ECLI:NL:RBOVE:2026:730

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/08/320789 / HA ZA 24-363
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 7:400 BWArt. 7:401 BWArt. 150 RvArt. 164 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens ontbreken beroepsfouten bij fiscale advisering over overnametraject

De zaak betreft een geschil over de vraag of gedaagde B.V. beroepsfouten heeft gemaakt bij de fiscale advisering in een overnametraject tussen eiser c.s. en de wederpartij. Eiser c.s. stelt dat gedaagde tekort is geschoten in haar zorgplicht, onder meer door verkeerde voorlichting over de bindendheid van een afsprakenbrief, het niet delen van een kritische waarderingsnotitie, het niet opnemen van een financieringsvoorbehoud en het nalaten van onderzoek naar de financiële draagkracht van eiser.

De rechtbank stelt vast dat de advisering een brede reikwijdte had en dat eiser zelf ook een actieve en deskundige rol speelde in het traject. De afsprakenbrief is naar het oordeel van de rechtbank bindend en niet vrijblijvend, en de stellingen dat gedaagde hierover onjuist heeft voorgelicht worden verworpen. Ook het niet bespreken van de notitie van de waarderingsdeskundige leidt niet tot een beroepsfout, omdat de notitie geen waarderingsrapport was en de gehanteerde waarderingsmethode door partijen werd gevolgd.

Verder is het financieringsvoorbehoud in de loop van de onderhandelingen vervangen door een lening van de verkopende partij, waardoor geen sprake was van een ontbindende voorwaarde. Ten slotte had gedaagde geen aanleiding om te twijfelen aan de financiële draagkracht van eiser, mede gelet op de positieve prognoses en de betrokkenheid van andere adviseurs en financiers.

De rechtbank concludeert dat gedaagde niet tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en dat er geen toerekenbare beroepsfouten zijn gemaakt. De vorderingen van eiser c.s. worden daarom afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser c.s. af wegens het ontbreken van beroepsfouten bij de advisering door gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/320789 / HA ZA 24-363
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser] B.V.,

te [vestigingsplaats 1],
2.
SERVION GROEP V.O.F.,
te Wierden,
3.
ARBOLINK B.V.,
te Wierden,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser], Servion, ArboLink en samen [eiser] c.s.,
advocaten: mrs. J.J.D. de Leur en V. Meijer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaten: mrs. P. van Boxtel en S.A.R. Brouwers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- akte houdende wijziging grondslag en overlegging producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de bij brief van 28 februari 2025 overgelegde aanvullende producties van de zijde van [eiser] c.s.,
- de mondelinge behandeling van 11 december 2024, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om te proberen een minnelijke regeling te treffen. Dat is niet gelukt, waarna partijen hebben gevraagd om vonnis te wijzen.
1.3.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.Samenvatting

2.1.
De kern van het geschil betreft de vraag of bij de (fiscale) advisering door [gedaagde] bij een overnametraject beroepsfouten zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen worden.

3.De feiten

3.1.
De heer [naam 1] (hierna [naam 1]) is (in)direct bestuurder van [eiser].
3.2.
[naam 1] en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) zijn in 2019 een zakelijke samenwerking aangegaan door samenvoeging van de activiteiten van hun eenmanszaken op het gebied van assurantiebemiddeling, hypotheekbemiddeling en financiële dienstverlening (’t Assurantiekantoor respectievelijk Servion Financiële Dienstverlening). In het kader van deze samenwerking is Waardevisie gevraagd een calculatorische opdracht uit te voeren. Waardevisie heeft de waarde (= waardering eigen vermogen) van ’t Assurantiekantoor berekend op € 607.467,- en de waarde van Servion Dienstverlening op € 342.397,-. Daarnaast zijn [naam 1] en [naam 2] nieuwe activiteiten op het gebied van arbodienstverlening gestart, welke activiteiten zijn ondergebracht bij ArboLink. [naam 1] en [naam 2] hebben ook een Stichting Administratiekantoor (Stak) opgericht. Vanaf dat moment was de samenwerking tussen hen via de onderstaande vennootschapsrechtelijke structuur:
[Afbeelding]
3.3.
[naam 1] en [naam 2] hebben, mede in verband met ziekte en uitval van [naam 2], vanaf (ongeveer) medio 2021/begin 2022 gesprekken gevoerd over de beëindiging van hun samenwerking. In dat kader heeft [eiser]/[naam 1] [gedaagde] als adviseur ingeschakeld. [gedaagde] heeft eerder, in 2019 en 2021, werkzaamheden voor [naam 1] verricht. De heer mr. [naam 3], een van de partners van [gedaagde] (hierna: [naam 3]), heeft [naam 1]/[eiser] in het overnametraject geadviseerd. [naam 2] werd geadviseerd door de heer [naam 4] van BDO Acountants & Belastingadviseurs B.V. (hierna [naam 4] en BDO).
3.4.
Op 17 februari 2022 heeft [naam 2] een e-mailbericht aan [naam 1] gestuurd, waarbij een bijlage is (mee)gestuurd met de waardebepalingen van Servion, Arbolink en Hypotheek-maatje. Daarbij vermeldt [naam 2] (onder meer) dat er twee verschillende totaalbedragen zijn vastgesteld en dat het uitgangspunt bij allebei het aandeel van hem in het geheel is en het vastgestelde bedrag door Waardevisie per 1 januari 2019 voor (destijds) Servion. [naam 2] geeft aan dat het misschien handig is dat [naam 1] met [naam 3] ook een opzetje maakt en dat zij dan bij elkaar komen om er over te praten.
3.5.
[naam 1] heeft dit e-mailbericht op 10 maart 2022 doorgestuurd aan [naam 3] en daarbij vermeldt:
“Denk dat het raadzaam is dat wij hier op schieten. Het rapport van 2019 en de cijfers 2020 en 2021 moet ons al een eind brengen.”
3.6.
Op 11 maart 2022 antwoordde [naam 3] aan [naam 1] hierop als volgt:
"Ik denk dat het goed is om per 1 januari 2022 (dus op basis van de cijfers 2021) de waarde vast te stellen. Zijn de jaarcijfers 2021 al (in concept) gereed? De opstelling in excel geeft weer wat de zienswijze is van [naam 2] en kan daarmee prima dienen als uitgangspunt."
3.7.
Op 24 maart 2024 heeft [naam 1] financiële gegevens verstuurd naar [naam 3]. Vervolgens hebben [naam 1] en [naam 3] op 30 maart 2022 een bespreking gehad, waarvan [naam 3] [naam 1] op 31 maart 2022 per e-mail een samenvatting heeft gestuurd. Daarna vond op diezelfde dag een bespreking plaats tussen [naam 1] en [naam 2] waarbij [naam 3] en [naam 4] ook aanwezig waren.
3.8.
Op 15 april 2022 zond [naam 3] per e-mail een (concept)brief met als onderwerp “niet bindend voorstel” (met bijlagen) aan [naam 1] met de opmerking dat hij [naam 1] later die ochtend hierover zou bellen. Nadat [naam 1] en [naam 3] elkaar telefonisch hebben gesproken heeft [naam 3] [naam 1] een aangepaste versie van de brief per e-mail gestuurd. Later die dag stuurt [naam 1] aan [naam 3] een e-mailbericht waarin [naam 1] aan [naam 3] meedeelt dat hij en [naam 2] op 8 juli 2020 een document “afzien van bedenktijd” hebben ondertekend. Daarbij merkt [naam 1] op dat hij zich afvraagt of dit gezien de situatie wel wettelijk kan, omdat [naam 2] toen al ziek was. Het document is als bijlage bij het
e-mailbericht meegestuurd en luidt als volgt:
“Toevoeging op overeenkomst van vennootschap onder firma Servion Groep
De naam Servion is per direct eigendom van ons beiden en wij zien per direct af van de mogelijkheid
lot ontvlechting lot maximaal 3 jaar na ingangsdatum van oprichting van de onderneming, deze beslissing
geldt als aanvulling op de overeenkomst van de VOF van Serviongroep, getekend op 4 september 2019. (…)”
3.9.
Op 16 april 2022 heeft [naam 3] een (opnieuw) aangepaste versie van het (niet bindend) voorstel aan [naam 1] gemaild. Op 18 april 2022 heeft [naam 1] aan [naam 3] gemaild dat het voorstel zo akkoord is en dat het op 19 april 2022 om 11.55 uur mag worden verzonden naar de wederpartij. Dit laatste is ook gebeurd.
3.10.
Op 19 april 2022, 12.01 uur, heeft [naam 4] een voorstel van de zijde van [naam 2] gemaild naar [naam 3]. Dit voorstel heeft [naam 3] op dezelfde dag (om 12.38 uur) per
e-mail doorgestuurd aan [naam 1].
3.11.
Op 21 april 2022 hebben [naam 1] en [naam 3] telefonisch contact gehad over het voorstel van de zijde van [naam 2] en hebben zij afgesproken dat er contact zou worden opgenomen met Credion Financieringen (hierna ook: Credion) om te bekijken wat de financieringsmogelijkheden zijn van de voorgenomen uitkoop.
3.12.
Op 10 mei 2022 deelt [naam 3] [naam 1] per e-mail het volgende mee:
“(…) Vanmiddag heb ik gesproken met [naam 5] van Solid Valuation, hij is een gecertificeerd waarderingsdeskundige (register valuator).
Ik heb de situatie met hem besproken betreffende de voorgenomen uitkoop van [naam 2] en de financiering die hiervoor aangetrokken dient te worden.
[naam 5] kan ons van dienst zijn met een validatie van de koopprijs. Deze validatie is voor ons een onderbouwing voor de waarde van de onderneming die wij richting de bank kunnen presenteren voor de financiering. Dit werkt [naam 5] uit in de vorm van een memorandum die we als bijlage bij de financieringsaanvraag kunnen voegen. Tevens geeft dit memorandum ons meer duidelijkheid over wat een redelijke koopprijs is en hoe we dit in de onderhandelingen in ons voordeel kunnen gebruiken.
(…)”
Op dezelfde dag reageert [naam 1] per e-mail als volgt:
“(…) Als jij acht dat we dit nodig zijn dan vind ik het prima maar als het niet nodig is en het redden het met de stukken van Dennis en Tom dan ook goed.
Het rapport van Andre is wat mij betreft ook een goeie graadmeter. Wat hebben we hier dan verder bij nodig? (…)”
3.13.
Op 17 mei 2022 hebben [naam 5] en [naam 1] vervolgens per e-mail contact met elkaar en wordt de opdracht aan [naam 5] bevestigd. In de e-mail van [naam 5] staat onder meer het volgende:
“Voor de volledigheid bevestig ik hierbij nog kort dat ik een notitie zal opstellen waarin ik de mogelijke koopprijs inzake Servion Groep V.O.F. zal toetsen aan de hand van:
• De eerder uitgevoerde calculatorische opdrachten van Waardevisie per 1 januari 2019.
• De (financiële) ontwikkeling van de onderneming tot en met 2021.
• De voorstellen die over en weer zijn gedaan met betrekking tot de financiële afwikkeling.
• Indien beschikbaar/ van toepassing: multiple analyse door middel van onderzoek vanuit Brookz.”
3.14.
[naam 5] heeft vervolgens op of omstreeks 24 mei 2022 een (concept)notitie opgesteld en heeft deze gericht aan [eiser] (ter attentie van [naam 1]). [naam 5] heeft deze notitie niet per post verzonden, maar uitsluitend via e-mail. Daarbij heeft hij de bedoeling gehad om de notitie te mailen naar [naam 1] en [naam 3], maar het op de brief vermelde e-mailadres van [naam 1] is incompleet. [1] In de notitie is (onder andere) het volgende opgenomen:
“(…)
In het kader van het toetsen van de koopprijs van Servion heb ik onderstaande informatie ontvangen:
  • Jaarcijfers 2020- Servion Groep V.O.F.;
  • Concept jaarcijfers 2021-Servion Groep V.O.F.;
  • Niet-bindend voorstel overname Servion Groep V.O.F., [bedrijf 1] B.V. en Arbolink B.V.;
  • Voorstel overname Servion Groep v.o.f. en Arbolink B.V.;
  • Waarderingsrapport Servion (eenmanszaak);
  • Waarderingsrapport 't Assurantiekantoor (eenmanszaak);
  • Excelopstelling met vergelijk projectie en realisatie.
Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van Brookz Overname Barometer H2-2021 met daarin cijfers & trends in de Nederlandse fusie- en overnamemarkt voor mkb-bedrijven in de tweede helft van 2021.
(…)
2. Voorgestelde koopsom in relatie tot eerder uitgevoerde waardebepaling
(…)
Op grond van bovenstaande lijkt het voorstel wat jij hebt gedaan in lijn te liggen met de eerder uitgevoerde waardebepalingen door Waardevisie in combinatie met de werkelijk gerealiseerde omzet.

3.Voorgestelde koopsom in relatie tot market multiples

Elk half jaar publiceert Brookz de Overname Barometer met daarin multiples die zijn gerealiseerd bij werkelijke transactie van mkb-bedrijven. In het onderzoek van het tweede halfjaar van 2021 bedraagt de gemiddelde EBITDA multiple voor het Nederlandse MKB als geheel 4,85 en die voor zakelijke dienstverlening 4,95.
(…)
4. Conclusie
(…)
De calculatorische opdracht van Waardevisie heb ik niet in zijn geheel beoordeeld. Kennelijk hebben jullie bij het aangaan van de samenwerking waarde gehecht aan deze berekeningen, zodat ik de vrijheid heb genomen te becijferen wat dezelfde uitgangspunten in rekenkundige zin betekenen voor de getallen per 1 januari 2022. Zelf zou ik, als het gaat om een indicatie voor een overnamesom, eerder vertrouwen op het onderzoek van Brookz dat werkelijke transacties mee laat wegen in haar onderzoek.
Doordat het hier een 27,5% belang betreft, zullen de getallen in absolute zin minder afwijken van het voorstel dat inmiddels is gedaan. In relatieve zin is echter sprake van een verschil in waarde van ruim 60% (€ 347.574 op basis van market multiples tegenover jouw voorstel van € 880.415).
Vanwege het grote verschil is mijn advies om de (financiële) consequenties van de voorgenomen transactie goed in kaart te brengen. Voor het opstellen van deze notitie heb ik geen beschikking over (jouw) financiële verwachtingen vanaf 2022, terwijl de financiële verwachtingen juist van grote invloed zijn op de waarde (perceptie).
(…)”
3.15.
Nadat er door [naam 3] nog aanvullende informatie is opgevraagd bij de heer
[naam 6], de boekhouder van [naam 1] (hierna: [naam 6]), hebben [naam 1] en [naam 3] nog overleg gehad voorafgaand aan de bespreking met [naam 2] (en [naam 4]) op
8 juni 2022. Op dat moment bereikten [naam 1] en [naam 2] geen overeenstemming.
3.16.
[naam 3] heeft vervolgens (wederom) een conceptvoorstel uitgewerkt en heeft dat op 9 juni 2022 per e-mail aan [naam 1] gestuurd. Daarop reageerde [naam 1] op diezelfde dag als volgt:
(…) "Voorwaarden: het aanbod is gespecifieerd per onderneming, echter moet gezien worden als 1 package deal. Kortom het is alles of niks. (…)"
3.17.
Nadien is, na een bespreking tussen [naam 1] en [naam 3], het voorstel nog aangepast in die zin dat het bod voor Servion werd verhoogd tot € 305.000,-. Dat aangepaste voorstel heeft [naam 3] ook aan [naam 1] gemaild en [naam 1] heeft daarop per mail van
9 juni 2022 (15.48 uur) akkoord gegeven.
3.18.
[naam 3] heeft dit laatste voorstel op 9 juni 2022 gemaild naar [naam 4] onder de mededeling dat het een finaal voorstel was en dat het voorstel geldig was tot 14 juni 2022 (12.00 uur). Op 14 juni 2022 reageerde [naam 4] met een tegenvoorstel. Dat tegenvoorstel heeft [naam 3] per e-mail van 14 juni 2022 gedeeld met [naam 1].
3.19.
Op 17 juni 2022 vond er opnieuw een bespreking plaats tussen [naam 1], [naam 3], [naam 2] en [naam 4] en hebben [naam 1] en [naam 2] overeenstemming bereikt over de prijs van de overname. [naam 4] bevestigde diezelfde dag per e-mail aan [naam 3] wat [naam 1] en [naam 2] overeengekomen waren. Deze e-mail met daarbij een voorstel voor een reactie richting [naam 4] heeft [naam 3] per e-mail van 20 juni 2022 naar [naam 1] gestuurd. De inhoud van deze e-mail is als volgt:
“(…)
Onderstaande mail ontving ik afgelopen vrijdag naar aanleiding van het bereiken van overeenstemming.
De cijfermatige uitwerking is een juiste weergave van hetgeen we overeen zijn gekomen (het verschil tussen beide voorstellen Is gedeeld). Het volgende wil ik richting [naam 7] mailen, akkoord?
--
Beste [naam 7],
Dank voor je mail.
Jouw mail is een juiste weergave van het gesprek, met dien verstande dat [naam 1] wel een financierings-voorbehoud dient te maken ten aanzien van de totale koopsom ad € 317.184.
Ten aanzien van het vervolg lijkt het me wenselijk de afspraken even op papier te zetten zodat we met dat document uiteindelijk ook naar de notaris en financier kunnen voor de verdere formalisering. Dit hoeft wat ons betreft geen uitgebreide koopovereenkomst te zijn, doch zal de gemaakte afspraken moeten bevatten. Daarbij als het gaan om een koop van de aandelen BOMI B.V. en de aandelen ArboLink B.V.
Ik verneem graag hoe jullie daar in staan.
(…)”
[naam 1] reageert daarop per e-mail van 20 juni 2022 als volgt:
“(…) Denk goed. Wellicht nog een escape inbouwen met als we het bedrag niet ineens kunnen betalen we €50k achtergesteld doen? Dan is het helemaal sluitend (…)”.
[naam 3] heeft vervolgens [naam 4] op 20 juni 2022 gemaild conform het hiervoor weergegeven voorstel.
3.20.
Op of omstreeks 22 juli 2022 heeft [naam 3] een financieringsmemorandum opgesteld.
3.21.
Op 26 juli 2022 zond per e-mail [naam 4] een concept afsprakenbrief toe aan [naam 3], welke [naam 3] op 27 juli 2022 heeft doorgezonden aan [naam 1]. In de afsprakenbrief staat voor zover van belang het volgende:
De volgende afspraken zijn er gemaakt tussen [naam 2] en [naam 1]:
[naam 1] dan wel een nader te noemen meester zal de aandelen in Arbolînk B.V. overnemen tegen een koopsom van € 17.500;
De aandelen in Arbolînk B.V. komen per 1 januari 2022 voor rekening en risico van [naam 1];
[naam 1] dan wel een nader te noemen meester zal de aandelen in [bedrijf 1] B.V. overnemen tegen een koopsom van € 10.000;
De aandelen in [bedrijf 1] B.V. komen per 1 januari 2022 voor rekening en risico van [naam 1];
[naam 1] betaalt voor het aandeel van [naam 2] in de goodwill van Servion Groep v.o.f. een bruto koopsom van € 307.501 en een netto koopsom van € 284.438, welke netto-koopsom geëffectueerd wordt door de aandelen van [bedrijf 2] B.V. in Bomi
B.V.over te dragen aan [naam 1] of een nader te noemen meester. Aanvullend betaalt [naam 1] de kapitaalstand ad. € 5.246 uit aan [naam 2], dit overeenkomstig de als bijlage bij dit schrijven gevoegde pro-forma overnamebalans;
6. Overeengekomen is dat het resultaat van Servion Groep v.o.f. per 1 januari 2022 toekomt aan [naam 1];
7. Partijen zijn overeengekomen dat over de koopsommen sub 1, sub 2 en sub 5 een rente wordt vergoed van 4% vanaf 1 januari 2022.
8. De balans, zie als bijlage de jaarrekening 2021, van Bomi B.V. zal geschoond moeten worden voorafgaand aan overdracht aan [naam 1] of een nader te noemen meester. Het voorstel is dat de stand van de liquide middelen en
devordering op [bedrijf 2] B.V. per 1 juli 2022 middels dividend worden uitgekeerd. De vordering van Bomi B.V. per 1 juli 2022 zal mitsdien in de berekende koopsom van de aandelen Bomi B.V. tot uitdrukking komen. [naam 2] zal zorgen dat de schulden van [bedrijf 3] B.V. alsmede Bomi B.V. per deze datum zijn betaald of betaald worden. Als voorbeeld bijgevoegd de geschoonde balans op basis van de jaarrekening 2021;
9. Vanuit Servion Groep v.o.f. zullen vanaf 1 januari 2022 tot en met de datum van levering aandelen Bomi B.V. geen opnamen meer doorgeboekt worden naar [bedrijf 3] B.V. en Bomi B.V. Eventuele opnames en stortingen zullen gesaldeerd moeten worden met de overeengekomen koopsom;
10. De vordering van [bedrijf 2] B.V. op Arbolink B.V. zal naar de stand per 1 januari 2022, te vermeerderen met rente te rekenen vanaf 1 januari 2022 worden terugbetaald aan [bedrijf 2] B.V. Na deze datum zullen geen nieuwe bedragen meer worden doorgeboekt naar [bedrijf 2] B.V. als lening aan Arbolînk B.V.;
11. Hypotheekmaatje B.V. zal voor € 1 worden overgedragen aan [naam 1];
12. [naam 1] heeft aangegeven zich in te spannen de verschuldigde koopsommen voornoemd bij levering van de aandelen bij de notaris volledig te voldoen.
13. Indien [naam 1] niet in staat is de verschuldigde koopsom volledig te voldoen dan zal hij dit aantonen middels het financieringsvoorstel(len) die hij heeft ontvangen van de externe financiers;
14. [naam 1] en [naam 2] zijn overeengekomen dat als de volledige koopsom niet uitbetaald kan worden er een overeenkomst van geldlening wordt opgesteld waarbij [naam 2] voor het niet betaalde bedrag een vordering krijgt op [eiser] B.V. met een looptijd van ten hoogste 18 maanden en aflossing in maandelijkse termijnen. De rente op de geldlening bedraagt 5,5%. Als zekerheid wordt een pandrecht verstrekt op de aandelen die [eiser] B.V. bezit, tevens zal [naam 1] persoonlijk borg staan voor het schuldig gebleven bedrag. Mocht blijken dat een externe financier alleen bereid Is een financiering te verstrekken als deze lening wordt achtergesteld dan zullen partijen daarover met elkaar In overleg treden;
15. [naam 1] en [naam 2] verklaren buiten deze afspraken over en weer elkaar niets meer verschuldigd te zijn en verlenen elkaar finale kwijting;
16. [naam 1] en [naam 2] zien af van het over en weer verstrekken van garanties en bijzondere afspraken ten aanzien van de over te dragen aandelen.
17. [naam 2] zal uitgeschreven worden als bestuurder van de diverse entiteiten en aan hem zal decharge worden verleend.
Indien bovenstaande afspraken correct zijn weergeven dan verzoek Ik vriendelijk de afsprakenbrlef voor akkoord te laten ondertekenen door [naam 1]. [naam 2] heeft zijn akkoord reeds bevestigd door ondertekening.
(…)”
3.22.
Begin augustus 2022 heeft [naam 1] contact met Credion over de financiering. Uit de mailcorrespondentie op 5 augustus 2022 volgt dat [naam 1] de hierna opgenomen vragen zijn gesteld en dat hij deze zoals hierna opgenomen heeft beantwoord.
Wat is de actuele situatie privé?
• Particuliere financiering bij de Rabobank voor [adres 1]. Werd/wordt verhuurd en hier is geen toestemming voor gegeven. Wat is de actuele situatie?
Ik heb de Rabobank hier twee keer over geïnformeerd, waarbij de eerste keer 20-01-2021 is geweest en de 2° keer 18-01-2022. De laatste keer heb ik zelf een boete opgevraagd. Na deze laatste keer is er gereageerd met de woorden dat verhuren in deze situatie niet mag maar dat er andere mogelijkheden zijn. Ik weet niet zo goed wat nu verder. De woning heeft-een hypotheek van+/- € 150.000 en een overwaarde van € +/- 150.000. De huur wordt elke maand netjes betaald door de arts die de woning huurt.
• Per 2021 aankoop van [adres 2]. Aankoop lijkt recent te zijn geherfinancierd door de ABN AMRO. Wat is de actuele situatie? Wat is de waarde van de woning en wat is de actuele hoogte van de particuliere financiering?
Klopt. De ABN heeft beide woningen gefinancierd. Totale hypotheek 95 € 525.000 & overbrugging voor [adres 2]
€ 378.000 = totaal € 903.000. [adres 2] is de afgelopen week mondeling verkocht voor € 470.000 de koopakte ligt ter controle bij de potentiële kopers. Blijft over€ 433.000 aan hypotheek.
Getaxeerde marktwaarde begin dit jaar € 730.000. Realistisch nu rond de € 850.000.
3.23.
Op 23 augustus 2022 en 2 september 2022 stuurt [naam 3] nogmaals de concept-afsprakenbrief per mail naar [naam 1] met het verzoek deze ondertekend te retourneren.
3.24.
In reactie op het e-mailbericht van 2 september 2022 mailt [naam 1] aan [naam 3] het volgende:
“(…) Ik had het tijdens ons gesprek over prive meetekenen dat ik dat niet wil. Je gaf toen aan dat we toch niet tekenen nu. Nu moet dit wel en ik zou dit graag eerst helder hebben. Niet dat ik hier straks prive aan gebonden ben. Kun je me hier maandag nog even over bellen?
Graag heb ik dit even duidelijk (…)”
3.25.
Op 7 september 2022 vraagt [naam 3] per mail aan [naam 1] of er al een getekend exemplaar beschikbaar is. Op 8 september 2022 heeft [naam 1] de door hem getekende afsprakenbrief gemaild naar [naam 3].
3.26.
Op 18 oktober 2022 heeft [naam 3] een (aangepast) voorstel inzake levering aandelen en financiering door [naam 2] uitgewerkt. Dit voorstel is op 18 oktober 2022 gemaild naar [naam 1] en luidt als volgt:
“(…)
Financiering
Gesproken is over een betaling ineens. Deze betaling ineens dient vanuit het privévermogen van [naam 1] te komen en zal vrijkomen op het moment dat de woning gelegen aan de [adres 1] wordt verkocht en geleverd. Stel het is mogelijk dit op 31 oktober 2022 plaats te laten vinden dan
Voorstel is om de koopsom als volgt te voldoen:
  • Bij de levering van de aandelen € 51.052 (onder de voorwaarde dat de woning aan de [adres 1] is geleverd);
  • Er resteert vervolgens € 315.000, hierover is 5,5% rente verschuldigd tot 1 januari 2023 (€ 315.000 * 5,5% /
12 * 2 = € 2.887,50);
  • Aflossing per maand, gedurende een periode van 72 maanden ingaande per 31 januari 2023;
  • Aflossing vindt plaats in de vorm van een annuïteit ad€ 5.193,61, berekend met een rente van 5,5% en een hoofdsom van € 315.000 + € 2.887,50 = € 317.887,50 (…);
  • Pandrecht op de door [eiser] B.V. gehouden aandelen (BOMI B.V., Arbolink B.V. en Hackfort B.V.);
  • Borgtocht [naam 1] in privé;
  • Tussentijdse aflossing/herfinanciering zal boetevrij plaats kunnen vinden.
Voorbehoud
De betaling van het bedrag ineens (hierboven het bedrag van € 51.052) zal pas plaats kunnen vinden nadat het pand gelegen aan de [adres 1] is geleverd. Mocht de verkoop (en daardoor de levering) langer duren dan verwacht dan zal de levering uitgesteld moeten worden tot de datum na de levering.
Ik neem dit voorstel graag met je door.
(…)”
[naam 1] reageert daarop per e-mail van 18 oktober 2022 als volgt:
“(…)
Het ziet er goed uit alleen twijfel ik of de rente a 5,5% niet overtrokken is. Ik teken ook nog in privé mee en de markt is discutabel gezien de hypotheken en waar het naartoe gaat. Ik ben van mening dat [naam 2] in deze tijd genoeg voor zijn portefeuille heeft gekregen en een rente percentage gelijk aan deze van de bank zou moeten hanteren. Daarbij als ik vanuit privé geld stort wordt zijn risico minder dus ook hier een afslag. Ik zou starten en 4,5% en bij mijn betaling vanuit privé deze laten dalen naar 3,5%. Zie het als een NHG. Na 3 jaar zetten we de lening over en is hij er vanaf.
Hoe denk jij hierover?
(…)”
In reactie daarop e-mailt [naam 3] op 19 oktober 2022 het volgende:
“(…) Ik denk dat 5,5% een redelijke rente is, ik verwacht dat je bij een bank of andere externe partij niet lager zult zitten. Hier zou je Tom Marsman nog even over kunnen bellen, hij heeft daar een betere kijk op.
Insteek moet denk ik zijn om op basis van de cijfers 2022 zo snel mogelijk het traject van een herfinanciering oppakken en daarmee de schuld van [naam 2] aflossen/oversluiten.(…)”
Op 21 oktober 2022 e-mailt [naam 3] [naam 1] het volgende:
“(…) Ik heb je bericht gehoord inzake het eventueel verlagen van de rente naar 5% (i.p.v. 5,5%). Het gaat daarbij om een bedrag van€ 4.725 aan rente over een periode van 6 jaar.
Ik zou voorstellen aansluiting te zoeken bij de afsprakenbrief en niet opnieuw de onderhandelingen in te gaan voor het rentepercentage. Graag heb ik nog even telefonisch contact met je, zodat we het voorstel kunnen delen.(…)”
3.27.
Op verzoek van [naam 1] is de levering van de aandelen verplaatst van 31 oktober 2022 naar 15 november 2022.
3.28.
Omdat er geen externe partij bereid is gevonden om de overdracht te financieren heeft [naam 3], eind oktober 2022 wederom een (aangepast) concept-voorstel uitgewerkt en dit voorgelegd aan [naam 1]. Op 7 november 2022 reageert [naam 1] per e-mail als volgt:
“(…) Ik denk dat we het aantrekkelijk moeten maken dat ik hem het bedrag ineens overmaak. Met alle garanties die hij heeft waar ik ook in prive mee teken geeft mijn voorkeur de 5% regeling waar we wellicht nog iets scherper moeten insteken naar 4,5%. Hij gaat toch onderhandelen.
Naast mij heeft hij niemand die het wil kopen. Ik ben tenslotte al 75% eigenaar en wat betreft het vastgoed: de komende jaren is het nog maar de vraag wat dit gaat doen. Kortom risico.
Wellicht 4,5% insteken met een betaling ineens als de woning is verkocht.
(…)”
3.29.
[naam 3] heeft de wensen van [naam 1] verwerkt in het voorstel en heeft dit voorstel, dat is gebaseerd op 4,5% rente, na akkoord per e-mail van [naam 1] op 8 november 2022, gemaild aan [naam 4]. Het voorstel luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
Financiering
We hebben geen externe partij bereid weten te vinden om de overdracht te financieren. Hierdoor zal (een vennootschap) van [naam 2] als financier op treden. Hierna is het voorstel vanuit de kant van [naam 1] weergegeven.
Voorstel
Gesproken is over een betaling ineens. Deze betaling ineens dient vanuit het privévermogen van [naam 1] te komen en zal vrijkomen op het moment dat de woning gelegen aan de [adres 1] wordt verkocht en geleverd. Daarnaast is het zo dat de zekerheidspositie van [naam 2] verbetert aangezien er geen andere schuldeiser bij betrokken is. Waar in de afsprakenbrief wordt gesproken over een achtergestelde lening tegen 5,5%, betreft het nu een lening zonder achterstelling en zekerheid op aandelen en op [naam 1] in privé. In dat kader wil [naam 1] een rente van 4,5% hanteren.
Het voorstel is om de koopsom als volgt te voldoen:
(…)
Borgtocht [naam 1] in privé;
Tussentijdse aflossing/herfinanciering zal boetevrij plaats kunnen vinden.
Voorbehoud
De betaling van het bedrag ineens (hierboven het bedrag van € 53.917) zal pas plaats kunnen vinden nadat het pand gelegen aan de [adres 1] is geleverd. Mocht de verkoop (en daardoor de levering) langer duren dan verwacht dan zal de levering uitgesteld moeten worden tot de datum na de levering.(…)”
3.30.
Bij e-mailbericht van 9 november 2022 reageert [naam 4]. Deze reactie komt er (kort gezegd) op neer dat hij het voorstel met [naam 2] heeft doorgenomen en dat het om meerdere redenen onacceptabel is. [naam 4] verwijst daarbij (onder meer) naar de opgestelde afsprakenbrief die de gemaakte afspraken bevat, deelt mee dat zij niet weer gaan onderhandelen over de rente en leveringsvoorwaarden en stelt voor om de afsprakenbrief te blijven hanteren.
3.31.
[naam 3] heeft [naam 4] vervolgens gebeld of er nog een oplossing mogelijk was en heeft [naam 1] op 11 november 2022 een mogelijk tegenvoorstel gemaild. Op dezelfde dag heeft [naam 1] [naam 3] gemaild en hem laten weten dat hij (kort gezegd) niet kan instemmen met de looptijd van de lening van 2 jaar.
3.32.
Op 14 november 2022 heeft [naam 3] opnieuw gesproken met [naam 4]. Het besprokene heeft [naam 3] op 14 november 2022 per mail met [naam 1] gedeeld. Dit
e-mailbericht luidt als volgt:
“(…)
Zojuist gesproken met [naam 7], en aangegeven dat 100k ineens simpelweg niet kan. Ik heb aangegeven om weer om tafel te gaan of dat [naam 2] en jij met elkaar in overleg gaan. Daarop heeft [naam 7] contact gehad met [naam 2]. [naam 2] heeft je proberen te bellen maar kreeg je niet te pakken. Hij heeft [naam 7] vervolgens weer gebeld en aangegeven dat wat hem betreft het volgende kan:
1. Circa 54.000 ineens in januari 2023;
2. Maandelijks 5.500 aflossen+ rente 5,5% (vanaf januari 2023);
3. Inzicht in onroerend goed en daarop rustende hypothecaire schulden;
4. Tweede recht van hypotheek op het onroerend goed in privé;
5. Overige voorwaarden blijven staan (pandrecht aandelen, borg e.d.).
(…)”
3.33.
Op 18 november 2022 heeft [naam 4] een sommatiebrief aan gezonden, waarin hij namens [naam 2] nakoming verlangde van de in de afsprakenbrief neergelegde afspraken en nog een tegenvoorstel deed. Naar aanleiding van deze brief is er overleg geweest tussen [naam 1] en [naam 3] en heeft [naam 3] contact gehad met [naam 4]. Ook heeft op verzoek van [naam 3] een advocaat naar de kwestie gekeken en deze is na een eerste beoordeling tot de conclusie gekomen dat [naam 2] sterk staat in het afdwingen van de afspraken, waarbij nog wel een opening is betreffende onderdeel 14. [naam 3] heeft meerdere conceptreacties opgesteld richting [naam 4] en deze gedeeld met [naam 1].
3.34.
Op 24 november reageert [naam 1] per e-mail als volgt:
“(…) Zoals aangegeven was artikel 14 mij Pro niet duidelijk bij het tekenen. Ik kan deze lening onder geen beding betalen in 18 maanden. Ik had verwacht dat we zonder financiering weer om tafel moesten voor verdere afspraken en die brief dus enkel een leidraad betrof.
Maar goed denk dat het zo goed in de brief staat. (…)”
3.35.
Op 30 november 2022 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [naam 1] en [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] en zijn er (opnieuw) afspraken gemaakt. Op 1 december 2022 heeft [naam 4] de afspraken, die volgens hem mondeling zijn geaccordeerd door [naam 1], gemaild naar [naam 3]. Deze heeft [naam 3] op 2 december 2022 gemaild naar [naam 1].
3.36.
Op 2 december 2022 hebben [naam 1] en [naam 3] via de mail met elkaar gecorrespondeerd. [naam 1] mailt onder andere aan [naam 3] het volgende:
"[naam 3] op deze manier ga ik dit niet doen.
- Ik zal mij inspannen om € 50.000 extra gefinancierd te krijgen na de verkoop, maar hier gaat het geld eerst naar de bank en naar mijn andere schuldeiser. Daarbij zal de tuin ook gedaan moeten worden wat ik aan heb
gegeven. Ik kan en zal de kinderen en mijn partner niet in een onafgemaakt huis+tuin laten zitten.
(…)
Ik wil nogmaals aanhalen dat ik in deze situatie zit door een fout van jou. Het niet meenemen van een financieringsvoorbehoud in de afsprakenbrief heeft geresulteerd in deze aantasting van mijn privé situatie en dus mijn positie, die hiermee alles behalve wenselijk is geworden. Ik vind het vervelend dat ik dit elke keer moet zeggen maar ik voel echt te weinig effort van jou kant.”
De reactie van [naam 3] op het hiervoor als laatste punt vermeld is als volgt:
“Dit ben ik niet met je eens. Een ontbindende voorwaarde zou je in deze situatie een [bedoeld is: geen, toevoeging rechtbank] uitkomst hebben geboden om onder de verplichting uit te komen. Daarvoor had [naam 2] ook in moeten stemmen en expliciet akkoord moeten geven. Ik vraag me af of de deal dan tot stand was gekomen.”
3.37.
Uiteindelijk is er op 5 december 2022 een nieuwe afsprakenbrief opgesteld. Ten opzichte van de eerdere afsprakenbief zijn onder meer gewijzigd de voorwaarden waaronder [naam 2] het niet-betaalde deel van de koopsom aan de overnemende partij uitleent. Deze is op 7 december 2022 ondertekend door [naam 1]. De transactie is op 30 december 2022 geëffectueerd.
3.38.
Bij e-mailbericht van 26 mei 2023 heeft [naam 1] [naam 5] gevraagd of hij hem nog een keer het rapport kan toesturen waarin de berekening is opgenomen van de waardering van de koopsom. Bij e-mailbericht van 30 mei 2023 heeft [naam 5] aan dit verzoek voldaan. In reactie daarop mailt [naam 1] aan [naam 5] (onder meer) dat hij dit rapport eerder niet had gezien en dat hij denkt dat het destijds rechtstreeks naar [naam 3] is gegaan. Daarop reageert [naam 5] dat hij in de veronderstelling was dat [naam 1] dit document wel had gezien en dat het destijds inderdaad naar [naam 3] is gestuurd.
3.39.
Begin juli 2023 heeft [naam 1] [gedaagde] benaderd en kenbaar gemaakt dat hij een claim wilde instellen. Bij brief van 25 juli 2023 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] c.s. [gedaagde] aansprakelijk gesteld. Bij brief van 6 september 2023 is hierop door [gedaagde] gereageerd en heeft zij de aansprakelijkheid afgewezen.
3.40.
Op 17 november 2023 is de dagvaarding betekend aan [gedaagde].
3.41.
Nadat de dagvaarding is uitgebracht, zijn op verzoek van [eiser] c.s. [naam 1], [naam 3], [naam 5] en [naam 4] gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor, Van het voorlopig getuigenverhoor dat plaatsvond op 19 april 2024 is proces-verbaal opgemaakt. De verklaringen van [naam 1], [naam 3] en [naam 5] worden hierna deels geciteerd.
[naam 1] heeft als getuige het volgende verklaard:
“(…) Ik ben in februari/maart 2022 in contact gekomen met [gedaagde] inzake de overname-transatie. Ik heb al een langere relatie met [gedaagde]. In het verleden hebben ze mij begeleid met de overgang van twee ondernemingen.
[naam 3] heeft mij gezegd dat hij een overnamespecialist is. Ik heb [naam 3]/[gedaagde] gevraagd mij van A tot Z te begeleiden.
Ik heb de heer [naam 3] gevraagd mij te assisteren bij het overnametraject. Dat betekent dat de heer [naam 3] de gesprekken namens mij zou voeren en ook de uiteindelijke contracten zou beoordelen. Met de heer [naam 3] heb ik afgesproken dat ik hem de contactgegevens zou verstrekken van betrokken personen en de heer [naam 3] zou vervolgens de juiste personen inschakelen voor het volledige traject. Het betrof een mondelinge overeenkomst.
De communicatie met de wederpartij werd gevoerd door de heer [naam 3]. De heer [naam 3] heeft mij achteraf geïnformeerd over die communicatie.
Ik zou in dit overnametraject zelf niets oppakken. De heer [naam 3] heeft mij in het kader van dit traject enkel om financiële stukken gevraagd. Hij was de overnamespecialist
Er is in eerste instantie een niet-bindend voorstel gemaakt om nog met elkaar te kunnen aftasten. De heer [naam 3] heeft mij gezegd dat dit gebruikelijk was. Ik heb zelf ook een niet-bindend voorstel gedaan. Nadien is een afsprakenbrief gevolgd, waarbij ik er van uit ben gegaan dat ook die brief een niet-bindend voorstel was. Dit heb ik ook aan de heer [naam 3] gevraagd, die dat bevestigend heeft beantwoord. Later bleek ik wel gebonden te zijn aan de afsprakenbrief.
In een gesprek met mijn advocaat, waarbij ook [gedaagde] aanwezig was, heeft de heer [naam 3] gezegd dat het een fout was dat ik gebonden ben aan het voorstel.
De afsprakenbrief is in juli 2022 door de heer [naam 4] van BDO Accountants opgesteld.(…) In mijn ogen was de afsprakenbrief een richtlijn als eerste aanzet om tot een overeenkomst te komen.
De afsprakenbrief is door de heer [naam 3] aan mij doorgestuurd. (…) Ik heb gezien dat in de afsprakenbrief stond dat ik mij onder meer privé borg moest stellen. In eerdere gesprekken met de heer [naam 3] heb ik kenbaar gemaakt dat ik dat niet wil. Tijdens mijn vakantie heb ik nog telefonisch overleg gehad met de heer [naam 3], mijn vrouw was daar ook bij. Ik heb de heer [naam 3] toen nogmaals gevraagd of het klopt dat ik niet gebonden ben aan deze afsprakenbrief. De heer [naam 3] heeft mij toen bevestigd dat de afsprakenbrief een eerste aanzet is tot onderhandeling.
Op 2 september 2022 heb ik de afsprakenbrief nog een keer goed gelezen en een e-mail gestuurd aan de heer [naam 3] om nog een keer na te gaan dat ik niet gebonden ben aan die afsprakenbrief. (productie 10 bij verzoekschrift)
In productie 10 bij verzoekschrift staat dat ik niet zou moeten tekenen en dat dat nu wel zo is. Na overleg met de heer [naam 3] heb ik toch getekend omdat de heer [naam 3] mijn zorgen heeft weggenomen dat dit afspraken waren waar ik aan gebonden zou zijn. Naar mijn gevoel was er met de afsprakenbrief nog geen overeenkomst tot stand gekomen en kon alles nog gewijzigd worden. Dit komt temeer omdat we over een aantal punten waaronder het financieringsvoorbehoud, de termijnen en de koopsom, nog geen overeenstemming hadden. In de afsprakenbrief lees ik ook nergens dat sprake zou zijn van een overeenkomst.
Na het tekenen van de afsprakenbrief is gebleken dat ik er wel aan gebonden ben en dat het financieel niet haalbaar is. Er is toen ook gebleken dat er op dat punt geen escape mogelijk was. De heer [naam 3] had dit moeten weten, omdat hij mijn hele onderneming kent en daarbij het voor hem ook duidelijk is wat mijn financiële mogelijkheden zijn. De heer [naam 3] is mijn fiscalist. De heer [naam 3] heeft mij aangegeven dat het een fout was dat er geen financieringsvoorbehoud in de afsprakenbrief stond. Je mag dat van een overnamespecialist wel verwachten.
Voor deze transactie had ik externe financiering nodig. Met de heer [naam 3] is niet gesproken over de haalbaarheid daarvan en ook waren er geen liquiditeitsprognoses.
(…)
Voorafgaand aan de afsprakenbrief is door de heer [naam 3] Solid ingeschakeld als financieel deskundige om de koopsom na te gaan. Ik heb geen financiële stukken aan Solid verstrekt en ook geen vragen gekregen van Solid. Het rapport van Solid heb ik pas na het tekenen van de afsprakenbrief ontvangen. De communicatie met Solid verliep via de heer [naam 3].
Het rapport van Solid geeft een ander beeld over de waardes. Ik heb dit rapport pas ver na de afsprakenbrief ontvangen. Ik denk zo in de loop van het einde van het jaar. Waarom de waardes afweken is mij niet bekend. (…)
Na het tekenen van de afsprakenbrief heeft de heer [naam 3] nog wel overleg gevoerd met de wederpartij, maar het kwaad was al geschied. De tweede brief in december 2022 heeft nog wel geleid tot een wijziging van de termijnen.
Er heeft nog een jurist naar de afsprakenbrief gekeken of die afspraken daadwerkelijk bindend zijn. Dit was de heer [naam 4], de broer van de heer [naam 4] van BDO.
(…) Ik heb geen schadebeperkende maatregelen genomen, omdat ik dat niet kon. Ik was gebonden aan de afspraken. Ik heb nog geprobeerd om externe financiering aan te trekken. Dat is niet gelukt. Door de inbreng van privé geld kunnen de afspraken toch nagekomen worden.”
[naam 3] heeft als getuige het volgende verklaard:
“(…) Ik heb voor het eerst in maart 2022 contact gehad met de heer [naam 1] over dit traject. (…)
Gedurende het traject was de heer [naam 1] gesprekspartner. Er werd besproken hoe te reageren op de voorstellen van de heer [naam 2]. We trokken gezamenlijk op.
De heer [naam 1] en de heer [naam 2] hebben volgens mij gedurende het traject nog wel contact gehad. De communicatie verliep grotendeels via mij. In het kader van de onderhandeling werden e-mails of documenten voor de wederpartij expliciet aan de heer [naam 1] voorgelegd voordat die werden verstuurd.
Soms was er nadien nog telefonisch contact waarin wijzigingen werden besproken. De gewijzigde e-mail werd dan ook weer in concept aan de heer [naam 1] voorgelegd.
(…)
De reden van de afsprakenbrief is dat partijen nog niet bij elkaar waren maar wel dichterbij. Ik kan het mij niet meer exact herinneren, maar volgens mij was er een verschil dat overbrugbaar was. Halverwege juni heeft de heer [naam 4] per e-mail de voorwaarden gestuurd met het verzoek daarop te reageren. Dit voorstel heb ik aan de heer [naam 1] gestuurd met een concept-reactie en daarop een positieve terugkoppeling ontvangen.
De afsprakenbrief is door BDO opgesteld.
Voorafgaand aan de afsprakenbrief heb ik de heer [naam 5] ingeschakeld om de koopsom te toetsen. De heer [naam 5] is deskundig op het gebied van waardering van aandelen.
(…)
Het is een nogal lang traject geweest. Eerder heb ik net al gesproken over de mail van half juni, waarin overeenstemming was over de voorwaarden, waaronder prijs. Die afspraken hebben gediend als basis voor de afsprakenbrief. Die afsprakenbrief heb ik per e-mail aan de heer [naam 1] gezonden en daarover hebben wij zowel per e-mail als telefonisch contact gehad.
Ik heb de heer [naam 1] over de bindendheid/niet-bindendheid van de afsprakenbrief aangegeven dat er nog wel een mouw aan was te passen. Onder andere de leveringsdatum stond nog niet vast en ook ten aanzien van de financiële voorwaarden waren er nog losse eindjes.
In de afsprakenbrief zijn een aantal dingen vastgelegd, waaronder de koopsom. De heer [naam 1] had er belang bij om de afsprakenbrief te tekenen omdat daarmee de koopsom werd vastgelegd. Dit had ermee te maken dat er een grote klant was binnen gehaald waarop de verkopende partij geen zicht had, maar die wel een positief effect zou hebben op de waarde van de onderneming.
(…)
De afsprakenbrief is een bevestiging van wat partijen zijn overeengekomen, waardoor het naar mijn mening een overeenkomst is.
Op het als productie 10 bij het verzoekschrift overgelegde e-mailbericht reageer ik als volgt: Ook in dit stadium is er veelvuldig telefonisch contact geweest. We hebben ook gesproken over privé mee tekenen. Ik denk dat ik daarbij de parallel heb getrokken met de berichten van uit Credion. Credion heeft eerder aangegeven dat voor het verkrijgen van financiering noodzakelijk is dat de heer [naam 1] in privé mee tekent. Deze voorwaarde heeft ook de verkopende partij gesteld die als financier zou optreden.
Er zijn door de heer [naam 6] cijfers opgesteld en ook een prognose. Dit was in eerste instantie ten behoeve van het financieringsmemorandum voor de financieringsaanvraag bij Credion. Uit die prognose blijkt dat de financiële afspraken passen binnen de onderneming. Wij hebben hier niet expliciet over gesproken. Wel is er nog bij BDO gesproken over de financiële afspraken. Afgesproken is een bedrag ineens van volgens mij
€ 55.000,--. In maart zou een tweede bedrag volgen van € 35.000,-- en het restant zou in maandelijkse termijnen worden voldaan. Deze maandelijkse termijnen waren gelijk aan het bedrag dat de heer [naam 2] destijds onttrok voor zijn werkzaamheden voor de onderneming. De heer [naam 1] heeft aangegeven dat de betaling van € 35.000,-- in maart krap zou worden. Hierover is contact opgenomen met Credion en heeft Credion een krediet verstrekt van € 40.000,--.
In het begin is er contact geweest met Credion over het volledig financieren van de koopsom. Dit bleek niet mogelijk. De heer [naam 2] was toen bereid als financier op te treden. Tijdens het gesprek met BDO in december 2022 is gesproken over de betaling van de koopsom. In dat gesprek is naar voren gekomen dat mogelijk
€ 35.000,-- niet betaald zou kunnen worden en dat voor dit bedrag contact zou worden opgenomen met Credion.
Het rapport van Solid heb ik verwerkt in het voorstel van juni, voor zover ik dit kan teruglezen in de urenverantwoording. Het rapport van Solid zag alleen op Servion en niet op de andere activiteiten. Eerder gaf ik al aan dat er een grote klant is binnen gehaald. Dat zag op Arbolink.
Op het (…) rapport van Solid, specifiek pagina 5, reageer ik als volgt: Voor de financiële positie van de onderneming is uitgegaan van de prognose van [naam 6]. Daarbij is rekening gehouden met de nieuwe klant. Dat resultaat is leidend geweest en daaruit bleek voldoende ruimte. Eerder heb ik aangegeven ten aanzien van de afsprakenbrief dat daar een mouw aan te passen is en daaraan is in december 2022 vorm gegeven door afspraken te maken over de financieringstermijnen.
Na het tekenen van de afsprakenbrief is het een tijdje stil geweest. De verkopende partij heeft vervolgens de druk opgevoerd en verlangde uitvoering van de afsprakenbrief. Ik heb daarover veelvuldig overleg gevoerd met de heer [naam 1]. Tijdens die overleggen bleek de verstandhouding tussen de heer [naam 1] en de heer [naam 2] te zijn veranderd. De heer [naam 2] wil actie en wil de heer [naam 1] aan de afsprakenbrief houden. We hebben veel moeten bewegen, maar uiteindelijk is het gelukt om afspraken te maken over de financiering die past binnen de onderneming.
Er is geen financieringsvoorbehoud opgenomen in de afsprakenbrief, omdat dit niet meer van belang was. De heer [naam 2] was bereid om als financier op te treden, waar de heer [naam 2] eerder had aangegeven betaling ineens te willen.
In mijn beleving is er gecommuniceerd over het niet opnemen van een financieringsvoorbehoud in de afsprakenbrief.
Ik weet niet of ik expliciet aan de heer [naam 1] heb aangegeven dat ik een inschattingsfout heb gemaakt met de afsprakenbrief. Ik weet wel dat ik het vervelend vind.
Ik kan mij herinneren dat er op 5 juli 2023 een bespreking heeft plaats gevonden waarbij is gesproken over een telefoongesprek dat ik met de heer [naam 1] heb gehad over de afsprakenbrief. Ik heb toen aangegeven dat er na ondertekening nog wel een mouw kan worden aangepast. Na dit gesprek heb ik een aansprakelijkstelling ontvangen, waarin is opgenomen dat ik zou hebben erkend dat er een fout is gemaakt. Dat is niet juist. Ik heb in het gesprek aangegeven dat er nog wel een mouw aan kan worden gepast.”
[naam 5] heeft als getuige het volgende verklaard:
“(…) Op het als productie 8 bij het verzoekschrift overgelegde rapport, meer specifiek pagina 5, reageer ik als volgt:
Bij het inschatten van de waarde van de koopsom ga ik kijken wat er volgend jaar wordt verdiend. Om dat te beoordelen kijk ik enkele jaren terug en toets ik die resultaten. Daarbij is mij opgevallen dat de multiple van Brookz afwijkt van de multiple die door Waardevisie is gehanteerd. Daar ziet mijn opmerking in de laatste alinea op.
In mijn notitie heb ik dus geconstateerd dat er verschillen zijn in de multiples. Mijn opdracht was niet om te beoordelen of het een goede koopprijs was, daar heb ik ook onvoldoende zicht op. Met deze opmerking heb ik aangegeven: ga nader onderzoek doen. (…)”

4.Het geschil

4.1.
[eiser] c.s. vorderen - na (een gedeeltelijke) wijziging van de grondslag daarvan - samengevat weergegeven dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de schade nader op te maken bij staat;
II. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 3.226,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2.
Aan het gevorderde wordt door [eiser] c.s. het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is jegens haar opdrachtgever [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de gesloten overeenkomst van opdracht waardoor [eiser] schade heeft geleden. Hoewel ArboLink en Servion geen opdrachtgevers van [gedaagde] zijn waren zij wel onderwerp van de transacties en hebben zij vanwege de onjuiste uitvoering van de opdracht door [gedaagde] schade gelegen waarvoor zij [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk achten.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het gevorderde van [eiser]
5.1.
De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling dat sprake is geweest van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (wan-prestatie, artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)), dan wel schending van de contractuele zorgplicht van de opdrachtnemer (artikel 7:401 BW Pro). [eiser] maakt [gedaagde] in dit verband specifiek de volgende verwijten: 1) [naam 3] heeft [naam 1] verkeerd voorgelicht over de status van de afsprakenbrief die door [naam 1] op 8 september 2022 is ondertekend (hierna ook: de afsprakenbrief) in die zin dat deze niet bindend zou zijn, 2) het (concept-) rapport van [naam 5] is nooit met [naam 1] gedeeld of besproken, terwijl daarin kritische kanttekeningen bij de waardering van de onderneming en voorgestelde koopprijs worden gemaakt; achteraf bezien bleek de koopprijs veel te hoog, 3) [naam 3] heeft verzuimd om het financieringsvoorbehoud, dat eerder wel was opgenomen, op te nemen in de afsprakenbrief waardoor, toen externe financiering niet mogelijk bleek, de gehele koopprijs bij [naam 2] moest worden gefinancierd en 4) [naam 3] is niet nagegaan of [eiser]/[naam 1] de aangegane (financiële) verplichtingen kon(den) nakomen.
5.2.
[gedaagde] heeft betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en/of dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Zij betwist ook het causale verband tussen de gestelde verwijten en de gestelde schade, dat er sprake is van schade, de hoogte van de (gestelde) schade en doet zij in dat kader een beroep op eigen schuld van [naam 1].
5.3.
De rechtbank bespreekt hierna eerst het toetsingskader voor de beoordeling van de verwijten die [eiser] [gedaagde] maakt. Daarna beoordeelt de rechtbank die verwijten .
Toetsingskader
5.4.
Partijen zijn het er over eens dat [eiser] en [gedaagde] een overeen-komst van opdracht met elkaar hebben gesloten in de zin van artikel 7:400 BW Pro. Op grond van artikel 7:401 BW Pro diende [gedaagde] daarom bij de uitvoering van de overeenkomst de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Dat betekent dat [gedaagde] bij de uitvoering van haar opdracht de zorgvuldigheid moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Wat dit in het concrete geval betekent, hangt af van de inhoud en de reikwijdte van de opdracht en de ervaring, deskundigheid van de betrokken partijen en alle verdere omstandigheden van het geval.
5.5.
De stelplicht en bewijslast van de schending van de zorgplicht door (een werknemer van) [gedaagde], anders gezegd de (beroeps)fout(en), de schade en het causaal verband tussen de fout(en) en de schade rusten op grond van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eiser].
Reikwijdte van de opdracht en de ervaring en deskundigheid van de betrokken partijen
5.6.
De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de reikwijdte van door [eiser] verstrekte opdracht aan [gedaagde].
5.7.
Volgens [eiser] hield de aan [gedaagde] verstrekte opdracht (kort gezegd) in het (in het kader van de beëindiging van de samenwerking tussen [naam 1] en [naam 2]) adviseren ter zake de overname van de aandelen van [naam 2] in Servion, de overname van de aandelen van [bedrijf 2] BV in ArboLink en de aandelen in [bedrijf 1] B.V., waaronder het adviseren over de hoogte van de koopprijs en de overige juridische en financiële voorwaarden van de transacties, de financiering en financierbaarheid van de transacties en het voeren van de onderhandelingen met [naam 2] en zijn adviseur(s). Het betrof de begeleiding van het gehele overnametraject, aldus [eiser].
5.8.
[gedaagde] stelt, onder verwijzing naar het e-mailbericht van 10 maart 2022 van [naam 1] aan [naam 3], dat de opdracht aan haar beperkt was tot het ondersteunen van [naam 1] bij de mogelijke overname van het belang van [naam 2], waarbij [naam 1] (zelf) net als bij het samengaan van Servion en de overname van de activiteiten een belangrijke rol zou spelen, te meer nu [naam 1] al sinds de totstandkoming van Servion (mede) aan het roer stond van deze onderneming en dus volledige kennis van Servion had. [naam 3] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij en [naam 1] ook steeds samen optrokken hetgeen ook duidelijk blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen en de inhoud van de besprekingen, aldus [gedaagde].
5.9.
De rechtbank stelt voorop dat partijen de overeenkomst van opdracht niet schriftelijk hebben vastgelegd. Uit de door partijen overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [naam 3] intensief betrokken was bij het overname-traject. Zijn werkzaamheden waren niet beperkt tot een of meerdere, specifiek afgebakende aspecten, maar het betrof feitelijk gezien een brede advisering over het gehele traject. [naam 3] heeft diverse (concept-)voorstellen uitgewerkt en was aanwezig bij de besprekingen die [naam 1] en [naam 2] hebben gevoerd. Ook onderhield hij contact met de [naam 4], de adviseur van [naam 2]. De rechtbank verwijst hier naar de hiervoor onder 3. opgenomen correspondentie.
5.10.
Hoewel [naam 3] dus intensief betrokken was bij het overnametraject, neemt dit niet weg dat uit de in het dossier bevindende stukken, waaronder in het bijzonder de genoemde e-mail-correspondentie in de periode van het overnametraject, naar het oordeel van de rechtbank eveneens volgt dat [naam 1] zelf ook een belangrijke en actieve rol speelde bij het overnametraject. Zo reageerde [naam 1] (veelvuldig) inhoudelijk op (concept)voorstellen van [naam 3], vond vaak overleg tussen hen plaats, was [naam 1] aanwezig bij de besprekingen met [naam 2] en [naam 4] en had hij zelf (ook) contact met [naam 6] en Credion en heeft hij (uiteindelijk) de opdracht aan [naam 5] gegeven. Daarbij kan ook niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang zelfstandig ondernemer is, hij (mede-) eigenaar was van de over te nemen onderneming(en) en hij dus goed op de hoogte was, althans behoorde te zijn, van het reilen en zeilen en de financiële situatie van deze onderneming(en). Daarbij slaat de rechtbank ook acht op het feit dat, zoals ook door [gedaagde] is aangevoerd, de dienstverlening van [naam 1] (als ondernemer) onder meer bestaat uit het geven van financieel advies via Servion. Bovendien heeft [naam 1] eerder een onderneming, te weten [bedrijf 4] V.O.F., overgenomen. Dit alles in ogenschouw nemende is de rechtbank van oordeel dat [naam 1] als een professionele partij kan worden beschouwd, waarvan de nodige kennis en wetenschap met betrekking tot de materie mag worden verwacht. Dit betekent dus ook dat de zorgplicht van [gedaagde] jegens hem minder ver reikt.
5.11.
Voor zover [naam 1] (tijdens het getuigenverhoor) het beeld heeft geschetst dat de opdracht inhield dat [naam 3] hem van A tot Z zou begeleiden en dat hij zelf niets zou oppakken gedurende het overnametraject, strookt dit naar het oordeel van de rechtbank niet met de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor is vermeld. Bovendien moet [naam 1], als enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser], worden aangemerkt als een partij-getuige in de zin van artikel 164 (oud) Rv. De door [naam 1] op dit punt als partijgetuige afgelegde verklaring(en) kan (kunnen) niet als bewijs dienen, tenzij er ander, onvolledig bewijs is en deze partijverklaring dat andere bewijs ondersteunt. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
5.12.
De rechtbank zal met inachtneming van het vorenoverwogene de door [eiser] gemaakte verwijten aan [gedaagde] beoordelen.
Informatie over de afsprakenbrief die door [naam 1] is ondertekend op 8 september 2022
5.13.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [naam 3] aan [naam 1] heeft aangegeven dat de afsprakenbrief slechts een weergave betrof van de intentieafspraken tussen partijen en zonder (financiële) gevolgen of consequenties kon worden ondertekend. Het betrof volgens [naam 3] slechts een formaliteit en de daarin opgenomen afspraken zouden zonder problemen nog kunnen worden gewijzigd, aldus [eiser]. De afsprakenbrief bleek achteraf, in tegenstelling tot de bedoeling van [naam 1] en in afwijking van de informatie die door [naam 3] was verstrekt, wel bindend te zijn en de daarin vervatte afspraken konden niet meer worden gewijzigd of worden aangepast, maar moesten worden nagekomen. Met betrekking tot de in december 2022 gewijzigde afsprakenbrief stelt [eiser] dat dit een uitwerking was van de eerdere afsprakenbrief, waaraan zij gehouden was en dat zij/[naam 1] toen al geen kant meer op kon.
5.14.
[gedaagde] betwist dat [naam 3] [naam 1] zou hebben laten weten dat de afsprakenbrief (geheel) vrijblijvend zou zijn geweest, zoals [naam 1] zou hebben beoogd. Dergelijke uitspraken heeft [naam 3] nimmer gedaan en dit blijkt ook niet uit de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan. Dat namens [naam 1] in april 2022 een niet bindend initieel voorstel is gedaan betekent niet dat de daarna gemaakte afspraken ook vrijblijvend bleven. Daarnaast zijn er na het tekenen van de afsprakenbrief nog concrete afspraken gemaakt bij de notaris. Dat zou [naam 1] niet hebben gedaan als alles nog geheel vrijblijvend zou zijn geweest. Bovendien is [naam 1] in december 2022 uitdrukkelijk akkoord gegaan met gewijzigde afspraken ten opzichte van de afsprakenbrief.
5.15.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat de afsprakenbrief (in zijn geheel) niet bindend was voor [naam 1] en [naam 2]. [eiser] stelt weliswaar dat [naam 3] aan [naam 1] zou hebben aangegeven dat hij de afsprakenbrief zonder consequenties en (financiële) gevolgen kon ondertekenen, maar dat is gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] niet komen vast te staan. [naam 1] en [naam 3] hebben voorafgaande aan de ondertekening door [naam 1] wel overleg gehad. [naam 3] heeft verklaard dat hij destijds heeft aangegeven “dat er nog wel een mouw aan was te passen”. Blijkens zijn verklaringen tijdens het getuigen-verhoor doelde hij daarmee op de omstandigheid dat de afsprakenbrief nog een aantal open punten bevatte. Zo stond de leveringsdatum nog niet vast en ook ten aanzien van de financiële voorwaarden waren er nog “open eindjes”, aldus [naam 3]. De (veronder-) stelling van [eiser] dat de afsprakenbrief een geheel vrijblijvend karakter had en dat zij “nog alle kanten op kon”, vindt naar het oordeel van de rechtbank (ook) geen steun in de feitelijke gang van zaken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de afsprakenbrief een uitvloeisel van gevoerde onderhandelingen en meerdere gewisselde (niet bindende) voorstellen en gesprekken tussen [naam 1] en [naam 2] en hun adviseurs is. Uit de overgelegde e-mail-correspondentie blijkt voldoende duidelijk dat partijen tijdens een bespreking op 17 juni 2022 mondeling overeenstemming hebben bereikt over de koopprijs van de overname. Daarna zijn door de adviseurs van [naam 1] en [naam 2] over en weer e-mailberichten verstuurd om de gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Gezien de gehele voorgeschiedenis en de onderhandelingen die hebben plaatsgevonden voorafgaande aan de afsprakenbrief kan dan ook niet ook niet worden geconcludeerd dat de afsprakenbrief geen bindende elementen bevat. [naam 1] is ook bij het gehele overnametraject betrokken geweest en gelet op zijn positie en ervaring als (jarenlang) zelfstandig ondernemer behoorde hij te begrijpen dat de afsprakenbrief hem zou binden en niet vrijblijvend was. [naam 1] heeft tijdens het getuigenverhoor ook verklaard dat hij op 2 september 2022 de afsprakenbrief nog een keer goed heeft gelezen. Uit de wijze waarop de afsprakenbrief is geformuleerd kan ook niet worden afgeleid dat deze een (geheel) vrijblijvend karakter had.
5.16.
Het door [eiser] in het geding gebrachte bericht van haar toenmalige advocaat (productie 39) waarin staat dat [naam 3] in een gesprek op 5 juli 2023 gezegd heeft dat hij destijds tegen [naam 1] gezegd heeft dat de afsprakenbrief naar zijn mening niet bindend was maakt het voorgaande niet anders. In hetzelfde bericht is opgenomen dat besproken is dat genoemde advocaat een (verkorte) aansprakelijkheidsstelling aan [gedaagde] zou sturen om tot ‘een afwikkeling’ van de kwestie te komen. [gedaagde] heeft er aan de hand van haar productie 63 onbetwist op gewezen dat voornoemde advocaat na het gesprek op 5 juli 2023 onderschreven heeft dat [gedaagde] haar aansprakelijkheid niet erkend heeft. In dat licht kan de rechtbank aan de eerstgenoemde passage over de opmerking van [naam 3] geen doorslaggevende betekenis toekennen.
5.17.
Met inachtneming van het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat dit door [naam 1] gemaakte verwijt niet gegrond is en dat [gedaagde] de op haar rustende zorgplicht jegens [eiser] ter zake niet heeft geschonden.
Notitie [naam 5]
5.18.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat [naam 3] de notitie van [naam 5] nooit met [naam 1] heeft gedeeld of besproken terwijl [naam 3] daar al geruime tijd voor het opstellen en ondertekenen van de afsprakenbrief over beschikte. [naam 1] heeft de notitie van [naam 5] pas (geruime tijd) na de ondertekening van de notitie van [naam 5] ontvangen. In dit verband acht [eiser] van belang dat [naam 5] zeer kritische kanttekeningen plaatste bij de waardering van Servion Groep (oud) en de voorgestelde koopprijs. In zijn notitie wijst [naam 5] nadrukkelijk op het feit dat een waardering op basis van EBITDA maal een voor het MKB gebruikelijke multiple een veel lagere waardering zou opleveren, namelijk € 96.000,-. Dit is veel minder dan de uiteindelijk voor het aandeel in Servion betaalde koopprijs van € 301.000,-. [naam 5] raadt vanwege het grote verschil aan de consequenties van de voorgenomen transactie nog eens goed in kaart te brengen. In de afsprakenbrief is wat betreft de prijs uitgegaan van de omzet maal een multiple, terwijl [naam 3] wist dat daar waarderingstechnisch anders tegen aan kon worden gekeken en in dit geval op een veel lagere waarde zou worden uitgekomen.
5.19.
[gedaagde] voert verweer tegen dit verwijt. [gedaagde] stelt dat zij, nu [naam 1] de opdrachtgever van Solid Valuation was, er gerechtvaardigd vanuit is gegaan dat Solid Valuation de notitie aan [naam 1] zou sturen en zij ging er dan ook gerechtvaardigd vanuit dat [naam 1] de notitie zelf had ontvangen en doorgenomen. Voor zover haar bekend is, heeft [naam 1] de notitie destijds ook ontvangen. [gedaagde] benadrukt dat de notitie van [naam 5] géén waarderingsrapport is. Het gegeven dat [naam 3] in zijn e-mail van 10 mei 2022 heeft gesproken over het aanvragen van een waardering betekent vanzelfsprekend niet dat de notitie van [naam 5] ook een waarderingsrapport is. Hoewel [naam 3] bij het voorstel aan [naam 1] om Solid Valuation in te schakelen wel de term waarderingsrapport gebruikt, wordt deze term daarna door [naam 5] noch in zijn opdrachtbevestiging aan [naam 1], noch in de notitie zelf gebezigd. Ook heeft [naam 5] (onder ede) verklaard dat hij de koopsom niet heeft onderzocht. Het is dus geen waarderingsrapport en uit de notitie blijkt zeker niet dat [naam 1] de uitkoopsom volgens een correcte berekening neer zou komen op € 96.558,-. [naam 5] heeft een samenvatting gemaakt van de berekeningen/voorstellen van [naam 1] en [naam 2] en geconcludeerd dat de berekeningen op basis van deze methodiek correct zijn. De enige toevoeging die [naam 5] heeft gemaakt ziet op een potentiële andere waarderingsmethode op basis van EBITDA. In dit kader heeft [naam 5] aanbevolen dat gegeven te bezien. Volgens [gedaagde] was dat echter niet relevant omdat (kort gezegd): 1) [naam 1] en [naam 2] al in vergaande onderhandelingen verkeerden, 2) zij zelf wilden aansluiten bij de waarderingsmethode die door Waardevisie werd gehanteerd en de onderhandelingen snel wilden afronden zonder in waarderingsdiscussies te geraken, (3) de aansluiting bij het bedrag van € 96.558,- in geen enkele verhouding stond tot de waarde die in 2019 was vastgesteld waarbij de omzet gelijk was gebleven en (4) dit bedrag slechts een fractie betrof van de prijs die [naam 2] wilde ontvangen en het aanbod van € 228.380,- dat [naam 1] al had gedaan. [naam 2] zou nooit akkoord zijn gegaan met een afwijkend aanbod. De opmerking over de alternatieve waarderingsmethode kan daarom dus niet van invloed zijn geweest op de hoogte van de koopprijs. Zelfs indien [naam 5] een waardering zou hebben afgegeven, dan is duidelijk dat ook een waardering niet de koopprijs behelst. [gedaagde] verwijst in dit kader onder meer naar het rapport van Waardevisie inzake eenmanszaak Servion Financiële Dienstverlening waaruit dit blijkt [2] en een artikel op de website van Brookz [3] . De notitie zag ook slechts op een deel van de ondernemingen. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom de inhoud van de notitie van [naam 5] daadwerkelijk tot een andere koopprijs zou leiden en wat die koopprijs dan zou zijn. Laat staan dat [naam 1] heeft gesteld en gemotiveerd dat de transactie in dat geval ook tot stand was gekomen. De concreet door [eiser] begrote schade ten aanzien van de koopprijs is volgens [gedaagde] dan ook niet toewijsbaar.
5.20.
De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is geworden of [naam 1] de notitie van [naam 5] van Solid Valuation heeft ontvangen voor eind juli/begin september 2022. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden worden gelaten. Ook indien ervan uitgegaan wordt dat [naam 1] deze notitie niet voorafgaande aan de gemaakte bindende afspraken van Solid Valuation heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat [naam 3] ter zake niet als een redelijk handelend en redelijk bekwaam financieel adviseur heeft gehandeld. Daarvoor acht de rechtbank het volgende redengevend.
5.21.
Uit het e-mailbericht van 17 mei 2022 van [naam 5] volgt dat hij een notitie zou opstellen waarin hij de mogelijke koopprijs inzake Servion zal toetsen aan de hand van (a)
de eerder uitgevoerde calculatorische opdrachten van Waardevisie per 1 januari 2019, (b)
de (financiële) ontwikkeling van de onderneming tot en met 2021, (c) de voorstellen die over en weer zijn gedaan met betrekking tot de financiële afwikkeling, en (d) indien beschikbaar/van toepassing: multiple analyse door middel van onderzoek vanuit Brookz.
5.22.
In zijn notitie concludeert [naam 5] dat de van de zijde van [eiser] voorgestelde koopsom in lijn lijkt te liggen met de eerder uitgevoerde waardebepalingen door Waardevisie in combinatie met de werkelijk gerealiseerde omzet. Nu hieruit de bevestiging volgt dat de berekeningen op basis van de waarderingsmethode die [naam 1] en [naam 2] wilden hanteren (op hoofdlijnen) correct waren en niet tot een heroverweging leidden, behoefde [naam 3] daarin geen aanleiding te zien om de notitie met [naam 1] te bespreken. Het niet bespreken van de notitie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet te kwalificeren als een beroepsfout. Dat [naam 5] in zijn notitie ook aandacht heeft geschonken aan een andere/alternatieve waarderings-methode op basis van de EBITDA en adviseert om, vanwege het grote verschil, de (financiële) consequenties van de voorgenomen transactie goed in kaart te brengen, leidt niet tot een andere conclusie. Uit deze opmerking van [naam 5] volgt naar het oordeel van de rechtbank (nog) niet dat de koopprijs niet goed zou zijn. In dit verband kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat [naam 5] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat de opdracht niet de beoordeling of het een goede koopprijs was, inhield en dat hij daar ook onvoldoende zicht op had. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook niet worden geconcludeerd dat dat uit de opdrachtomschrijving volgt. In het licht van het voorgaande dwingt de opmerking van [naam 5] ook niet direct tot het bespreken van de notitie van [naam 5]. Als [eiser] daadwerkelijk advies verwachtte van [naam 5] of de van zijn zijde voorgestelde koopprijs een goede koopprijs was, dan had het bovendien voor de hand gelegen dat hij ook naar de notitie zou hebben gevraagd, te meer hij opdrachtgever was van Solid Valuation, de factuur van Solid Valuation (in boekjaar 2022) heeft betaald en bovendien op 16 mei 2022 aan [naam 3] bericht dat hij de notitie wel voorbij ziet komen. [4] Tot slot merkt de rechtbank op dat [gedaagde] er wel goed aan gedaan zou hebben om aan [naam 1] te vragen of hij de notitie van [naam 5] ontvangen had, in het bijzonder nu [gedaagde] stelt ervan uitgegaan te zijn dat [naam 1] de notitie ontvangen had. Dit nalaten is, gezien wat de rechtbank hiervoor overwogen heeft over de inhoud van de notitie, echter nog geen beroepsfout.
Financieringsvoorbehoud
5.23.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat van een financieringsvoorbehoud zoals [naam 1] dat voor ogen had en waarover ook meerdere keren is gesproken en dat (ook) was opgenomen in het oorspronkelijke voorstel [5] in de afsprakenbrief geen sprake meer was. Een financieringsvoorbehoud vormt in de regel een opschortende dan wel ontbindende voorwaarde in dergelijke overeenkomsten. In de afsprakenbrief is het financieringsvoorbehoud dermate uitgehold dat bij het uitblijven van een externe financiering [naam 1] een lening diende aan te gaan, waarbij [naam 1] nota bene persoonlijk borg zou staan. Hierover is nooit gesproken tussen [naam 1] en [naam 3] en daarop heeft [naam 1] ook nooit een akkoord willen geven, aldus [eiser].
5.24.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er op geen enkel moment voorafgaand aan de afsprakenbrief is gesproken over een financieringsvoorbehoud als ontbindende
voorwaarde voor de totstandkoming van de transactie. Het enige waar partijen steeds over hebben gesproken, is dat [naam 1], althans een van zijn vennootschappen, een financiering nodig zou hebben om het bedrag ineens op de datum van overdracht te betalen. Dit staat duidelijk in het initiële voorstel dat namens [naam 1] zelf is gedaan. [6] Alleen voor deze reden is financiering gezocht en is van de zijde van [naam 2] ook aangegeven dat zij begrepen dat hiervoor financiering nodig was. Nadat [naam 1] en [naam 2] op 17 juni 2022 overeen-stemming hadden bereikt, is uitgebreid in de afsprakenbrief opgenomen dat indien geen
financiering zou worden verkregen om ineens te betalen, de holding van [naam 2] als financier zou optreden door middel van het verstrekken van een lening. Daardoor was er geen financieringsvoorbehoud meer nodig.
5.25.
De rechtbank acht dit verwijt van [eiser] niet terecht. In de afsprakenbrief is aandacht geschonken aan het aspect van financiering van de koopsom in die zin dat als [eiser]/[naam 1] de financiering extern daarvoor niet rond zou kunnen krijgen (de holding van) [naam 2] een lening zou verstrekken. Daardoor is een financieringsvoorbehoud zoals dat aanvankelijk met instemming van [naam 1] door [naam 3] aan [naam 4] voorgesteld (zie hiervoor onder 3.9.) was opgenomen niet (meer) nodig. [naam 1] heeft hierover geen concrete opmerkingen gemaakt toen hij vanaf juli 2022 diverse versies van de afsprakenbrief van [naam 3] ontving waarin deze lening is opgenomen. In zijn e-mailbericht van 2 september 2022 heeft [naam 1] alleen opgemerkt dat hij niet in privé wil meetekenen en vraagt hij of hij en [naam 3] daarover nog contact kunnen hebben. [naam 1] heeft tijdens het getuigenverhoor ook verklaard dat hij de afsprakenbrief op 2 september 2022 nog een keer goed heeft doorgenomen. Voor zover [eiser] in dit verband ook de status van de afsprakenbrief aan de orde stelt, kan haar dat, met inachtneming van hetgeen daarover is overwogen (r.o. 5.13 e.v.) niet baten. Dat er in de eerder stadium van de onderhandelingen wel een financieringsvoorbehoud was opgenomen doet er bovendien niet aan af dat in de loop van het onderhandelingstraject andere afspraken kunnen worden gemaakt of andere voorwaarden kunnen worden opgenomen.
Niet nagaan of [eiser]/[naam 1] de aangegane financiële verplichtingen kon dragen/nakomen
5.26.
In het verlengde van het voorgaande verwijt [eiser] [gedaagde] dat [naam 3] niet is nagegaan of zij en [naam 1] de door haar of [naam 1] aangegane financiële verplichtingen zou(den) kunnen nakomen/dragen. In dat kader had [naam 3] een liquiditeitsbegroting moeten (laten) opstellen, althans [naam 1] het advies om dat te doen moeten geven. De financiële lasten hebben tot veel (liquiditeits)problemen geleid, waardoor de verdere groei van [eiser] nadelig is beïnvloed. Er was geen ruimte om investeringen te doen en Servion en ArboLink konden niet of nauwelijks aan hun financiële verplichtingen voldoen. Het heeft ook geleid tot een boete van de Belastingdienst in verband met niet-tijdige betaling van omzetbelasting.
5.27.
[gedaagde] verweert zich tegen dit verwijt en stelt dat nu, [naam 1] bij de totstand-koming van Servion en de overname van [bedrijf 4] veel zelf regelde, zij er vanuit mocht gaan dat zij enkel hoefde te assisteren bij concrete hulpvragen van [naam 1]. [naam 1] heeft [gedaagde] geen opdracht verstrekt tot het in kaart brengen van zijn financiële draagkracht en/of het opstellen van een liquiditeitsbegroting. Van tekortschieten in een aan haar verstrekte opdracht is geen sprake. [naam 1] had zelf een goed beeld van de financierings-mogelijkheden en handelde daarnaar. Ten aanzien van de financieringsmogelijkheden was tussen [gedaagde] en [naam 1] bekend dat: (1) de prognoses voor 2022 en 2023 voor Servion en ArboLink positief waren, welke cijfers op 11 juli 2022 door [naam 6] met [naam 1] zijn besproken [7] , (2) [naam 1] een of meerdere grote klanten had binnengehaald die voor nog meer omzet zouden zorgen, (3) [naam 1] onder meer vastgoed achter de hand had dat goed rendeerde; en (4) [naam 1] naar eigen zeggen geld kon lenen bij vermogende vrienden. Op basis van hiervan had [naam 3] geen enkele reden om bevestiging te vragen of [naam 1] de koopprijs wel kon betalen en of hij wel aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen. Ook had [naam 3] geen reden om [naam 1] aanvullend te waarschuwen. [naam 1] is een door de wol geverfde ondernemer die bovendien zelf onderdeel uitmaakte van Servion (oud) en kon dus zelf goede afwegingen maken. Als [naam 1] ondanks zijn eigen uitlatingen over zijn positie reden had om zich over de financieringslasten zorgen te maken, dan lag het in het domein van [naam 1] om daarover vragen te stellen. Dat er een bescheiden krediet bij Credion is afgesloten is een normale gang van zaken en resulteert niet in verwijtbaar handelen of nalaten van de zijde van [gedaagde].
5.28.
Het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] een concrete opdracht had moeten geven om de financiële draagkracht te onderzoeken dan wel een liquiditeits-begroting op te stellen deelt te rechtbank niet. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor overwogen heeft onder 5.9. e.v. over de opdracht aan [gedaagde]. Dat enkele gegeven maakt echter niet dat het (onderliggende) verwijt dat niet is nagegaan of de aangegane financiële verplichtingen zouden kunnen worden nagekomen/gedragen door [eiser]/[naam 1] doel treft. Gelet op de door [naam 6] verstrekte prognoses over de jaren 2022 en 2023, die positief waren [8] , de beantwoording van de door Credion gestelde vragen over de actuele financiële privésituatie van [naam 1] door [naam 1] bij e-mailbericht van 5 augustus 2022 [9] , waarin [naam 1] melding maakt van verhuur van en overwaarde op onroerend goed, mocht [naam 3] ervan uitgaan dat er voldoende financiële zekerheden waren en dat [eiser] en/of [naam 1] de aangegane financiële verplichtingen kon(den) nakomen. In de akte houdende wijziging grondslag tevens overlegging producties wordt door [eiser] betoogd dat uit de waarderingsanalyse blijkt dat er ten onrechte in de winstberekening geen aftrek voor arbeidsbeloningen is opgenomen wat een aanzienlijke invloed heeft op de toekomstige vrije kasstromen en daarmee op de aflossingscapaciteit. Na aftrek van de arbeidsbeloning is er volgens [eiser], onder verwijzing naar de in randnummer 2.12 van deze akte opgenomen berekening, in geen enkel verslagjaar ruimte om aan de lopende aflossingsverplichtingen te voldoen. [gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat deze berekening onjuist is, nu [eiser] daarbij alleen uitgaat van Servion en niet ook de aflossingscapaciteit van ArboLink betrekt. Bovendien is de berekening op andere cijfers gebaseerd dan de prognoses die [naam 6] heeft aangeleverd. [gedaagde] wijst in dat verband ook op de berekening die in randnummer 2.62 van de conclusie van antwoord is opgenomen. Daarnaast had [naam 1] volgens eigen zeggen een overwaarde van in totaal € 567.000,- op onroerend goed, zodat [naam 3] geen reden had om te vrezen dat niet aan de aflossingsverplichtingen zou kunnen worden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] tegenover deze gemotiveerde betwisting niet voldoende onderbouwd gesteld waarom [naam 3] voorafgaande aan de ondertekening van de afsprakenbrief had moeten voorzien dat niet aan de aflossingsverplichtingen zou kunnen worden voldaan. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat voorafgaande aan de ondertekening van de afsprakenbrief overleg is geweest met Credion over de financiering (in ieder geval in april 2022 [10] ) en met [naam 6] (in ieder geval in juli 2022 [11] ) en dat [naam 1] bij deze gesprekken aanwezig is geweest. [naam 3] heeft bij de uitvoering van de opdracht derhalve ook gebruik gemaakt van de kennis/advisering van Credion en [naam 6] en heeft [naam 1] daarbij betrokken. In die zin kan ook niet worden gezegd dat [naam 3] solitair heeft gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat, zoals eerder overwogen, [naam 1], gezien zijn achtergrond, als een professionele partij is aan te merken, waarvan de nodige kennis van zaken over de aan de orde zijnde materie mocht worden verwacht, nu hij werkzaam is in de financiële dienstverlening en bovendien mede eigenaar was van de over te nemen ondernemingen, zodat ook verwacht mocht worden dat hij goed op de hoogte was van de financiële situatie daarvan. Als [naam 1] verwachtte dat het nakomen van de (aflossings)verplichtingen een probleem zou opleveren had het op zijn weg gelegen om dat voorafgaande aan het ondertekenen van de afsprakenbrief aan de orde te stellen. [eiser] heeft niet (voldoende) weersproken dat hij dat niet heeft gedaan.
5.29.
Tegen deze achtergrond kan niet worden geconcludeerd dat [naam 3] ter zake meer had moeten doen dan hij heeft gedaan, zoals bijvoorbeeld een liquiditeitsbegroting opstellen of [eiser] een daartoe strekkend advies te geven, en dat hij [eiser]/ [naam 1] (nader) had moeten informeren of waarschuwen over bepaalde risico’s die zij niet wensten te lopen. Het verwijt dat [gedaagde] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden slaagt daarom niet.
Slotsom
5.30.
Bij deze stand van zaken is een toerekenbare tekortkoming niet komen vast te staan en vallen [gedaagde] geen beroepsfouten te verwijten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend (fiscaal) adviseur. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
Het gevorderde door ArboLink en Servion Groep
5.31.
Het gevorderde door ArboLink en Servion is gegrond op onrechtmatige daad. ArboLink en Servion stellen (kort gezegd) dat zij vanwege de onjuiste uitvoering van de opdracht door [gedaagde] schade hebben geleden waarvoor zij [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk achten.
5.32.
Nu hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht betekent dit dat de vorderingen van ArboLink en Servion Groep (reeds daarom) zullen worden afgewezen.
Slotsom en proceskosten
5.33.
De slotsom is dat het gevorderde door [eiser] c.s. wordt afgewezen.
5.34.
Nu [eiser] c.s. in het ongelijk zijn gesteld moeten zij daarom de proceskosten (inclusief nakosten) hoofdelijk betalen. [12] De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.183,00

6.De beslissing

6.1
wijst de vorderingen van [eiser] c.s. af,
6.2.
veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten van € 2.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op
11 februari 2026.

Voetnoten

1.Het e-mailadres eindigt op “.n” i.p.v. op “.nl”.
2.Productie 3 bij de conclusie van antwoord, pagina 3.
3.Productie 62 bij de conclusie van antwoord.
4.Productie 5 bij de dagvaarding.
5.Productie 4 bij de dagvaarding.
6.Productie 4 bij de dagvaarding.
7.Productie 40 bij de conclusie van antwoord.
8.Productie 41 bij de conclusie van antwoord.
9.Productie 43 bij de conclusie van antwoord.
10.Productie 23 bij de conclusie van antwoord.
11.Productie 40 bij de conclusie van antwoord.
12.Vgl. Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942.