ECLI:NL:RBOVE:2026:80

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/08/333017 / FA RK 25-1230
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot nihilstelling van kinderalimentatie in het kader van een minnelijke schuldsanering

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek van de man om de kinderalimentatie op nihil te stellen. De man, die is toegelaten tot een minnelijke schuldsaneringstraject (Msnp), stelde dat hij niet in staat was om de kinderalimentatie te blijven voldoen. De rechtbank oordeelde echter dat het enkele feit van toelating tot het Msnp onvoldoende was om de kinderalimentatie te verlagen. De man had niet voldoende onderbouwd dat hij niet in staat was om de alimentatie te betalen. De rechtbank wees het verzoek van de man af, omdat hij niet had aangetoond dat zijn financiële situatie zodanig was veranderd dat hij niet meer in staat was om de alimentatie te voldoen. De rechtbank benadrukte dat de man de stelplicht had en dat hij onvoldoende bewijs had geleverd over zijn schuldenlast en financiële situatie. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht
locatie Zwolle
zaaknummer: C/08/333017 / FA RK 25-1230
Beschikking van 8 januari 2026
in de zaak van:
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B. Eijgelsheim (voorheen: mr. S.W.F. Rouwette),
tegen
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 12 mei 2025;
  • de op 10 juni 2025 binnengekomen brief (met bijlagen) van mr. Rouwette;
  • het verweerschrift (met bijlagen), binnengekomen op 9 juli 2025;
  • het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 29 september 2025;
  • het verweerschrift op het gewijzigd verzoekschrift, binnengekomen op 27 oktober 2025;
  • de op 24 november 2025 binnengekomen brief, met bijlage, van mr. Munnik-Hoogendoorn;
  • de op 28 november 2025 binnengekomen brief, met bijlage, van mr. Eijgelsheim.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen de navolgende kinderen:
[kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2019,
[kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2020.
2.3.
De ouders hebben het gezamenlijk gezag.
2.4.
Eerder heeft de rechtbank te Zwolle op 24 februari 2023 beslist dat
de man een bedrag van € 500,- per kind maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat per 2026 € 591,53 per kind per maand.

3.Het (gewijzigd) verzoek

3.1.
De man verzoekt de rechtbank om de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, d.d. 24 februari 2023 te wijzigen, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen en te bepalen dat deze bijdrage met ingang van
1 maart 2025, op nihil wordt gesteld, althans dat deze bijdragen worden verlaagd tot een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank
meent dat juist is.

4.Het verweer

4.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
1. het verzoek van de man af te wijzen en de kinderalimentatie intact te laten;
2. subsidiair, mocht uw rechtbank de kinderalimentatie wijzigen, dan de berekening
van het LBIO te volgen en de kinderalimentatie vaststellen op € 374,- per kind per maand, € 748,- voor beide kinderen gezamenlijk. Alsmede daarbij de man te veroordelen in 2025 en in 2026 zijn jaaropgave en IB-aangifte te tonen aan de vrouw, zulks op het eerste verzoek, zodat zij kan controleren dat er uitgegaan is van de juiste inkomensgegevens.
3. dan wel een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie
vermeent juist te zijn.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De reden voor de wijziging
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de man is toegelaten tot het minnelijke schuldsaneringstraject (de Msnp). [1] Of deze wijziging van omstandigheden zal leiden tot een nihilstelling van de kinderalimentatie dan wel een ander bedrag, zal hierna worden beoordeeld.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Het enkele feit dat de man is toegelaten tot de Msnp, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de kinderalimentatie op nihil te stellen. Hoewel het inmiddels ook bij een Msnp gebruikelijk is om een nihilstelling te verzoeken, moet de rechtbank alsnog toetsen aan de wettelijke maatstaven. In dit geval of de man nog voldoende draagkracht heeft om de kinderalimentatie te blijven voldoen. De stelplicht ligt hiervoor bij de man.
5.4.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende gesteld en onderbouwd dat hij niet meer in staat is om de kinderalimentatie te betalen dan wel dat hij in staat is om enig ander bedrag te betalen. De man heeft onder andere het plan van aanpak van de gemeente overgelegd en een schuldovereenkomst. Hieruit volgt niet welke schulden de man heeft, wat de hoogte hiervan is en een (concept) berekening van het vrij te laten bedrag. Dit volgt ook niet uit de andere producties die de man heeft overgelegd. Uit de mail van de schuldhulpverlener van
29 juli 2025 volgt dat er een budgetplan is, maar deze is niet overgelegd. In het plan van aanpak van de gemeente wordt gesproken over de lening bij [bedrijf] ter afbetaling van de schuld bij de Belastingdienst, maar het is onduidelijk wat er nu is afbetaald en welke schuld nog openstaat. Uit het plan van aanpak blijkt ook (hetgeen niet is gesteld door de man) dat hij een schuld heeft bij zijn vorige advocaat. Hiervan is ook niet duidelijk hoe hoog de schuld is. Het is dus onduidelijk wat de totale schuldenlast is van de man. Daarnaast kan de rechtbank niet toetsen of de gemeente rekening heeft gehouden of kan houden met de kinderalimentatie in het vrij te laten bedrag, nu hiervan geen berekening is overgelegd.
5.5.
De man heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat bij een afwijzing van het verzoek, hij in de WSNP terechtkomt, zijn woning zal kwijtraken en dit impact heeft op het contact met de kinderen. Naast dat de man zijn standpunt, mede gelet op de betwisting van de vrouw, niet heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank hierover als volgt. Tegenover de door de man gestelde gevolgen in geval van afwijzing van het verzoek, staan de gevolgen voor de vrouw die de kosten van de kinderen volledig zelf zal moeten dragen in geval van toewijzing van het verzoek. De kinderen zullen hier ook de gevolgen van ondervinden. Een verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie is een verstrekkend verzoek waar niet lichtzitting mee omgegaan moet worden. Dit betekent dat van de man verwacht mag worden dat hij laat zien dat hij niet in staat is om de kinderalimentatie te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek van de man af.
Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. A.M. Mensink in tegenwoordigheid van
mr. K.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek