[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Eind september 2025 heeft zij aan [gedaagden] gevraagd of zij op 2 oktober 2025 de berging zou kunnen inmeten, zodat de berging kon worden gebouwd. Ze heeft toen ook gevraagd om de doorgang naar de door [gedaagden] gebruikte brandgang vrij te maken van materialen en fietsen die daar zijn opgeslagen. Een medewerker van het ingeschakelde klussenbedrijf kreeg echter te horen dat [gedaagden] niet zou meewerken aan het plaatsen van een berging in zijn achtertuin. Ook het voorstel om dan een berging te realiseren op de plaats van de doorloop naar de brandgang werd van de hand gewezen. [gedaagden] stelt dat de berging de afmetingen moet hebben zoals het hof heeft bepaald en dat deze op het perceel van [adres 2] moet worden neergezet. Dat is echter niet mogelijk want [eiseres] heeft het perceel inmiddels verkocht. Een nieuwe poging op 7 november 2025 om het eens te worden over een schutting – door de overloop te voorzien van een overkapping – had ook geen succes. Kortom, [gedaagden] weigert ieder voorstel om een berging te realiseren in het lijn met wat het hof heeft bepaald. [gedaagden] geeft ook geen toegang tot zijn tuin en houdt de poort gesloten. Er is daarom sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagden] en vanwege zijn opstelling en gedragingen heeft [eiseres] niet kunnen voldoen aan de veroordeling door een berging te realiseren. De dwangsommen kunnen dan ook niet zijn verbeurd. Er is bij het perceel [adres 1] in de buurt geen andere plek om de berging neer te zetten. De advocaat van [eiseres] heeft op 8 oktober 2025 [gedaagden] gesommeerd mee te werken, eventueel een schuur met andere afmetingen op de doorgang naar de brandgang te accepteren. In die brief staat ook dat op het overige terreingedeelte, zoals behorend bij [adres 2], geen mogelijkheden zijn om een schuur te realiseren.
[gedaagden] heeft echter op 18 november 2025 ook een sommatie verstuurd, eisend dat uiterlijk
25 november de schuur te is gerealiseerd en stelt dat per 18 november al € 3.800,00 is verbeurd aan dwangsommen.
Op 4 december 2025 heeft de deurwaarder beslag gelegd op de bankrekeningen van [eiseres], die daardoor niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. Om verdere schade te voorkomen heeft [eiseres] afspraken met de deurwaarder gemaakt, inhoudende dat zij het maximale bedrag van vermeende dwangsommen plus kosten op de rekening van de deurwaarder zou storten. Van dat bedrag van € 20.678,71 heeft de deurwaarder inmiddels
€ 4.700,00 doorgestort aan [gedaagden] en € 678,71 verrekend met door [gedaagden] te betalen kosten aan de deurwaarder. Het restant van € 15.300,00 staat nog op de rekening van de deurwaarder.
Inmiddels heeft [eiseres], om de schade te beperken, een berging laten neerzetten op het adres [adres 3] 28, op 150 meter afstand van de [adres 1]. De sleutels daarvan zijn op
22 december 2025 aan [gedaagden] overhandigd.
[gedaagden] maakt dus misbruik van zijn recht tot het nemen van executiemaatregelen, door dwangsommen in te vorderen terwijl er sprake is van schuldeisersverzuim. Daarom vordert [eiseres] om [gedaagden] mee te laten werken en haar toe te laten en vordert zij de bedragen terug die ten onrechte zijn geïncasseerd. De doorgang naar de brandgang moet [gedaagden] vrijmaken omdat er een gevaarlijke situatie bestaat, die [eiseres] als huurder moet voorkomen.
Wat betreft de kosten voor herstel lekkage heeft [gedaagden] offertes laten zien waarbij de bedrijfsgegevens van de aanbieders onzichtbaar zijn gemaakt. [eiseres] als eigenaar wil echter wel weten wie de herstelwerkzaamheden gaat uitvoeren, met het oog op garantie. Bovendien kan zij onvolledige offertes of facturen niet verwerken in de financiële administratie.