ECLI:NL:RBOVE:2026:729

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/08/337990 / HA ZA 25-293
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RvArt. 109 RvArt. 99 RvArt. 100 RvArt. 101 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering geldlening met contractuele rente en onvoldoende betekening aan onbekende verblijfplaats gedaagden

Eisers hebben aanzienlijke geldbedragen uitgeleend aan gedaagden die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten hebben. Zij vorderen terugbetaling van het uitgeleende geld vermeerderd met contractuele rente. Omdat de verblijfplaatsen van gedaagden onbekend zijn, hebben eisers de dagvaarding openbaar laten betekenen.

De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en concludeert dat deze bevoegd is omdat de verbintenis tot terugbetaling in Nederland moet worden uitgevoerd, mede omdat de lening vanuit Nederland is verstrekt en eisers in Nederland wonen. De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, is daarom bevoegd.

Gedaagden zijn niet verschenen. De rechtbank beoordeelt of de dagvaarding correct is betekend. Hoewel openbaar betekenen is toegestaan bij onbekende verblijfplaats, rust op eisers de plicht om redelijke inspanningen te verrichten om de verblijfplaats te achterhalen. De rechtbank constateert dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht, ondanks dat zij via e-mail en WhatsApp contact hadden met gedaagden en adressen hadden kunnen achterhalen.

De rechtbank geeft eisers de gelegenheid om alsnog het adres van gedaagden te achterhalen en het exploot op juiste wijze te laten betekenen. Tevens mogen zij zich uitlaten over de mate waarin reeds betaalde rentebedragen in mindering zijn gebracht op de vordering. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting over zes weken.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en geeft eisers de gelegenheid om alsnog adressen van gedaagden te achterhalen en zich uit te laten over verrekening van betaalde rente.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/337990 / HA ZA 25-293
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. G.K. Fraterman,
tegen

1.[gedaagde 1],

zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.

1.De zaak in het kort

1.1.
Eisers hebben geld aan gedaagden geleend. Eisers vorderen terugbetaling van het uitgeleende geld, vermeerderd met contractuele rente.
1.2.
Eisers hebben de dagvaarding openbaar laten betekenen, omdat volgens hen geen sprake is van een bekende woon- of verblijfplaats van gedaagden. Gedaagden zijn niet verschenen. Wel is bij de rechtbank een e-mail van [gedaagde 1] bekend, waarin staat dat eisers hem niet om zijn adres hebben gevraagd en hij kort geleden nog het adres van [gedaagde 2] heeft toegestuurd.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om de woon-/verblijfplaats van gedaagden te achterhalen. Eisers worden daarom in de gelegenheid gesteld te proberen alsnog een adres van gedaagden te achterhalen, en eventueel daarna het (herstel)exploot op de juiste manier te laten betekenen. Daarnaast worden eisers in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten in hoeverre de door gedaagden betaalde rentebedragen (vide randnummer 5 dagvaarding) op de vordering(en) in mindering zijn gebracht.

2.De procedure

2.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de dagvaarding. Per e-mail van 2 december 2025 heeft mr. Fraterman een brief met twee stukken aan de rechtbank toegestuurd: een e-mail van [gedaagde 1] van 19 november 2025 en zijn brief aan [gedaagde 1] van 2 december 2025. Daarnaast is per e-mail van 22 januari 2026 namens eisers twee berichten van het Openbaar Ministerie van 19 januari 2026 aan de rechtbank toegestuurd.
2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
Broek heeft € 380.000,- en Fabels € 400.000,- aan gedaagden uitgeleend. Eisers vorderen – kort gezegd – terugbetaling van deze bedragen, vermeerderd met de contractuele rente.
Bevoegdheid Nederlandse rechter
3.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat de laatst bekende woonplaats(en) van gedaagden in het buitenland (China/Singapore) was/waren. De rechtbank moet daarom onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is over dit geschil te oordelen.
3.3.
Nu in deze zaak geen verdragen of EU-verordeningen inzake bevoegdheid van toepassing zijn, moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van artikel 6 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
3.4.
Op grond van artikel 6 sub a Rv Pro is de Nederlandse rechter bevoegd als sprake is van een verbintenis uit overeenkomst en die verbintenis in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
3.5.
Of de verbintenis in Nederland is uitgevoerd/had moeten worden uitgevoerd, moet naar Nederlands recht worden beoordeeld. Partijen zijn immers in de geldleningsovereenkomst overeengekomen dat Nederlands recht op de overeenkomst van toepassing is.
3.6.
Het ter beschikking stellen van geld is vanuit Nederland, vanaf de Nederlandse bankrekening van eisers, gebeurd. Aangezien eisers in Nederland wonen, moet de verbintenis tot terugbetaling van de geldlening ook in Nederland worden uitgevoerd. Op grond van artikel 6:116 van Pro het Burgerlijk Wetboek moet de betaling namelijk worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser.
3.7.
Aangezien de verbintenis in Nederland moet worden uitgevoerd, is de Nederlandse rechter dus bevoegd kennis te nemen van het geschil tussen partijen.
3.8.
Vervolgens moet worden gekeken welke rechtbank in Nederland bevoegd is. Op grond van artikel 109 Rv Pro is dat de rechtbank van de woonplaats van eisers, omdat op grond van artikelen 99 tot en met 108 Rv geen bevoegde rechter kan worden aangewezen. Gedaagden hebben namelijk – voor zover bekend – geen woon-/verblijfplaats in Nederland. Aangezien eisers woonachtig zijn in Hengelo en Enschede, is de rechtbank Overijssel, locatie Almelo bevoegd.
Verstek
3.9.
Aangezien gedaagden niet zijn verschenen, moet de rechtbank beoordelen of zij correct zijn opgeroepen in deze procedure.
3.10.
De dagvaarding is overeenkomstig artikel 54 lid 2 Rv Pro betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen (in dit geval de rechtbank in Almelo). Ook is een uittreksel van het exploot van de dagvaarding in de Staatscourant bekend gemaakt. Dit is de correcte betekeningswijze in het geval de woonplaats en het werkelijk verblijf van gedaagden onbekend zijn. In dat laatste geval is het Haags betekeningsverdrag 1965 ook niet van toepassing. Dat verdrag is wel van toepassing als de verblijf-/woonplaats van gedaagden bekend is.
3.11.
Deze manier van (openbaar) betekenen geldt als laatste redmiddel, nu de kans dat een gedaagde partij daadwerkelijk bekend raakt met het exploot, klein is. Op eisers rust daarom de plicht om redelijke inspanningen te verrichten om de verblijf-/woonplaats van een gedaagde te achterhalen.
3.12.
Uit de dagvaarding en ook uit de op 2 december 2025 overgelegde stukken blijkt niet dat redelijke inspanningen daartoe zijn verricht. Per e-mail van 19 november 2025 schrijft [gedaagde 1] aan de advocaat van eisers dat eisers hem op 29 juli 2025 nog per WhatsApp hadden gevraagd om het adres van [gedaagde 2] en dat hij daarop heeft gereageerd. Daarnaast schrijft hij dat eisers hem met een simpel bericht om zijn actuele adres hadden kunnen vragen. [gedaagde 1] ondertekent de brief met een adres in Singapore. In de reactie van de advocaat van eisers op die e-mail van [gedaagde 1] wordt het voorgaande niet weersproken.
3.13.
Ook blijkt uit de processtukken dat de mailadressen van gedaagden bij eisers bekend waren en partijen ook eerder via WhatsApp veelvuldig contact met elkaar hadden. Eisers hadden dan ook per WhatsApp of e-mail kunnen proberen de adressen van gedaagden te achterhalen. Voor zover de rechtbank bekend, hebben zij dat niet gedaan; althans, hebben zij een eventueel ontvangen adres niet gebruikt voor de betekening.
3.14.
De rechtbank vindt het bovendien kwalijk dat de dagvaarding in eerste instantie niet naar de e-mailadressen van gedaagden lijken te zijn gestuurd, terwijl die mailadressen bij eisers bekend waren. Pas nadat [gedaagde 1] via de Staatscourant bekend raakte met het openbaar exploot, is de dagvaarding naar [gedaagde 1] gemaild. Het is niet duidelijk of de dagvaarding ook per e-mail naar [gedaagde 2] is gestuurd.
3.15.
De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers alsnog het adres van gedaagden met redelijke inspanningen moeten proberen te achterhalen.
3.16.
Vervolgens worden eisers in de gelegenheid gesteld bij akte toe te lichten welke inspanningen zij hebben verricht om het adres van gedaagden te achterhalen en in hoeverre dit het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Daarvoor komt de zaak op de rol over zes weken.
In het geval dat het adres van gedaagden is achterhaald, worden eisers in de gelegenheid gesteld het (herstel)exploot op de juiste manier te (laten) betekenen (met inachtneming van de toepasselijke regels, waaronder uit het Haags Betekeningsverdrag 1965). [1] In dat geval zal daartoe een nieuwe roldatum worden bepaald.
Hoogte vorderingen
3.17.
Daarnaast is het de rechtbank onvoldoende duidelijk in hoeverre de door gedaagden betaalde rentebedragen (productie 8a en 8b van de dagvaarding) zijn meegenomen in de berekening van de hoogte van de vorderingen (en dus al dan niet in mindering daarop zijn gebracht).
3.18.
Eisers worden in de gelegenheid gesteld zich ook daarover bij akte uit te laten.

4.4. De beslissing

De rechtbank
4.1.
verwijst de zaal naar de rol van 18 maart 2026 om zich bij akte uit te laten over hetgeen hiervoor vermeld onder 3.16 tot en met 3.18;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. (JK)

Voetnoten

1.Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken van 15 november 1965,