar de eiseres moet alsnog meewerken aan een nieuw onderzoek en de kosten daarvan betalen om haar rijbewijs te behouden.

De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van het CBR om een psychiatrisch onderzoek op te leggen bij vermoeden van ongeschiktheid door rijden onder invloed, en benadrukt het belang van correcte motivering en bewijsvoering in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het besluit tot het psychiatrisch onderzoek wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de verplichting tot het onderzoek en de betalingsverplichting blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/1292 en ZWO 25/3343

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats] (hierna: [eiseres]), eiseres

(gemachtigde: J.H. Vegter),
en

de directie van het CBR (hierna: het CBR), verweerder

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het CBR aan [eiseres] opgelegde verplichting om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater naar de geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen (hierna: de geschiktheid). Daarnaast gaat deze uitspraak over de aan [eiseres] opgelegde verplichting om dit onderzoek (alsnog) te betalen. [eiseres] is het er niet mee eens dat zij is verwezen naar een psychiater en zij stelt dat ze het onderzoek al heeft betaald. Aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] beoordeelt de rechtbank of de verplichting om mee te werken aan het onderzoek en de verplichting om dit onderzoek (alsnog) te betalen in stand kunnen blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR aan [eiseres] terecht de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Het CBR heeft in zijn besluiten echter de verkeerde grondslag genoemd en heeft deze besluiten daardoor niet deugdelijk gemotiveerd. Daarom is het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 gegrond en wordt het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter in stand blijven. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het onderzoek door de psychiater al heeft betaald. [eiseres] is op 13 maart 2025 door een psychiater onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels echter verouderd. Dit betekent dat [eiseres], als zij haar rijbewijs wil behouden, alsnog de kosten van het onderzoek door een psychiater moet betalen en zich nogmaals door een psychiater moet laten onderzoeken. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met een besluit van 2 januari 2025 heeft het CBR aan [eiseres] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid. Met een besluit van 14 maart 2025 (hierna: het bestreden besluit I) heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 2 januari 2025 ongegrond verklaard en is het CBR bij dat besluit gebleven.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/1292. Het CBR heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. Met een besluit van 3 juni 2025 heeft het CBR het rijbewijs van [eiseres] ongeldig verklaard. Met een besluit van 24 september 2025 heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 3 juni 2025 ongegrond verklaard en is het CBR bij de ongeldigverklaring gebleven. Met een besluit van 3 oktober 2025 (hierna: het bestreden besluit II) heeft het CBR het besluit van 24 september 2025 ingetrokken. In het bestreden besluit II heeft het CBR het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2025 opnieuw ongegrond verklaard, maar heeft het CBR de ongeldigverklaring van het rijbewijs uit coulance herroepen.
4. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3343.
5. De rechtbank heeft de beroepen op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via een videoverbinding deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het CBR.
5.1.
De gemachtigde van het CBR heeft op de zitting meegedeeld dat de psychiater heeft aangegeven dat er inmiddels zoveel tijd is verstreken sinds het onderzoek van 13 maart 2025 dat hij op basis daarvan geen oordeel meer kan geven over de geschiktheid. Dit betekent dat er een nieuw onderzoek door een psychiater zal moeten worden gedaan. De gemachtigde van het CBR heeft verklaard dat het CBR – gelet op de slordige gang van zaken in deze procedure – bereid is de kosten van dit onderzoek voor zijn rekening te nemen. De rechtbank heeft het CBR gevraagd om dit voorstel op papier te zetten en heeft [eiseres] de gelegenheid gegeven om over dit voorstel na te denken en binnen een week op het schriftelijke voorstel te reageren. [eiseres] heeft binnen deze termijn laten weten dat zij niet akkoord gaat met het voorstel en dat zij een uitspraak van de rechtbank wil in beide beroepsprocedures.

Beoordeling door de rechtbank

Verzoeken tot vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen
6. [eiseres] heeft in beide beroepsprocedures verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. De rechtbank ziet in de door [eiseres] aangeleverde gegevens aanleiding om aan te nemen dat zij niet in staat is het griffierecht te betalen. Daarom wijst de rechtbank het beroep op betalingsonmacht toe. Dit betekent dat [eiseres] in beide beroepsprocedures geen griffierecht hoeft te betalen.
De relevante feiten en omstandigheden
7. De rechtbank stelt vast dat het volgende tussen partijen niet in geschil is.
7.1.
Op 19 oktober 2024 om 02:17 uur is [eiseres] als bestuurder van een auto door de politie gecontroleerd, omdat zij opvallend langzaam reed. Uit een voorlopig onderzoek van de uitgeademde lucht is gebleken dat er een indicatie was voor het gebruik van alcohol. Bij de daarop volgende alcoholcontrole is een ademalcoholgehalte van 510 μg/l (2,358 ‰) vastgesteld, terwijl maximaal 220 µg/l is toegestaan. Naar aanleiding daarvan heeft de politie aan het CBR meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [eiseres] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of lichamelijke of geestelijke geschiktheid.
7.2.
Op basis daarvan heeft het CBR bij besluit van 22 oktober 2024 aan [eiseres] een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer opgelegd. Dit houdt in dat [eiseres] een cursus over alcohol en verkeer moet volgen (hierna: de EMA-cursus). [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2024. In bezwaar heeft [eiseres] aangegeven dat zij niet in staat is om deze cursus te volgen, omdat zij als gevolg van de ziekte van Bechterew niet lang kan zitten of staan. In een brief van 21 november 2024 heeft het CBR aan [eiseres] laten weten dat is besloten om het besluit van 22 oktober 2024 om te zetten, in die zin dat de EMA-cursus zal worden omgezet in een onderzoek naar de geschiktheid. In een brief van 22 november 2024 heeft het CBR aan [eiseres] meegedeeld dat zij de EMA-cursus niet meer hoeft te volgen en dat zo snel mogelijk een nieuw besluit zal worden genomen.
7.3.
Vervolgens heeft het CBR [eiseres] in het besluit van 2 januari 2025 verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid. Met het bestreden besluit I heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 2 januari 2025 ongegrond verklaard en is het CBR gebleven bij de oplegging van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid.
7.4.
In een brief van 6 januari 2025 heeft het CBR [eiseres] verwezen naar een psychiater. Naar aanleiding daarvan heeft [eiseres] een afspraak gemaakt voor een bezoek aan psychiater dr. Graveland (hierna: de psychiater) op 13 maart 2025. Tijdens dit bezoek is [eiseres] onderzocht door de psychiater.
7.5.
Op 19 mei 2025 heeft (een medewerkster van) de psychiater het CBR meegedeeld dat het onderzoeksrapport niet kan worden ingediend bij het CBR, omdat [eiseres] de onderzoekskosten niet heeft betaald. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR met het besluit van 3 juni 2025 het rijbewijs van [eiseres] met ingang van 10 juni 2025 ongeldig verklaard op de grond dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan het geschiktheidsonderzoek.
7.6.
Met het besluit van 24 september 2025 heeft het CBR het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 3 juni 2025 ongegrond verklaard en is het CBR bij de ongeldigverklaring van het rijbewijs gebleven. Met het bestreden besluit II heeft het CBR het besluit van 24 september 2025 ingetrokken. Het CBR heeft het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 3 juni 2025 opnieuw ongegrond verklaard, maar heeft de ongeldigverklaring van het rijbewijs uit coulance herroepen. In dit besluit heeft het CBR aan [eiseres] meegedeeld dat het onderzoekstraject wordt hervat en dat de onderzoekskosten alsnog moeten worden betaald aan de specialist.
Beoordeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292
Is terecht de verplichting opgelegd om mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek?
8. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het CBR haar ten onrechte de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Daartoe voert zij aan dat zij niet kan deelnemen aan een EMA-cursus als gevolg van een lichamelijke aandoening en niet als gevolg van een geestelijke aandoening. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar informatie van haar huisarts. [eiseres] voert verder aan dat de psychiater ook geen vragen heeft gesteld over haar psychische gesteldheid.
9. De rechtbank is van oordeel dat het CBR aan [eiseres] terecht de verplichting heeft opgelegd om mee te werken aan een onderzoek door een psychiater. Zij legt dit hierna uit.
9.1.
Als een politieambtenaar vermoedt dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, meldt hij dit aan het CBR. Als het CBR zo’n melding ontvangt, moet het in bepaalde gevallen besluiten om een EMA-cursus of een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid op te leggen. Deze gevallen staan in de Regeling maatregelen rijvaardigheid 2011 (hierna: de Regeling). In de Regeling staan ook nadere regels over het opleggen van deze maatregelen. Dit volgt uit de artikelen 130, eerste lid, en 131, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994).
9.2.
In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is bepaald dat het CBR besluit tot oplegging van een EMA-cursus als bij betrokkene een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l maar lager is dan 785 µg/l. De betrokkene komt echter niet in aanmerking voor een EMA-cursus als hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt. In dat geval besluit het CBR dat betrokkene moet meewerken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Dit volgt uit de artikelen 12, aanhef en onder e, en 23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling.
9.3.
In dit geval bestond er, gelet op de uitslag van het ademonderzoek, aanleiding om aan [eiseres] een EMA-cursus op te leggen. Omdat [eiseres] als gevolg van een lichamelijke stoornis niet in staat is om deel te nemen aan een EMA-cursus, heeft het CBR haar in plaats daarvan de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Dit is in overeenstemming met de hiervoor genoemde bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling.
9.4.
Als het CBR een onderzoek naar de geschiktheid oplegt, legt het aan de betrokkene de verplichting op om aan dat onderzoek mee te werken. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht. Dit volgt uit de artikel 133, eerste en tweede lid, van de Wvw.
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat het CBR in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het onderzoek naar de geschiktheid moet worden uitgevoerd door een psychiater. Zoals het CBR heeft aangegeven is de reden voor het onderzoek naar de geschiktheid niet dat [eiseres] een lichamelijke aandoening heeft. [eiseres] en het CBR zijn het erover eens dat deze aandoening er niet toe leidt dat [eiseres] niet geschikt is om motorvoertuigen te besturen. De reden voor het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid is dat [eiseres] op 19 oktober 2024 een auto heeft bestuurd onder invloed van alcohol. De rechtbank is van oordeel dat het CBR heeft kunnen bepalen dat dit onderzoek moet worden uitgevoerd door een psychiater. Doordat [eiseres] onder invloed van alcohol heeft gereden, is het vermoeden ontstaan dat zij niet geschikt is om motorvoertuigen te besturen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van het CBR dat een psychiater de kennis en ervaring heeft om het onderzoek naar de geschiktheid in het kader van een dergelijke procedure te verrichten. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
9.6.
De andere gronden die [eiseres] heeft aangevoerd in de beroepsprocedure met zaaknummer ZWO 25/1292 kunnen niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit I niet in stand kan blijven. Deze gronden zijn namelijk niet gericht tegen het opleggen van de onderzoeksverplichting, maar zien op de vragen of [eiseres] de onderzoekskosten heeft betaald en of de psychiater terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik. De eerstgenoemde vraag zal hierna aan de orde komen bij de beoordeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343. De laatstgenoemde vraag is niet van belang in het kader van de door de rechtbank te beoordelen beroepen, aangezien het CBR het rapport van de psychiater nog helemaal niet heeft ontvangen en het daar dus ook geen rekening mee heeft gehouden in zijn besluitvorming. De rechtbank merkt overigens op dat het CBR op de zitting heeft meegedeeld dat het onderzoek dat de psychiater in maart 2025 heeft verricht niet meer kan worden gebruikt, omdat dit inmiddels verouderd is.
9.7.
Het CBR heeft in het verweerschrift en op de zitting aangegeven dat in het besluit van 2 januari 2025 niet de juiste grondslag is genoemd voor het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid. In dit besluit staat namelijk dat deze maatregel is gebaseerd op artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling (medische gronden), terwijl de maatregel gebaseerd had moeten worden op de artikelen 11, eerste lid, 12, aanhef en onder e, en 23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling (rijden onder invloed). De rechtbank is dit met het CBR eens. Het CBR heeft deze verkeerde grondslag ten onrechte niet aangepast in het bestreden besluit I. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de motivering van het besluit van 2 januari 2025 en de motivering van het bestreden besluit I onjuist zijn. Het CBR heeft dit op de zitting ook erkend. De rechtbank begrijpt dat dit bij [eiseres] tot verwarring heeft geleid en dat zij uit de berichtgeving van het CBR heeft begrepen dat zij een lichamelijk onderzoek moest ondergaan.
9.8.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit I niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daarom is het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit I vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten. De reden daarvoor is dat – zoals het CBR heeft toegelicht – de verplichting om deel te nemen aan een onderzoek naar de geschiktheid, als daarbij de juiste grondslag zou zijn vermeld, niet anders zou zijn geweest. Ook in dat geval zou dit onderzoek hebben bestaan uit een psychiatrisch onderzoek, waarbij het alcoholgebruik van [eiseres] centraal zou staan. De aard van het onderzoek en de mogelijke uitkomst daarvan zijn in beide gevallen hetzelfde. Zoals het CBR heeft toegelicht is het enige verschil tussen een onderzoek op medische gronden en een onderzoek naar aanleiding van rijden onder invloed dat het ministerie in het eerste geval een deel van de uitvoeringskosten voor haar rekening neemt, terwijl de betrokkene in het tweede geval de volledige kosten zelf moet betalen. De verkeerde grondslag heeft in dit geval tot gevolg gehad dat aan [eiseres] niet de volledige kosten van het uitvoeren van het onderzoek (€ 1.164,-) in rekening zijn gebracht, maar een deel van dat bedrag (€ 457,-). Dit is dus in het voordeel van [eiseres].
Beoordeling van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343
Heeft [eiseres] (proces)belang bij de beoordeling van dit beroep?
10. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] (proces)belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit II, ondanks het feit dat de ongeldigverklaring van haar rijbewijs met dat besluit is herroepen. Daarbij is van belang dat de ongeldigverklaring weliswaar is herroepen, maar dat [eiseres] – als zij haar rijbewijs wil behouden – op basis van het bestreden besluit II nog steeds een onderzoek door een psychiater moet ondergaan en zij dan ook de kosten van dit onderzoek moet betalen. Daarom heeft [eiseres] – nog daargelaten of zij schade heeft geleden door het bestreden besluit II – belang bij een oordeel van de rechtbank over de vraag of het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat zij de onderzoekskosten al heeft betaald.
Is aannemelijk dat [eiseres] de kosten van het onderzoek heeft betaald?
11. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij de kosten van het psychiatrisch onderzoek – conform de daarover gemaakte afspraak – tijdens het bezoek van 13 maart 2025 contant heeft betaald aan een medewerkster van de psychiater. Zij voert aan dat dit wordt bevestigd door haar gemachtigde, die bij de betaling aanwezig was.
12. De rechtbank is van oordeel dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de kosten van het onderzoek door de psychiater al heeft betaald. Zij zal dit hierna toelichten.
12.1.
Degene aan wie een onderzoek naar de geschiktheid is opgelegd, is verplicht om mee te werken aan dat onderzoek. Als diegene niet meewerkt aan het onderzoek, moet het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaren. Het niet, niet op tijd of niet op de juiste manier betalen van de kosten van het onderzoek wordt aangemerkt als het niet meewerken aan het onderzoek. Dit volgt uit de artikelen 132, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, en 133, vierde en vijfde lid, van de Wvw en de artikelen 24, aanhef en onder a, en 25, eerste en tweede lid, van de Regeling.
12.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] de opleggingskosten van het onderzoek naar de geschiktheid heeft betaald, nu deze kosten zijn verrekend met de door [eiseres] betaalde kosten voor het opleggen van de EMA-cursus. Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of [eiseres] ook de kosten voor het onderzoek van € 457,- heeft betaald.
12.3.
Het betoog van [eiseres] houdt in dat zij – in het bijzijn van haar gemachtigde – een envelop met daarin een contant bedrag van € 457,- samen met een aantal in te scannen documenten heeft overhandigd aan de medewerkster van de psychiater en dat zij deze envelop daarna niet heeft teruggekregen. De medewerkster van de psychiater heeft bevestigd dat zij documenten van [eiseres] heeft gekregen om in te scannen en dat zij deze daarna weer aan haar heeft teruggegeven. Zij heeft echter met redenen omkleed aangegeven dat zij geen contante betaling van [eiseres] heeft ontvangen en de psychiater heeft dit bevestigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de psychiater en zijn medewerkster te twijfelen. Daarbij is van belang dat [eiseres] haar stelling dat zij contant heeft betaald niet (althans onvoldoende) met bewijsmiddelen heeft onderbouwd. Zij heeft bijvoorbeeld geen betalingsbewijs (kwitantie) overgelegd, terwijl het bij de betaling van een bedrag van € 457,- wel voor de hand had gelegen dat zij zo’n bewijs zou hebben ontvangen. De rechtbank acht de bevestiging van het verhaal van [eiseres] door haar gemachtigde onvoldoende. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de gemachtigde tijdens de hoorzitting in bezwaar desgevraagd heeft verklaard dat er tijdens het onderzoek geen blote bankbiljetten zichtbaar zijn geweest en dat er ook geen bedrag is genoemd. Uit een door [eiseres] overgelegde schermafdruk blijkt weliswaar dat [eiseres] heeft aangekondigd dat zij contant zou gaan betalen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Daarbij komt dat deze schermafdruk betrekking heeft op een afspraak op 14 maart 2025 in Leeuwarden, terwijl het onderzoek door de psychiater blijkens het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025 in Zwolle. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
12.4.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het herroepen van de ongeldigverklaring van het rijbewijs inderdaad op coulance berustte en dat [eiseres] de kosten van het onderzoek door de psychiater alsnog zal moeten betalen en zich nogmaals door een psychiater zal moeten laten onderzoeken, als zij wil voorkomen dat haar rijbewijs opnieuw ongeldig wordt verklaard.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit I. Zij zal echter bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Dit betekent dat de verplichting tot het meewerken aan een onderzoek naar de geschiktheid door een psychiater in stand blijft. De rechtbank verwijst hierbij naar wat hiervoor in 9.8 is overwogen. Omdat [eiseres] geen griffierecht heeft betaald, hoeft het CBR geen griffierecht aan haar te vergoeden. Er bestaat ook geen aanleiding om het CBR te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, nu niet is gebleken dat [eiseres] proceskosten heeft gemaakt die vergoed kunnen worden. Daarbij is van belang dat haar gemachtigde geen professionele rechtsbijstandsverlener is.
14. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343 is ongegrond. Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij geen vergoeding voor haar proceskosten. [eiseres] heeft ook in deze procedure geen griffierecht betaald. Reeds daarom hoeft het CBR dit niet aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/1292 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I van 14 maart 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven;
- verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/3343 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 7:12

1 De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]

artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2 De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
3 De bestuursrechter kan bepalen dat:
a.de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven […].
Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)

artikel 130

1 Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. […]

artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. […]
3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

artikel 132

1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich: […]
b. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. […]
2 Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van: […]
b. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen. […]

artikel 133

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
2 Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.
[…]
4 De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. […]
5 De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene. […]
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

artikel 11

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet; […]

artikel 12

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien: […]
e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt, […].

artikel 23

1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
e. betrokkene op grond van artikel 12 niet Pro in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer; […]
3 Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: […]
b. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II; […]

artikel 24

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:
a. de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet, […]

artikel 25

1. De kosten verbonden aan de oplegging en de kosten verbonden aan de uitvoering van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen in de in artikel 23, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder.
2 De kosten van oplegging van de in artikel 23, derde lid, bedoelde onderzoeken komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder. De kosten van uitvoering van de in artikel 23, derde lid, bedoelde onderzoeken komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder, voor zover het de kosten van het onderzoek zelf betreft. […]