ECLI:NL:RBOVE:2026:732

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/08/343361 / HA ZA 26-6
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders voor faillissement wegens onbehoorlijke taakvervulling

De curator in het faillissement van een besloten vennootschap heeft vorderingen ingesteld tegen de (middellijk) bestuurders wegens onbehoorlijke taakvervulling die heeft geleid tot het faillissement.

De gedaagden zijn niet verschenen, waarna verstek is verleend. De rechtbank heeft de dagvaarding en de naleving van de termijnen en formaliteiten beoordeeld en de vorderingen van de curator niet onrechtmatig of ongegrond bevonden.

De rechtbank verklaart voor recht dat de bestuurders hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement en veroordeeld tot betaling van het tekort, vermeerderd met boedelvorderingen en een voorschot van twee miljoen euro.

De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank ziet af van een aparte proceskostenveroordeling omdat deze kosten al in het boedeltekort zijn verwerkt.

Uitkomst: De bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement en een voorschot van € 2.000.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/343361 / HA ZA 26-6
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser] Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] B.V. in [vestigingsplaats 1],
kantoorhoudende in Deventer,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. M. Samsen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
woonachtig in [woonplaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de dagvaarding.
1.2.
Op de rolzitting van 7 januari 2026 is tegen [gedaagden] verstek verleend en is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over

2.1.
De curator heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

3.Beoordeling

Verstek is verleend
3.1.
Omdat [gedaagden] niet in deze rechtszaak is verschenen, mag de rechtbank de zaak alleen inhoudelijk behandelen als bij de dagvaarding de voorgeschreven termijnen en
formaliteiten zijn nageleefd. Als dat het geval is, dan verleent de rechterbank verstek en
wijst zij de vorderingen toe, tenzij de vorderingen haar onrechtmatig of ongegrond
voorkomen.
3.2.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten nageleefd.
[gedaagden] is op de eerstdienende dag niet verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend.
3.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de vorderingen van de curator de rechtbank
niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. [1] Daarover het volgende.
De vorderingen worden toegewezen (I t/m IV)
3.4.
Het door de curator onder I t/m IV gevorderde komt de rechtbank niet
onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
De proceskosten
3.5.
De curator heeft onder VII subsidiair gevorderd om [gedaagde 1] te veroordelen in de proceskosten. Nu de primaire vordering wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het onder VII subsidiair gevorderde. Hoewel door de curator niet primair om een proceskostenveroordeling is gevraagd, moet de rechter toch ambtshalve op de proceskosten beslissen. De rechtbank zal in dit geval [gedaagden] als de in het ongelijk gestelde partij niet veroordelen in de proceskosten. De proceskosten en de (eventuele) nakosten worden namelijk al volledig meegeteld bij de berekening van het boedeltekort waarvoor [gedaagden] aansprakelijk is. Een aparte veroordeling tot betaling van deze kosten kan daarom achterwege blijven.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat [gedaagden] als (middellijk) bestuurder zijn taken kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf] B.V.,
4.2.
verklaart voor recht dat [gedaagden] vanwege die onbehoorlijke taakvervulling hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van [bedrijf] B.V.,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan de curator van het bedrag van het tekort in het faillissement van [bedrijf] B.V., voor zover dit
niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, zoals dit na een te houden
verificatievergadering zal komen vast te staan, te vermeerderen met de boedelvorderingen
waaronder mede begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan de curator van een voorschot op het tekort in het faillissement van [bedrijf] B.V. van € 2.000.000,00;
4.5.
verklaart de veroordelingen onder 4.3. en 4.4. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 139 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).