ECLI:NL:RBOVE:2026:810

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
08-110060-25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 47 SrArt. 6:106 BWArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting door nepagentfraude met kwetsbare ouderen

Op 8 april 2025 pleegden verdachte en medeverdachten oplichting door zich voor te doen als politieagenten en kwetsbare ouderen te bewegen waardevolle goederen af te geven. Verdachte was bestuurder van een gehuurde auto en vervoerde medeverdachten naar slachtoffers verspreid over Nederland.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was, ondanks zijn ontkenning van kennis over de oplichtingen, vanwege zijn essentiële rol in het vervoer en nauwe samenwerking met medeverdachten. De oplichting was wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht. Tevens werd hij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de slachtoffers, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.

De rechtbank wees de vorderingen tot immateriële schade af wegens gebrek aan objectief geestelijk letsel. De in beslag genomen sieraden werden gelast terug te geven aan de rechthebbenden. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-110060-25 (P)
Datum vonnis: 17 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] ,
nu verblijvende in het politiebureau te [locatie] ,
hierna: [verdachte] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. M.P.K. Ruperti, advocaat in Rotterdam, waarnemend voor mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] door [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] , samen met anderen of alleen, op 8 april 2025 aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft opgelicht (
feit 1 primair en feit 2 primair), dan wel meerdere door misdrijf verkregen goederen onder zich had (
feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:
1
hij op of omstreeks 8 april 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet, door
- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [alias 1] , een medewerker van de politie, en/of
- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [alias 2] , een medewerker van de politie, en/of
- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 2] hebben, en/of
- te zeggen dat [alias 3] / [alias 4] [alias 5] / [alias 6] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] komt om sieraden en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet op te halen, en/of
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 2] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te verschaffen, en/of
- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, sieraden en/of (contant) geld en/of bankpassen en/of pincodes en/of mobiele telefoons en/of een tablet, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
2
hij op of omstreeks 8 april 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of een mobiele telefoon, door
- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [alias 1] , een medewerker van de politie, en/of
- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [alias 2] , een medewerker van de politie, en/of
- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 1] hebben, en/of
- te zeggen dat [alias 3] / [alias 4] [alias 5] / [alias 6] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon op te halen, en/of
- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te verschaffen, en/of
- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, sieraden en/of (contant) geld en/of bankpassen en/of pincodes en/of mobiele telefoons en/of een tablet, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Het ten laste gelegde onder feit 2 laat zich kwalificeren als oplichting. De essentie van oplichting is het bewegen tot afgifte van een goed en hieraan is voldaan voordat de goederen werden meegenomen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde feiten. Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en [verdachte] wist niet – en had ook niet redelijkerwijs hoeven vermoeden – dat op die dag oplichtingen plaatsvonden. Ook van de subsidiair ten laste gelegde feiten moet [verdachte] worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat [verdachte] wist welke goederen in de auto lagen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
De verklaring van [verdachte]
heeft verklaard dat hij op 8 april 2025 de bestuurder was van de auto die op zijn naam is gehuurd, waarbij de huur is betaald door een ander. [verdachte] was benaderd om een vriendendienst te verrichten door een taxirit uit te voeren en zou daarvoor een vergoeding van € 200,00 krijgen. [verdachte] moest naar de adressen rijden die de andere twee jongens aan hem doorgaven. Hij had er een fout gevoel bij, maar wist niet dat er oplichtingen werden gepleegd die dag.
3.3.2
De redengevende feiten en omstandigheden
- De modus operandi
Door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) – twee alleenstaande oude vrouwen – is aangifte gedaan van zogenoemde nepagentfraude, in de vorm van oplichting en diefstal door middel van met die oplichting verkregen bankpassen, gepleegd op 8 april 2025. Bij de fraude is in grote lijnen – met enkele van ondergeschikt belang zijnde variaties – de volgende werkwijze gevolgd.
Alle aangevers worden in de namiddag of avond op hun huistelefoon gebeld door een persoon die zich voordoet als [alias 2] van [alias 2] , werkzaam bij de politie. In sommige gevallen hadden aangevers daarvoor een telefoongesprek met een persoon die zich voordoet als [alias 1] , eveneens werkzaam bij de politie. Aangevers wordt een verzonnen verhaal voorgehouden met als strekking dat er verdachten zijn opgepakt die uit zouden zijn op een woninginbraak bij de aangevers. Hierdoor worden aangevers ertoe bewogen hun waardevolle spullen zoals sieraden, contant geld, elektronische apparaten en pinpassen klaar te leggen voor wijkagent ‘ [alias 3] [alias 5] ’. Ook worden aangevers ertoe bewogen hun mobiele telefoon in een kookpan met daarop een deksel te leggen, omdat daarop virussen zouden staan. Terwijl aangevers nog telefonisch contact hebben met [alias 2] van [alias 2] wordt op enig moment aangebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) die zich voordoet als politiemedewerker [alias 3] [alias 5] . Hij maakt melding van eenzelfde veiligheidscode als eerder door [alias 2] van [alias 2] aan de aangevers is verteld. Door dit alles verkeren aangevers in de veronderstelling dat ze daadwerkelijk te maken hebben met medewerkers van de politie en geven zij waardevolle goederen, geld en bankpassen af aan [medeverdachte 1] . Ook delen alle aangevers hun pincode. [medeverdachte 1] verlaat de woningen met de waardevolle goederen, pinpassen en met kennis van de bijbehorende pincodes. Bij pinautomaten worden kot daarna geldbedragen opgenomen van de rekeningen van de aangevers.
- 8 april 2025
[verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] , alle drie wonende in [woonplaats] , maken op 8 april 2025 samen gebruik van een door [verdachte] gehuurde auto. [verdachte] is op papier de huurder van de auto, maar in werkelijkheid is de huur betaald door een niet nader geïdentificeerde persoon die in een Snapchat groepschat de gebruikersnaam ‘ [naam 2] ’ gebruikt en blijkens de chats de telefonische contacten met de slachtoffers onderhoudt dan wel doet onderhouden. De auto is gehuurd voor de periode van 7 april 2025 om 08:00 uur tot 9 april 2025 om 08:00. Naast de bij de verhuur inbegrepen 200 kilometers zijn 1.000 extra kilometers gehuurd. Op 7 april 2025 is de auto naar meerdere plekken in verschillende provincies gereden.
In de ochtend van 8 april 2025 vertrekken [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] met de huurauto vanuit [woonplaats] . [verdachte] is die dag bestuurder van de auto, [medeverdachte 2] is de bijrijder en [medeverdachte 1] zit achter in de auto. In een Snapchat-gesprek waarvan [medeverdachte 1] (onder de gebruikersnaam [accountnaam 1] ), ‘ [naam 2] ’ en de niet nader geïdentificeerde ‘ [accountnaam 2] ’/’ [accountnaam 2] ’ onderdeel uitmaken worden die dag adressen en instructies gedeeld. ‘ [naam 2] ’ speelt in deze chats een aansturende rol. Ook wordt op meerdere momenten in de groepschat gebeld door en met de deelnemers van de chat. [verdachte] krijgt van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] te horen naar welke adressen hij moet rijden.
Na verschillende tussenstops verspreid door Nederland rijdt het drietal in de avond van 8 april 2025 vanuit Friesland naar [plaats 1] . Aangeefster [slachtoffer 2] , wonende aan de [adres 1] , voert op dat moment een telefoongesprek met [alias 2] van [alias 2] conform de hiervoor omschreven modus operandi. Haar huisadres wordt door [naam 2] genoemd in het Snapchat gesprek. Omstreeks 18:53 uur wordt [medeverdachte 1] door [slachtoffer 2] binnengelaten in haar woning. Omstreeks 19:30 uur verlaat hij de woning met een iPhone, een iPad, meerdere sieraden, een pinpas van ABN AMRO en € 150,00 contant geld, die door [slachtoffer 2] aan [medeverdachte 1] zijn overhandigd. [slachtoffer 2] heeft ook haar pincode aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] stapt weer in de auto bij [verdachte] en [medeverdachte 2] . Het drietal rijdt naar een Geldmaat aan de Bannerschultestraat in Sleen en om 19:42 uur pint [medeverdachte 1] in twee transacties in totaal € 800,00 van de rekening van [slachtoffer 2] . Deze transacties, opgeteld bij het contant meegenomen bedrag, maken dat op die dag in totaal € 950,00, afkomstig van aangeefster in handen is van de inzittenden van de auto.
Om 19:42 uur (UTC +0) (de rechtbank begrijpt: om 21:42 uur Nederlandse tijd en zal verdere tijdstippen van chats in de Nederlandse tijd benoemen) [1] stuurt [naam 2] chats met de tekst ‘ [adres 2] ’, ‘Ik geef groen licht’ en ‘vertrekken’. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] rijden richting [plaats 2] en parkeren de auto in de directe omgeving van de [adres 2] . De daar woonachtige [slachtoffer 1] voert op dat moment een telefoongesprek met [alias 2] van [alias 2] en laat [medeverdachte 1] binnen in haar woning. [slachtoffer 1] heeft op verzoek van [alias 2] van [alias 2] haar sieraden, contant geld (in totaal
€ 120,00) en een pinpas op tafel gelegd. Ook geeft zij telefonisch haar pincode door aan [alias 2] van [alias 2] . Terwijl [medeverdachte 1] in de woning van [slachtoffer 1] is, stuurt hij een video in het Snapchat-gesprek waarop sieraden, geld, een huistelefoon en een mobiele telefoon met daarop de Rabobank app te zien zijn. [medeverdachte 1] pakt de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] uit de kookpan. [slachtoffer 1] moet een envelop pakken en haar handtekening op de achterkant zetten. Op enig moment krijgt [slachtoffer 1] argwaan en pakt zij het contante geld dat zij heeft klaargelegd terug. [slachtoffer 1] zegt tegen [medeverdachte 1] dat ze de politie gaat bellen, die hierop de huistelefoon van haar pakt en de overige klaargelegde goederen van de tafel meeneemt. [medeverdachte 1] verlaat de woning met sieraden, een bankpas, de huistelefoon en een mobiele telefoon. [medeverdachte 1] chat om 22:18 uur ‘ben loesoe’ en [naam 2] vraagt of ze nog kunnen pinnen. [naam 2] stuurt om 22:20 uur het adres [adres 3] in de chat. Het drietal rijdt weg en om 22:29 uur wordt er door [medeverdachte 1] € 500,00 euro gepind van de rekening van [slachtoffer 1] bij een Geldmaat op het adres [adres 3] , Overijssel. Gelet op het feit dat aangeefster het klaargelegde geld terugpakt, betekent dit dat € 500,00, van haar afkomstig, zich in handen van de inzittenden van de auto bevindt.
Kort daarna, om 22.52 uur, worden [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , die in een witte Volkswagen Up zitten en in de richting van Albergen/Almelo rijden, aangehouden. De bij de aanhouding betrokken verbalisant ziet dat [medeverdachte 2] , de bijrijder, met zijn been een wit papieren tasje tegen de middenconsole probeert te drukken. In het tasje bevindt zich een envelop met daarin tientallen sieraden, waaronder de bij [slachtoffer 1] weggenomen sieraden. Achter de bestuurdersstoel wordt een bruin doosje aangetroffen met daarin meerdere sieraden. In de jaszak van [medeverdachte 2] wordt een contant geldbedrag van € 500,00 aangetroffen en in een zakje op de mouw van zijn vest wordt een contant geldbedrag van
€ 950,00 aangetroffen. Alle aangetroffen geldbiljetten waren glad en niet gekreukeld. Bij [medeverdachte 1] worden de pinpas en mobiele telefoon van [slachtoffer 1] aangetroffen.
[medeverdachte 1] heeft bekend dat hij telkens naar de woningen van aangevers ging, dat hij de klaargelegde goederen uit de woningen heeft meegenomen en dat hij vervolgens met de pinpassen van aangevers bedragen pinde bij geldautomaten. [medeverdachte 1] kreeg instructies hiertoe van anderen en volgde deze op.
3.3.3
De overwegingen van de rechtbank
Oplichting feit 2 primair
Hoewel vast staat dat [medeverdachte 1] de goederen heeft meegenomen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] , zich laat kwalificeren als oplichting. Voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel – in dit geval door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid – wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen – in dit geval de afgifte van enig goed. In de jurisprudentie wordt het bestanddeel ‘afgifte van enig goed’ ruim uitgelegd. Zo kan ook het gedogen dat een goed wordt weggenomen onder omstandigheden als ‘afgeven’ worden aangemerkt. [2] Voor een voltooide oplichting moet het goed uit de beschikkingsmacht van een ander raken, zonder dat noodzakelijk is dat het in de macht van de oplichter komt. [3] Onder beschikkingsmacht wordt verstaan het hebben van de feitelijke en exclusieve heerschappij. [4]
De vraag of bepaalde gedragingen "wegnemen" opleveren in het verband van art. 312 Sr Pro of "afgifte" in de zin van art. 317 Sr Pro, valt niet steeds ondubbelzinnig te beantwoorden. Er bestaat tussen de inhoud die aan beide begrippen toekomt geen scherpe grens. Het is aan de feitenrechter om bepaalde gedragingen als afgifte dan wel als wegnemen als hiervoor bedoeld te kwalificeren. [5]
De rechtbank oordeelt als volgt. Door het telefoongesprek dat [slachtoffer 1] met [alias 2] van [alias 2] voert, die daarbij gebruik maakt van een valse naam en een valse hoedanigheid, is zij ertoe bewogen sieraden, contant geld en haar pinpas op tafel klaar te leggen voor [medeverdachte 1] , die eveneens gebruik maakt van een valse naam en een valse hoedanigheid. Ook werd zij ertoe bewogen haar mobiele telefoon in een pan te doen omdat er een virus op zou staan. Daarna komt [medeverdachte 1] binnen, introduceert zich als de aangekondigde politiefunctionaris, pakt de telefoon van [slachtoffer 1] uit de pan en legt deze bij de door [slachtoffer 1] klaargelegde goederen op de tafel. [slachtoffer 1] heeft dit gedoogd, omdat zij in de veronderstelling is dat [medeverdachte 1] een politiemedewerker is. Vervolgens maakt [medeverdachte 1] foto’s van de goederen die op tafel liggen. Dit is het moment dat [slachtoffer 1] niet langer de feitelijke en exclusieve heerschappij over de goederen had en de goederen dus buiten haar beschikkingsmacht zijn geraakt. Met het neerleggen van de goederen voor [medeverdachte 1] , het gedogen dat [medeverdachte 1] haar telefoon pakt, en het toestaan dat [medeverdachte 1] vervolgens foto’s maakt van de goederen, heeft [slachtoffer 1] de goederen die in de tenlastelegging staan dus onder valse voorwendselen afgegeven. De oplichting is daarmee op dat moment al voltooid. Dat de intentie tot bezitsoverdracht van [slachtoffer 1] hierna nog wijzigt, doet hier niet aan af. Zij had immers op dat moment niet langer de feitelijke en exclusieve heerschappij over de goederen.
De rechtbank zal vervolgvragen behandelen in de sfeer van de primair ten laste gelegde oplichtingen.
Medeplegen
[medeverdachte 1] heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft ook verklaard over zijn uitvoerende rol. Dat is anders voor [verdachte] . Hij heeft bekend dat hij de chauffeur was, maar stelt dat hij niets wist van de oplichtingen.
De vraag die de rechtbank daarom dient te beantwoorden is of er sprake is van medeplegen. Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking vereist, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. De vraag wanneer samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Aan het bewijs van medeplegen hoeft het niet zelfstandig verrichten van een uitvoeringshandeling niet zonder meer in de weg te staan. Ook hoeft niet iedere medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdrage van de andere medepleger.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. [verdachte] is degene die op 7 april 2025 de auto heeft gehuurd en opgehaald bij het verhuurbedrijf. Zijn handtekening staat onder het huurcontract. De huur voor deze twee dagen werd de facto betaald door een ander, degene die zich in chats ‘ [naam 2] noemt’ en in een van die chats op niet mis te verstane wijze – dat hij geen ‘waggie’ huurt voor ‘jan doedel’, waarna een adres van een slachtoffer genoemd wordt - aan de autohuur en het doel van de expeditie refereert.
[verdachte] was dus op de hoogte van het feit dat de auto voor slechts twee dagen, maar met een pakket van maar liefst 1.200 te gebruiken kilometers werd gehuurd. Contractueel gezien is [verdachte] de enige persoon die de huurauto mag besturen. Hoewel geen nader onderzoek is gedaan naar de activiteiten op 7 april 2024 en wie hierbij betrokken zijn geweest, doet het reisschema dat volgt uit de GPS-gegevens van de auto – dat een patroon kriskras door Nederland laten zien – vermoeden dat op die dag dezelfde activiteiten werden uitgevoerd als op 8 april 2025. [verdachte] heeft de auto op 7 april bij het verhuurbedrijf opgehaald en bestuurde op 8 april 2025 de auto. Onderweg volgde hij de instructies die hij van ‘de andere twee jongens’ kreeg, zijnde [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . In de omgeving van de doorgegeven adressen werd de auto geparkeerd en telkens verliet [medeverdachte 1] de auto. Na het bezoeken van de huisadressen reed [verdachte] de auto naar locaties waar pinautomaten waren, waarna [medeverdachte 1] telkens wederom de auto verliet om te gaan pinnen. In navolging van de vastgestelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] bij terugkomst bij de auto telkens weggenomen sieraden, dan wel gepind contant geld bij zich heeft gedragen. Een deel van de weggenomen sieraden is aangetroffen in de auto en een contant geldbedrag dat exact overeenkomt met het bedrag dat die dag is buitgemaakt is aangetroffen tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] . Onder [medeverdachte 1] zijn – behalve de pinpas en telefoon van aangeefster [slachtoffer 1] – geen goederen of geldbedragen aangetroffen. Uit de Snapchat gegevens van [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat hij ook op momenten dat hij zich met [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto bevond telefoongesprekken voerde met [naam 2] , die kan worden aangemerkt als opdrachtgever en de persoon die telkens op de hoogte werd gehouden van het verloop van de oplichtingen. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op essentiële momenten samen waren. Voor de wijze waarop de oplichtingen zijn gepleegd, is het vervoer van en naar het adres van een slachtoffer een belangrijke schakel. De oplichting vindt immers zowel telefonisch als fysiek plaats, waarbij het moment dat er bij een slachtoffer wordt aangebeld, vrij precies moet worden afgestemd.. [verdachte] heeft een essentiële rol gehad in de gepleegde strafbare feiten; niet alleen heeft hij het gezelschap van vervoer voorzien door de auto te huren, ook is hij degene die naar alle locaties is gereden waar de fysieke strafbare feiten zijn gepleegd.
De rechtbank constateert dat drie jonge mannen uit [woonplaats] zich naar uithoeken van Nederland begeven zonder dat [verdachte] en [medeverdachte 2] daarvoor een ook maar enigszins aannemelijk verklaring (‘chillen’) kunnen geven. Zij gaan samen in één auto naar alle locaties waar de oplichtingen plaats vinden en aansluitend naar pinautomaten. Vervolgens worden zij aangehouden terwijl de gestolen goederen zich voorin de auto bevinden en [medeverdachte 2] het buitgemaakte geldbedrag bij zich draagt. Dit alles is uiterst belastend, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan. Het ontkrachten van de redengevendheid van dit belastende bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij de oplichtingen vraagt om een heldere en verifieerbare verklaring. De door [verdachte] afgelegde verklaring dat hij – kort samengevat – van niets wist, voldoet hier niet aan.
De rechtbank is, alles in samenhang bezien, van oordeel dat bij [verdachte] op zijn minst genomen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op oplichting en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij zijn rol in het geheel van dusdanig gewicht is geweest dat hij moet worden aangemerkt als medepleger.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks8 april 2025 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen, met het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en
/ofvan een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed
, het verlenen van een dienst,en het ter beschikking stellen van gegevens
, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,te weten de afgifte van haar sieraden en
/ofbankpas en
/ofpincode en
/ofmobiele telefoon en
/oftablet, door
- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [alias 1] , een medewerker van de politie, en
/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [alias 2] , een medewerker van de politie, en
/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 2] hebben, en
/of- te zeggen dat [alias 3] /
[alias 4][alias 5] / [alias 6] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] komt om sieraden en
/ofeen bankpas en
/ofde pincode en
/ofeen mobiele telefoon en
/ofeen tablet op te halen, en
/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te begeven en
/ofbij de woning van voornoemde [slachtoffer 2] aan te bellen en
/ofzich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te verschaffen, en
/of- de voornoemde sieraden en
/ofhet (contant) geld en
/ofde bankpas en
/ofde pincode en
/ofde mobiele telefoon en
/ofde tablet mee te nemen;
2.
hij op
of omstreeks8 april 2025 te [plaats 2] ,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,met het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en
/of vaneen valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed
, het verlenen van een dienst,en het ter beschikking stellen van gegevens,
het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,te weten de afgifte van haar sieraden en
/of(contant) geld en
/ofbankpas en
/ofpincode en
/ofeen mobiele telefoon, door
- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [alias 1] , een medewerker van de politie, en
/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [alias 2] , een medewerker van de politie, en
/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 1] hebben, en
/of- te zeggen dat [alias 3]
/ [alias 4][alias 5] / [alias 6] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] komt
om sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode en/of een mobiele telefoon op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te begeven en
/ofbij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] aan te bellen en
/ofzich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te verschaffen, en
/of- de voornoemde sieraden
en/of het (contant) gelden
/ofde bankpas en
/ofde pincode en
/ofde mobiele telefoon mee te nemen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair, feit 2 primair
telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting.

5.De strafbaarheid van [verdachte]

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan [verdachte] een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Deze kan eventueel aangevuld worden met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich op 8 april 2025 samen met (in ieder geval) medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan twee oplichtingen. Het dossier geeft een beeld van een samenwerkingsverband van personen die bewust op zoek gaan naar (alleenstaande) ouderen, waarvan bekend is dat zij over het algemeen een kwetsbare doelgroep zijn voor dit soort feiten. [verdachte] maakte deel uit van dit samenwerkingsverband en heeft een essentiële rol gehad door het vervoer naar adressen en pinautomaten te faciliteren.
Op slinkse wijze en met gebruik van een weloverwogen script werd ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen en de angst van de slachtoffers, die immers dachten dat zij in gesprek waren met politieambtenaren die hen wilden helpen in een risicovolle situatie.
Er werd alles aan gedaan om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen om hen zo waardevolle goederen afhandig te maken. Als slachtoffers argwanend werden werd er op hen ingepraat of hen zelfs bevolen excuses aan te bieden voor het feit dat zij de wijkagent niet binnen wilde laten, hetgeen de brutaliteit van de oplichtingspraktijken nog eens onderstreept.
Door deze handelswijze zijn de slachtoffers ertoe bewogen hun waardevolle en veelal dierbare goederen af te geven aan [medeverdachte 1] , die deze vervolgens meenam naar de auto waarin [medeverdachte 2] en [verdachte] op hem wachtten. Met de weggenomen pinpassen en bijbehorende pincodes werd hierna in een korte periode zo veel mogelijk geld van de rekeningen van aangevers gepind. [verdachte] heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen van de oplichtingen voor de slachtoffers. Uit het dossier blijkt hoeveel impact de feiten op de slachtoffers hebben. Zij voelen zich niet langer veilig in hun woningen, zijn het vertrouwen in medemensen verloren en kijken argwanend naar professionele instanties als de politie. Hoe ernstig het vertrouwen van de slachtoffers is geschaad blijkt uit het feit dat een van de slachtoffers, toen zij na het incident een 112-melding deed, de daadwerkelijke centralist niet vertrouwde omdat ook diegene sprak over een veiligheidscode die door de aanrijdende politieagenten genoemd zou worden.
Bovendien heeft het overgrote deel van de slachtoffers dierbare bezittingen zoals sieraden van (overleden) geliefden of familieleden – waarvan de waarde niet in geld in is uit te drukken – niet meer teruggekregen. Naast de gevolgen die onderhavige feiten voor de slachtoffers hebben gehad, zorgen feiten als deze ook voor gevoelens van angst en wantrouwen in de samenleving, met name bij kwetsbare groepen zoals ouderen. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van [verdachte] van 9 december 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een straatroof.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport van 16 januari 2026. De reclassering rapporteert het volgende. Hoewel er geen sprake lijkt van een duidelijk delictpatroon, is de combinatie van de leeftijd van [verdachte] , de gepleegde feiten en de variatie in eerdere gepleegde feiten zorgelijk. [verdachte] beschikt niet over een dagbesteding in de vorm van werk of opleiding en heeft onvoldoende financiële middelen om in zijn basisbehoeften te voorzien. Dit gebrek aan dagbesteding en de houding van [verdachte] worden als criminogene factoren gezien. Over het sociaal netwerk van [verdachte] is onvoldoende informatie beschikbaar om dit als steunend aan te merken. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Tijdens het schorsingstoezicht is een positieve ontwikkeling opgemerkt en heeft [verdachte] zich in toenemende mate responsief opgesteld en opengesteld voor ambulante begeleiding. [verdachte] lijkt in te zien dat hij met ondersteuning stappen kan zetten richting zijn toekomstdoelen en delictgedrag kan voorkomen. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding en dagbesteding.
De dag voorafgaand aan de zitting is evenwel gebleken dat [verdachte] is opgepakt vanwege verdenking van nieuwe strafbare feiten. Hoewel deze verdenking lijkt af te wijken van het beeld dat de reclassering schetst, houdt de rechtbank hier bij de strafoplegging geen rekening mee. Het betreft een zeer recente verdenking, waar de rechtbank verder niet over is geïnformeerd.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijk strafdeel in de vorm van een gevangenisstraf rechtvaardigt. Hoewel sprake is van medeplegen, is de (essentiële) rol van [verdachte] anders geweest dan die van bijvoorbeeld [medeverdachte 1] en heeft hij geen (zichtbare) handelingen verricht bij de slachtoffers zelf. De rechtbank zal dit tot uitdrukking laten komen in de strafmaat. Anderzijds houdt de rechtbank in het nadeel van [verdachte] rekening met het feit dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven en op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De reclassering heeft geadviseerd om aan [verdachte] bijzondere voorwaarden op te leggen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] zag de reclassering een positieve ontwikkeling, waarbij [verdachte] leek in te gaan zien dat hij met ondersteuning stappen kan zetten richting de toekomst. De rechtbank ziet daarom voldoende reden voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Alles overwegende acht de rechtbankpassend en geboden dat aan [verdachte] wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen sieraden moeten worden teruggegeven aan de rechthebbende.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de op de beslaglijst vermelde sieraden aan de redelijkerwijs rechthebbende.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.764,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- sieraden € 500,00
- iPad € 409,00
- iPhone € 655,00
- cash geld € 150,00
- geld uit pinautomaat € 800,00
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 250,00 gevorderd.
[slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘opname geldautomaat’ ter hoogte van € 500,00. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van
€ 1.000,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, vanwege de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen. De raadsman heeft geen verweren gevoerd ten aanzien van specifieke schadeposten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
[slachtoffer 2]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 1 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schadeposten ‘sieraden’, ‘cash geld’ en ‘geld uit pinautomaat’ zijn niet betwist en met de in het dossier beschikbare processen-verbaal voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze gevorderde materiële schadeposten daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.450,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De onder de posten ‘iPad’ en ‘iPhone’ opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd. Hoewel voor de rechtbank niet ter discussie staat dat de iPad en de iPhone zijn weggenomen bij aangever, ontbreken controleerbare en verifieerbare gegevens zoals om welk type iPhone of iPad het gaat, en wat de aankoopwaarde is geweest, waardoor de rechtbank de waarde van de goederen niet kan vaststellen, noch een gegronde schatting kan maken. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[slachtoffer 1]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 2 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze gevorderde materiële schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Immateriële schade [slachtoffer 2] en Van den Bargh
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Uit de vordering blijkt dat de bewezenverklaarde oplichtingen grote impact hebben gehad op het welbevinden en de gemoedsrust van de benadeelde partijen. De rechtbank heeft er au fond begrip voor dat de benadeelde partijen de immateriële schade die zij hierdoor lijden, op de daders willen verhalen. Echter: als geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegewezen indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvan is bij oplichting als zodanig in beginsel geen sprake. Dat kan slechts anders zijn indien sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel, of indien sprake is van dermate ingrijpende gevolgen dat op grond daarvan een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van objectief vast te stellen geestelijk letsel is bij beide benadeelde partijen echter niet gebleken, en de gevolgen die de oplichtingen in de onderhavige zaak voor de benadeelde partijen hebben gehad, zijn niet dermate ingrijpend (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij een uitzondering op de regel rechtvaardigen.
Gezien deze beperking laat de wet geen mogelijkheid de immateriële schade van de benadeelde partijen toe te wijzen. De rechtbank zal daarom de vorderingen afwijzen voor zover die vorderingen betrekking hebben op het verzoek om de immateriële schade te vergoeden.
7.5
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de door [slachtoffer 2] en de [slachtoffer 1] geleden schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat [verdachte] tegenover de benadeelde partijen voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.6
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal ten aanzien van iedere voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor het volgende aantal dagen:
Vordering van [slachtoffer 2]
14 dagen
Vordering van [slachtoffer 1]
5 dagen
Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair, feit 2 primair
telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte] :
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
- meewerkt aan diagnostiek en laat zich, indien geïndiceerd, behandelen bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering het nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Coach E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op praktische ondersteuning, begeleiding op de verschillende leefgebieden en het versterken van de zelfredzaamheid;
- zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, (betaald) werk en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte] :
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding [slachtoffer 2]
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 primair) van een bedrag van
€ 1.450,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025)met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.450,00, (zegge: duizend vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
14 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van
€ 1.064,00 niet-ontvankelijkis in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
-
wijstde vordering voor het overige
af;
schadevergoeding [slachtoffer 1]
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2 primair) van een bedrag van
€ 500,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025)met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 500,00, (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
5 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
-
wijstde vordering voor het overige
af;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorst bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de op de beslaglijst vermelde sieraden aan de redelijkerwijs rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. I. Piksen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025162515. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
T.a.v. feit 1 primair
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 445-447):
Aangever
Achternaam : [slachtoffer 2]
Adres : [adres 4]
Plaats : [plaats 1]
Vandaag werd ik gebeld door een vrouw die zich voorstelde als [alias 1] . Ze zei dat ze van de recherche was. Ze had een collega die [alias 2] van [alias 2] zou heten. [alias 2] nam hierna de telefoon over van [alias 1] . [alias 2] vertelde mij dat er vier mensen waren geweest in de omgeving afgelopen nacht. Er zouden twee zijn gepakt en twee niet. [alias 2] vertelde mij dat de andere twee mogelijk vannacht zouden kunnen komen in mijn wijk. [alias 2] vertelde dat wijkagent [alias 3] [alias 6] langs zou komen. Omstreeks 18:53 uur stond er iemand aan mijn voordeur. De persoon vertelde mij dat hij foto’s kwam maken en spullen mee ging nemen. Ik heb hem toen binnengelaten. De man vroeg of mijn sieraden klaarlagen. Ik heb de sieraden uit een kastje gepakt. [alias 2] van [alias 2] was toen nog steeds aan het bellen met mij.
Toen we beneden waren heeft de man nog mijn pinpas uit mijn pashoudertasje gehaald.
Deze moest hij ook hebben. Ik heb mijn pincode ook aan de persoon gegeven. De man is hierna weggegaan.
De volgende goederen heb ik aan de man meegegeven:
- Mijn Iphone 12 mini
- Ipad pro.
- twee ringen, een armband met een klein diamantje en een kettinkje. Alles is van goud.
- pinpas ABN-AMRO.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 449-451):
Wat ik niet heb vermeld ten tijde van het doen van de aangifte is dat ik 150 euro
cash geld heb meegegeven aan de oplichters. Er is op dinsdag 8 april 2024 om 19.42 uur een geldbedrag van 400 euro van mijn bankrekening gepind bij de geldautomaat Geldmaat Bannerschulte in Sleen. Er is op 8 april 2024 om 19.43 uur nog een geldbedrag van 400 euro van mijn bankrekening gepind bij de geldautomaat Geldmaat Bannerschulte in Sleen.
T.a.v. feit 2 primair
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 36-40);
Ik werd op 8 april 2025 gebeld door iemand die zich voordeed als zijnde van de politie. Ze gaf de naam [alias 1] op. Ze vroeg toen of ik aan de [adres 2] woonde. Ze zei dat ze bang was dat twee Marokkaanse jongens bij mij wilden gaan inbreken. Ik werd vanuit haar doorverbonden met iemand die bij de recherche zou werken. De man die ik toen aan de telefoon kreeg, gaf aan [alias 2] te heten. Hij vroeg hoeveel geld ik in huis had. Iemand van de technische dienst zou later langskomen. Hij vroeg daarna of ik sieraden had. Ik antwoordde dat ik inderdaad sieraden had.
Ik kan deze als volgt omschrijven:
- gouden trouwring met vier diamanten erin met daarin '1970' als inscriptie;
- gouden ring met een klein diamantje erin;
- gouden ring met drie rode steentjes erin;
- gouden ring met aan de binnenkant een inscriptie, 16-10-1970;
- gouden medaillon aan een halsketting. Rechthoekig van vorm met ' [naam 3] ' diagonaal
erop en twee hartjes rechts onderin. Op de achterkant staat ' [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] ,
[naam 7] , [naam 8] ' onder elkaar.
Een wijkagent die [alias 3] [alias 5] zou heten zou langskomen. Ik moest ondertussen alle sieraden op tafel leggen en dat heb ik ook gedaan. Ik heb mijn pinpas op tafel gelegd en de code voor mijn pinpas heb ik doorgegeven aan de man die zich voordeed als [alias 2] .
Er werd aangebeld bij de centrale deur. [alias 2] , die ik nog steeds aan de telefoon had, zei dat ik de wijkagent binnen moest laten. Ik heb de zogenaamde wijkagent mijn huis binnengelaten. Deze 'wijkagent [alias 3] ' heeft mijn mobiel uit de pan gehaald en op tafel gelegd, naast mijn sieraden, pinpas en geld. Hij had de toegangscode voor mijn mobiel al. Ik moest mijn halsketting van [alias 3] afdoen. Ik
moest een envelop pakken en een handtekening op de achterkant zetten.
[alias 3] pakte mijn huistelefoon af. Hij heeft mijn vier ringen en halsketting meegenomen. Mijn pinpas en mobiel nam hij ook mee.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 45-49):
[naam 4] gaf me het volgende bankrekeningnummer door: [rekeningnummer 1] . Dit betreft een rekeningnummer van de Regiobank. [naam 4] liet me een mailbericht zien van de fraudehelpdesk van de bank zien. Ik las in deze mail dat er op 8 april 2025, omstreeks 22.29 uur, een bedrag van 500 EURO gepind was. Tevens las ik dat er in Geesteren Overijssel gepind was, het adres was [adres 3] .
[Afbeelding]
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 188-190):
Naar aanleiding van oplichting, door personen die zich hebben uitgegeven als zijnde
politieagenten, bekeek ik de camerabeelden van de Geldmaat, gevestigd aan [adres 3]
.
Ik zag dat de persoon om 22:28:43 midden in beeld kwam, dichtbij de camera kwam en met zijn gezicht in het beeld van de camera stond.
Deze persoon zal ik in het verdere verloop van het proces-verbaal NN1 noemen.
Ik zag dat NN1
een mobiele telefoon in zijn linkerhand vast had en met zijn rechterhand richting de
bediening van de pinautomaat ging.
Ik zag om 22:30:19, toen NN1 wegliep, dat op de achterkant van de jas de tekst 'Gold
Trust' stond. Deze tekst stond met witte opdruk op de jas.
T.a.v feit 1 primair en feit 2 primair
6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van de raadkamer van 23 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb de auto bestuurd en moest naar de adressen rijden die de andere twee jongens opgaven.
7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 22 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 363-369):
V: Tijdens jouw aanhouding is er bij jouw 1450 euro aangetroffen. De rest had geen geld bij zich. Hoe kwam jij aan dit geld?
A: Gekregen.
V: Had je dat geld meegenomen vanuit huis?
A: Nee (…).
8.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 26 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (aanvullend procesdossier pag. 2-10):
A: Ik wil gewoon zeggen dat ik bij alle vier de zaken waarvan ik word verdacht, ik medeplichtig ben.
V: Wat bedoel je met medeplichtig.
A: Mij werden instructies gegeven om dingen op te halen en weer terug te komen.
V: Wat bedoel je precies.
A: Wat daar lag, sieraden en de bankpas.
V: Op dinsdag 8 april 2025 ben je met nog twee personen aangehouden, genaamd [medeverdachte 2] en [verdachte] in [plaats 2] . Wat heb jij dinsdag 8 april 2025 de hele dag gedaan?
A: Ik kreeg een appje dat ik daar en daar naartoe moest en wat ik daar moest doen. Ik heb dat gedaan.
V: Kan je dat uitleggen?
A: Mij werd uitgelegd dat ik de code moest zeggen. Dan word je naar binnen gelaten.
Zij is dan nog aan de lijn en dan hoor je wel wat je moet doen.
V: Ben jij in de woning in [plaats 1] geweest?
A: Ja.
V: Was jouw rol in alle woningen hetzelfde?
A: Ophalen ja.
V: Wat heb je allemaal opgehaald.
A: Sieraden en meestal ook de bankpas.
V: Hoe kwam je aan de pincode?
A: Die zeiden ze.
V: Hoe wist je naar welke adressen je moest?
A: Hij zei dat tegen mij. Het adres stond in de app.
V: Heb jij de bestuurder gezegd waar hij naar toe moest rijden?
A: Ja.
OV: In de Volkswagen Up lag ten tijde van jullie aanhouding, een tas met verschillende goederen die afkomstig waren diefstal. Het gaat om onder andere mobiele telefoons en sieraden.
V: Van wie was die tas?
A: De tas was van de vrouw van wie de sieraden, pinpas en telefoon was.
V: Er is met haar weggenomen pinpas (de rechtbank begrijpt: de pinpas van [slachtoffer 2] ), geld van haar bankrekening gepind, in totaal 800 euro. Wie heeft dit geld gepind, zie foto 9 van het fotoblad?
A: Ik.
O: Als wij het goed begrijpen: Jij gaat naar de woning die is doorgegeven via de app. Je belt aan. Geeft de code door. De eigenaar doet alle spullen in een tas en geeft de tas aan jou. Jij neemt de tas mee en gaat weer weg. Klopt dit?
A: Ja.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 69-71):
De verdachte werd mij later bekend als:
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , paste een insluitingsfouillering toe op de verdachte. Het
volgende trof ik aan dat van belang kan zijn voor het onderzoek:
- Donkerkleurige gewatteerde jas met op de achterzijde de tekst 'in GOLD we TRUST'.
- in de broekzak van de spijkbroek trof ik een roodkleurige betaalpas van de Regiobank. Ik zag dat er de volgende tekst op stond: [rekeningnummer 2] , [slachtoffer 1] ;
- - twee smartphones. Een Samsung Galaxy en een beschadigde IPhone.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 60 t/m 63):
Op 8 april 2025 omstreeks 22:40 uur zagen wij ons een witte Volkswagen Up met het kenteken [kenteken 1] tegemoet rijden. . Wij
zagen dat dit voertuig kwam vanuit de richting Sluitersveldssingel te Almelo. Dit is
de doorgaande weg van Almelo in de richting van Albergen/Tubbergen.
De bestuurder gaf mij [verbalisant 2] een rijbewijs. Dit bleek later verdachte [verdachte] . De passagier rechts achterin het voertuig gaf mij, [verbalisant 2] , een paspoort. Dit bleek later verdachte [medeverdachte 1] . De bijrijder bleek later [medeverdachte 2] .
Ik, [verbalisant 2] , zag dat de bijrijder [medeverdachte 2] met zijn been een wit papieren tasje
tegen de middenconsole probeerde te drukken.
DOORZOEKING AUTO:
-----------------
Collega [verbalisant 3] heeft het voertuig doorzocht. Hij heeft mij, [verbalisant 2] , voor het transport het papierentasje overhandigd. Ik zag dat er in het papierentasje een grote enveloppe. Ik zag dat hierin meerdere sieraden zaten. Wij zagen dat er 1 ring en de ketting overeenkwamen met hetgeen de aangever van uit [plaats 2] had verklaard.
11.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 150-152):
De verdachte betrof [medeverdachte 2] geboren [geboortedatum 3] -2004. Op 8 april 2025 tijdens de insluitingsfouillering werd in een zakje op de mouw van het vest van de verdachte een hoeveelheid contanten aangetroffen. Dit betrof in totaal 950,- euro.
Tevens troffen wij in de fouilleringzak, welke wij van onze collega’s hadden meegekregen, ook een aantal biljetten aan. Dit betrof contant geld wat was aangetroffen in de jaszak van de verdachte. In totaal is er bij verdachte [medeverdachte 2] 1450,- euro contanten aangetroffen. Alle briefjes waren nog glad en niet gekreukeld.
In de fouilleringzak zat ook een sieraden doosje met enkele losse sieraden erin. Dit doosje bleek aangetroffen in het voertuig.
12.
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 88-89).
Ik opende de bijrijdersdeur van het voertuig. Ik zag dat er op de grond, aan de
bijrijders kant, een witte tas stond. Ik zag dat er in deze witte tas een envelop
lag. Ik pakte deze witte tas uit het voertuig en opende de envelop. Ik zag dat er
in de envelop tientallen sierraden lagen.
Ik zag dat er op de grond, aan de passagierskant links,
achter de bestuurdersstoel, een vierkant bruinachtig doosje lag. Ik zag dat de inhoud van dit doosje meerdere sieraden betrof.
13.
Het proces verbaal van bevindingen van 11 april 2025 met bijlage, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 153-161):
Ik las dat de verdachten op dinsdag 8 april 2025 in een Volkswagen Up met het kenteken [kenteken 2] zaten.
Ik zag dat het voertuig op naam stond van het bedrijf [bedrijf]
Ik zag de volgende gegevens op het huurcontract.
Automerk: Volkswagen Up
Kentekennummer: [kenteken 2]
Ophaaldatum/tijd: 07-04-2025 / 08:00 uur
Inlevertijd: 09-04-2025 / 08:00 uur
Informatie huurder
Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum 1] -2006
Hierna heb ik gekeken naar de track & trace gegevens die mij waren gemaild.
Ik heb de gegevens per dag uitgewerkt.
P = Stop
D = Rit
08.04.2025
D: 11:22:05 2025-04-08 2h 1Min 45s
[adressen 1]
(…)
P: 19:08:09 2025-04-08 4Min 52s
[adressen 2]
D: 19:13:01 2025-04-08 27Min 26s
[adressen 2]
P: 19:40:27 2025-04-08 9Min 34s
[adressen 3]
(…)
P: 22:03:04 2025-04-08 17Min 35s
[adressen 4]
D: 22:20:39 2025-04-08 22Min 36s
[adressen 5]
[Afbeelding]
14.
Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 220-242):
Op 8 april 2025, werd bij de verdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te
[geboorteplaats 2] , een mobiele telefoon inbeslaggenomen.
Snapchat: [accountnaam 1] (owner)
Snapchat:
Chat 1:
[accountnaam 1] joined the call (Device owner)- [accountnaam 3]
[naam 2] - [accountnaam 4]
[accountnaam 2] - [accountnaam 5]
[naam 2]
@ [accountnaam 5] [adres 1]
8-4-2025 17:34:40(UTC+0)
[naam 2]
Raak die ipad met geen vinger aan
8-4-2025 17:38:46(UTC+0)
(…)
[naam 2]
Bro gewoon erop man
8-4-2025 19:16:31(UTC+0)
[naam 2]
Huur geen waggie
8-4-2025 19:16:33(UTC+0)
[naam 2]
Voor jan doedel
8-4-2025 19:16:36(UTC+0)
(…)
[naam 2]
[adres 2]
8-4-2025 19:42:43(UTC+0)
[naam 2]
Hoe ver is het
8-4-2025 19:42:47(UTC+0)
[naam 2]
Ik geef groen
8-4-2025 19:42:49(UTC+0)
[naam 2]
Licht
8-4-2025 19:42:51(UTC+0)
[accountnaam 2]
17min man rijden
8-4-2025 19:43:15(UTC+0)
[naam 2]
Vertrekken!
8-4-2025 19:45:50(UTC+0)
(…)
[accountnaam 1] (owner)
Wordt er een video gedeeld van 2 seconden, op deze beelden is een telefoon te zien
waarop er in de Rabobank App wordt gekeken.
8-4-2025 20:10:05(UTC+0)
(…)
[accountnaam 1] (owner)
Wordt een video gedeeld van 1 seconde, op dit beeld zijn sieraden, geld, huistelefoon
en mobiele telefoon met Rabo App te zien.
8-4-2025 20:15:38(UTC+0)
(…)
[naam 2]
Pak alles
8-4-2025 20:17:53(UTC+0)
[accountnaam 1] (owner)
geld
8-4-2025 20:18:02(UTC+0)
[naam 2]
ook huis tellie mee nemen
8-4-2025 20:18:02(UTC+0)
(…)
[accountnaam 1] (owner)
ben
8-4-2025 20:18:21(UTC+0)
[accountnaam 1] (owner)
loesoe
8-4-2025 20:18:22(UTC+0)
(….)
[naam 2]
Kunnen we nog pinnen
8-4-2025 20:18:30(UTC+0)
[naam 2]
Misschien
8-4-2025 20:18:31(UTC+0)
(…)
[naam 2]
[adres 3]
8-4-2025 20:20:30(UTC+0)
15.
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 256-257):
Op 8 april 2025 te 23:30 uur werd bij de verdachte, [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2]
2006 te [geboorteplaats 2] , een mobiele telefoon van het merk Samsung, kleur zwart, in
beslaggenomen.
Op 9 april 2025 werd van [slachtoffer 1] , een aangifte
opgenomen. Hieruit bleek dat er, onder andere, een zwarte Samsung telefoon bij het
slachtoffer was weggenomen. . Desgevraagd vertelde het slachtoffer dat
zij een patroon toegangscode op haar telefoon had ingesteld. Het patroon betrof de
"G". Op mijn verzoek heeft TDO de toegangscode "G" op de inbeslaggenomen Samsung getest. Ik hoorde dat TDO met de opgegeven toegangscode de telefoon kon openen. In de telefoon troffen zij de opgegeven naam [naam 4] Grobbe.

Voetnoten

1.Nederland bevindt zich in de tijdzone Midden-Europese Tijd (MET), dat overeenkomt met UTC+2 tijdens de zomertijd.
2.HR 20 december 1988, NJ 1989/683 en HR 17 mei 1994, NJ 1995/46.
3.HR 23 maart 1931, ECLI:NL:HR:1931:141.
4.Runescape-arrest, HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251.
5.HR 2 juni 2009, ELCI:NL:HR:2009:BH5232, r.o. 2.5.